UIT DE PERS
Wanneer er in de kerkelijke pers berichten verschijnen over het kerkelijke leven achter het ijzeren gordijn, dan verdient dit uiteraard onze aandacht. Het betreft hier immers kerken levend onder communistisch bewind. Hoe leven en werken daar de reformatorische kerken? We kennen mogelijk enkele namen, vangen soms verspreide berichten op, maar vaak valt het buiten onze gezichtskring en moeten we zeggen: „Wat weten we er bitter weinig van af". Daarom mogen we dankbaar zijn voor iedere informatie die we op dit punt ontvangen. Op een tweetal artikelen willen we dan ook in dit persoverzicht wat dieper ingaan. Het betreft de kerkelijke situatie in Polen en in de DDR, de communistische volksrepubliek in Oost-Duitsland.
De situatie van de kerken in Polen.
Allereerst dus iets over de kerkelijke situatie in Polen, het vaderland van de bekende reformatorische theoloog Johannes a Lasco, alsmede het toevluchtsoord voor vele Socinianen in de 16e eeuw. Onder leiding van hun predikant pf. Flake bracht een groep Duitse jongeren uit Blomberg een bezoek aan Polen. In de Reformierte Kirchenzeitung (uitgegeven door de Reformierte Bund) van 15 maart 1965 geeft Pf. Hermann Flake naar aanleiding van dit bezoek een kort overzicht over de kerkelijke verhoudingen in Polen. Al biedt dit bericht geen diepgaande theologische beschouwingen, het verschaft toch enige informatie, die waardevol is.
Polen is overwegend Rooms-Katholiek. In het huidige Polen vormt de R.K. Kerk een van de sterkste factoren in het geestelijke en culturele leven van dit land. Een factor waar ook de communistische overheid terdege mee te rekenen heeft, wil zij onder het volk geen moeilijkheden veroorzaken. Meerdere malen vermocht de R.K. Kerk steunend op de massa haar eisen in allerlei aangelegenheden door te zetten. Dat kenmerkt de situatie in Polen in vergelijking met andere landen van het oostelijk blok.
Direct komt dan de vraag boven: En hoe zit het dan met de andere, de niet r.k. kerken? Het antwoord op deze vraag luidt:
„In de schaduw van deze politieke agressieve kerk (bedoeld is dus de R. K. Kerk) staan de betrekkelijk kleine evangelische gemeenten die tot op de dag van vandaag toe te vechten hebben tegen het vooroordeel, als zouden ze niet van Poolse, maar van Duitse herkomst zijn en dus geen Pools maar een Duits stempel dragen. De leuze: Katholiek, dus Pools, evangelisch, dus Duits is nu eenmaal afkomstig uit die tijd, waarin bijna alle uit Duitsland afkomstige Immigranten tot de evangelische (meest Lutherse) kerk behoorden. Toch mag niet over het hoofd gezien worden dat er daarnaast reeds vanaf de Reformatietijd evangelische gemeenten van Luthers- en gereformeerd stempel in Polen bestonden en dat zij hun eigen geschiedenis hebben. Vol trots werden wij herinnerd aan het vierhonderdjarig jubileum van de Poolse bijbelvertaling en aan mannen uit de evangelische gemeenten, die aan de culturele ontwikkeling van Polen een belangrijk aandeel hebben.
De reformatorische kerken in Polen vormen dus een minderheid, die verwikkeld dreigt te raken in allerlei nationale vragen en een bepaald stempel opgedrukt krijgt, dat niet beantwoordt aan de werkelijkheid. Kunnen we nu spreken van een crisis van het Protestantisme in Polen? De schrijver van genoemd artikel signaleerde echter naast genoemde crisisfactoren ook gunstiger dingen.
Reeds gedurende de Duitse bezettingstiid hebben vertegenwoordigers van de kleine evangelische kerken elkaar gevonden en onder de druk der verhoudingen de „Poolse oecumenische Raad van Kerken" opgericht. Bij deze raad hebben zich ook andere niet-roomse kerken aangesloten. De aaneensluiting omvat heden acht kerken, met samen 600.000 tot 700.000 leden. Gelet op het getal vormt de Orthodoxe Kerk met ongeveer 400.000 leden de sterkste groep. De evangelische kerk naar de Augsburgse belijdenis (Lutheranen) telt heden ongeveer 120.000 leden, de Poolse nationale katholieke kerk ongeveer 50.000, de gereformeerde kerk en de baptisten ongeveer elk 4000. De oud-katholieke kerk der Mariavieten (met ca. 20.000) de Methodisten (met 8000) en de verenigde Evangeliekerk komen tot een hoger getal. De laatstgenoemde is een fusie van vijf denominaties (b.v. Plymouthbroeders, Pinksterbeweging). Verrassend is het dat er zelfs contacten zijn met de zevende dags Adventisten".
