UIT HET NIEUWE TESTAMENT
1 Corinthe 11 vers 26 b. (Vervolg)
1 Corinthe 11 vers 26 b. (Vervolg)
De vorige maal bespraken wij de betekenis van het gedeelte van vers 26: „Zo dikwijls als gij dit brood zult eten en deze drinkbeker zult drinken, zo verkondigt gij de dood des Heeren". Wij lieten nog rusten, wat de apostel daarop laat volgen: „Totdat Hij komt".
Natuurlijk ligt in deze woorden allereerst een tijdsbepaling. De stille verkondiging van de dood des Heeren zal niet gestaakt worden tot aan de grote Dag van Jezus' wederkomst. Tot op die Dag wil de Heere Zijn gemeente vergaderen, brengen en versterken in het geloof door Zijn Heilige Geest. En steeds zullen Woord en Sacrament daarbij een rol spelen. Tot zolang zullen er ook gelovigen zijn. Christus is de Heere, Die zonder onderdanen niet zijn kan. Nooit zal de prediking van het Woord en evenmin de bediening van het Avondmaal, geheel achterwege blijven, zolang deze bedeling duurt. Zelfs in tijden, dat de Kerk zwaar vervolgd zal worden en het rijk van de Antichrist oppermachtig zal schijnen, zal dit doorgaan. Daar zorgt God Zelf voor. Ook dan zal daar nog Zijn gemeente zijn, die samenkomt, op de meest geheime plaatsen, en de dood des Heeren verkondigt.
Doch zo gevoelen wij, dat er in de slotwoorden van vers 26 meer ligt, dan louter een tijdsbepaling. Deze woorden houden een belofte in. Gods kinderen mogen hier aan het Avondmaal reeds een bijzondere gemeenschap met de Heere genieten. Echter, de volkomen gemeenschap is dit nog niet. 't Is aan de dis des Verbonds nog een gemeenschap in het gelóóf, straks gaat dit over in aanschouwen.
Hier blijft het voor hen allen steeds nog een strijd en hun zonden en zielevijand blijven hen nog steeds verdriet en last veroorzaken. En maken scheiding tussen de Heere en henzelf. Doch eens zal die strijd voorbij zijn en de vijand voorgoed gebonden worden. En het Koninkrijk, dat voor hen weggelegd is, zal dan voor eeuwig in al zijn schoonheid openbaar komen in de nieuwe hemel en op de nieuwe aarde.
Wie ontsteekt een lamp, als het licht van de zon helder brandt? Nu trekken de gelovigen nog voort bij het licht van de lamp van het Woord, dat in het Sacrament zichtbaar voorgesteld en bezegeld wordt. Maar in het nieuwe Jeruzalem is het Lam Zelf de kaars. En daar is de Bruiloft des Lams!
Zo worden de slotwoorden uit vers 26 tevens tot een aansporing. Zij