Tot zover dit (vertaalde) citaat. Het wijst op een nauw oecumenisch contact. Volgens de voorzitter van de oecumenische Raad van Polen is deze beweging geen zaak van kerkleiders en bisschoppen, maar wordt dit streven gedragen door de gemeenten, wat o.a. tot uiting komt in de geweldige belangstelling voor de week van gebed, die ook de Poolse kerken kennen.
Helaas blijft dit bericht wat in het formele steken en ontvangen we geen inlichtingen over het interne leven van de kerken, alsmede de theologische ontwikkeling. Mij trof in dit artikel het woord „Diaspora situatie" Dat wil dus zeggen: Kerk in 'de verstrooiing. Wie het N.T. kent en denkt aan de gemeenten in die tijd, weet dat dit geen vreemde situatie is voor de Kerk van Christus. Ook toen leefden er Christenen in de verstrooiing. Aan hun adres is de eerste Petrusbrief gericht, de brief van de hoop, de levende hoop in Christus. Deze hoop beschaamt niet. Ook vandaag niet, wanneer de Kerk wederom kerk in de verstrooiing is.
Kerk in de DDR in 1964.
In de D.D.R. is de bevolking overwegend protestant. Maar ook hier zegt het getal nog niet veel over de werkelijke situatie. Op de synode van de Kerk van Berlin-Brandenburg is er rapport uitgebracht over de kerkelijke situatie in Oost-Duitsland. Het blad „In de Waagschaal" van 20 maart j.l. publiceerde een excerpt van dit rapport, waaruit we hier enkele gedeelten overnemen.
De ingrijpende wijzigingen die zich in onze veranderende wereld voltrekken, gaan ook bij ons in razend snel tempo verder. Met enorme electrische centrales in Schwarze Pumpe, Lübbenau en Vetschau en door de ontsluiting van nieuwe kolenbekkens In de omgeving van Calau wordt bijvoorbeeld de Nederlausitz van een typisch landelijke streek met stille dorpen en naaldbossen, omgezet in een geweldig industrieel centrum. In Schwedt a.d. Oder, dat eertijds zo idyllische provinciestadje, vestigt de petrochemische industrie zich. In Premnitz, Rathenow, Ludwigsfelde, Brandenburg a.d. Havel en elders gaat het evenzo. Aan deze industriële vestigingen zijn nieuwe steden, respectievelijk stadswijken toegevoegd die als het ware zo maar in één nacht tot stand zijn gekomen.
Ook op het terrein van onze landskerk is het voor de huidige situatie dan ook kenmerkend, dat vlak naast het moderne „fabriekslandschap" nog het burgerlijk-agrarische landschap ligt met zijn dorpen en provinciestadjes in ouderwetse trant. Pal naast het Spreewalddorp staat de kolos van de nieuwe electrische centrale; daar staan om zo te zeggen twee tijclperken naast elkaar.
De christelijke gemeente aldaar leeft vandaag de dag dan ook telkens in volstrekt verschillende tijdperken en gebieden. Tegen de achtergrond der huidige wereld is de situatie der christelijke gemeente in Schwedt a.d. Oder en in Eisenhüttenstadt bijvoorbeeld heel anders dan in een dorpsgemeente in het Spreewald, in de Uckermark of in Prignitz, waarvan het leven nog sterk door het karakter van de volkskerk wordt bepaald. In de dorpen, in de steden en in de reuzestad Berlijn is het beeld van het huidige gemeentelijke leven zeer sterk uiteenlopend en vol tegenstellingen.
We zullen dit voortdurend voor ogen moeten houden en op grond daarvan er dan ook maar liever van afzien, over ons kerkelijk leven van tegenwoordig een samenvattend oordeel te vormen; de zo zeer gecompliceerde, gevarieerde, zelfs tegenstrijdige werkelijkheid laat zich in zulk een oordeel immers volstrekt niet meer vatten. Zelfs ten aanzien van het brede terrein onzer landelijke gemeenten valt er vandaag volstrekt geen overeenstemmend beeld meer te tekenen. Er zijn dorpsgemeenten, die tot op dit ogenblik nog sterk het stempel van de traditie der volkskerk dragen en die, statistisch gezien, een ongerept kerkelijk leven vertonen in kerkgang, waarneming der ambten, catechisatiebezoek en voorbereiding op de geloofsbelijdenis, alsook wat betreft de opbrengst van collecten en van de kerkelijke belasting. Maar aan de andere kant zijn er ook dorpsgemeenten, waar het proces van ontkerkelijking heel ver doorgaat, zodat in feite nog slechts een onaanzienlijke gemeentekern aanwezig is, terwijl alle andere dorpelingen meestal met volslagen onverschilligheid aan het leven der kerkelijke gemeente voorbijgaan, zelfs op de grote feestdagen, al zijn zij formeel dan ook niet uit de kerk getreden.
Lettend op die grote spanwijdte in het leven der gemeenten, wordt het ons opnieuw duidelijk dat dermate verschillende en tegenstrijdige verschijnselen onmogelijk op één algemene noemer van beoordeling te brengen zijn.
Er heerst aldus dit rapport in de kerken een crisis op het punt van de prediking. Deze hangt samen met de ontwikkeling in de theologie. De theologie van Bultmann, de zgn. existentiële interpretatie van de Bijbel —, een interpretatie dus die aanknoopt bij 's mensen zijns voorwaarden, — oefent een zeer sterke invloed uit op vele theologen van de jongere generatie. Dit alles veroorzaakt een scherpe tegenstelling tussen de predikanten enerzijds, die beïnvloed zijn door Bultmann c.s. en de gemeenten anderzijds, die graag in de spanningen waarin ze staan houvast willen hebben aan een schriftuurlijke en aan de belijdenis gebonden prediking en door de resultaten van de critische bijbelwetenschap ten diepste worden verontrust.
Het rapport wijst er op hoe temidden van al deze vragen de kerk er op zal moeten toe zien, dat de boodschap aangaande Jezus Christus, de gekruisigde en opgestane Heere het middelpunt van de verkondiging blijft en niet overwoekerd wordt door allerlei filosofische vragen.
Belangwekkend is ook wat het rapport vermeldt over de catechese en over het jongerenwerk. Naast verontrusting over verwaarlozing van de doopbelofte is er ook blijdschap om de trouw waarmee vele jongeren in een door atheïstische propaganda gekenmerkt klimaat vast blijven houden aan het Evangelie en in de DDR als christenen begeren te leven.
Hoewel geen statistische gegevens over het catechisatiebezoek voor het gehele ressort beschikbaar zijn, mag toch wel gezegd worden dat de bedroevende achteruitgang van het catechisatiebezoek der laatste jaren over het algemeen tot staan is gekomen. Juist hier weerspiegelen zich weer heel kras de sterke verschillen m ons gemeenteleven, waarvan boven reeds sprake was. In de dorpsgemeenten varieert het catechisatiebezoek tussen 100 en 50 procent van de kerkelijk ingeschreven kinderen; in de steden, vooral in de industriecentra, is dat aantal tot 30 of 20, in Berlijn en in nog een paar grote steden zelfs tot 13 tot 10 procent gedaald.
Helaas zijn nog geen inlichtingen beschikbaar aangaande de vraag in hoeverre het mogelijk zal wezen om de schollichting 1964, waarvan de kinderen in 1957 of 1958 werden gedoopt, bij de catechese te betrekken. In een industriestad van middelbare grootte heeft een intensieve huisbezoekactie van predikanten, catecheten en groepjes gemeenteleden, waarbij de ouders werden aangesproken op hun belofte dat zij hun kinderen in de christelijke leer zouden laten onderwijzen, tot het uitermate bedroevende resultaat geleid dat nu nog maar nauwelijks één derde gedeelte van die ouders bereid bleek om de indertijd afgelegde belofte gestand te doen en hun kinderen na begin van het schooljaar naar de catechisatie te laten gaan.
Dit is een verontrustende gang van zaken, waardoor natuurlijk tevens de vraag naar een verantwoorde doopspraktijk in een nieuw licht komt te staan. Wij moeten namelijk niet vergeten, dat met die ouders destijds vóór de doopsbediening een diepgaand pastoraal gesprek over de betekenis van de Heilige Doop was gehouden.
In het vorige verslag moest ten aanzien van de jonge kerk van dalende cijfers worden gesproken. Maar hier tekent zich nu een verheugende wending af. De landdagen van de jonge kerk in Hermannswerder (1963) en in Burg (1964) waren — beide malen — met ruim 2000 deelnemers uitstekend bezocht. De bijbelkringen voor jonge christenen in onze vaste tehuizen waren meer dan vol. Jeugdweken en kringsgewijs gehouden jeugdzondagen waren dikwerf gekenmerkt door sterker deelname dan in vroegere jaren het geval was.
Aan de andere kant is natuurlijk menige „jonge kerk", vooral op de dorpen, danig geslonken doordat veel jonge mensen in de loop van hun vakopleiding wegtrekken of doordat zij worden opgeroepen om te worden ingelijfd in het volksleger. Ook naar het innerlijk is de jeugd van onze kerk tegenwoordig aan verandering onderhevig. Feitelijk hebben wij heden ten dage te doen met een generatie van „kleine volwassenen" die er op uit zijn om zich zo gauw als het maar kan aan de wereld der volwassenen aan te passen. Achter het mom van zelfverzekerd optreden gaat maar al te vaak een diepe onzekerheid schuil, — een onzekerheid die in de diepste grond snakt naar wezenlijke kameraadschap van de zijde der volwassenen. Deze jeugd verkiest niet langer bemeesterd en bevoogd te worden, maar zij ziet uit naar leiding en hulp in gesprek en voorbeeld, om dan zelf haar weg te mogen vinden tot een leven in gebondenheid aan de Heer der Kerk.
Voor deze taak van wezenlijke kameraadschap zijn onze gemeenten, over het geheel genomen, nog lang niet klaar. Te sterk overheerst daar nog de instelling op een soort patriarchale bemoeienis. Door een dergelijke „verzorging" gevoelen de jeugdige christenen zich afgestoten, vooral wanneer ze daarbij dan vaak enkel maar hand- en spandiensten mogen verrichten, bestaande in taloemen-schikken vóór de dienst of in medewerking aan een straatcollecte. En wanneer ze op die manier de indruk krijgen dat zij in hun eigen positie door de gemeente der volwassenen niet als medeverantwoordelijke deelgenoten au sérieux worden genomen, wensen zij niet meer mee te doen.
Wij moeten aan onze jonge christenen wat durven overlaten, wij moeten dit of dat stuk verantwoordelijkheid aan hen durven overdragen, ook al stemmen hun denkbeelden niet overeen met de opvattingen die in de ogen der oudere en oude generaties taboe of sacrosanct zijn. Wij moeten ook de moed hebben om de frisse bries van hun vaak tot de bodem gaande vragen en om hun onstuimige critiek op de kerk te doorstaan, in stee van als betweters zulke vragen uit de hoogte te willen sussen of zelfs af te snoeren.
Uitermate verblijdend was in dit jaar ook de toeloop naar de vormingsweekeinden en naar de vormingsdagen voor belijdeniscatechisanten. De ervaring heeft uitgewezen dat het leven in groepsverband op zo'n meerdaagse „Konfirmandenrüste" voor de belijdeniscatechisant als enkeling van meer betekenis kan zijn dan een hele reeks van gewone catechisatie-uren. De oefening in christelijke levensgemeenschap gedurende de langere tijd van een vakantie, ook in de ontmoeting met jonge christenen uit andere landskerken, blijft een stuk jeugdwerk, dat wij niet mogen loslaten.
Met blijdschap en dankbaarheid moet het ons vervullen dat er ook thans jonge mensen zijn die.
gegrepen door de boodschap van Jezus Christus, zeer bepaald in onze levensruimte als christenen begeren te leven, — en dat wel ondanks het bekende algemene klimaat in het teken van atheïstische propaganda, van secularisering in dit tijdsgewricht van wetenschap en techniek en van wijd om zich heen grijpende onverschilligheid, een onverschilligheid die geen andere belangstelling meer kent dan die voor de levensstandaard. Onze gemeenten hebben deze jonge christenen, hoe ongemakkelijk ze inderdaad vaak mogen wezen en wat een onrust ze soms mogen teweegbrengen, met haar volle liefde te begeleiden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 april 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 april 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's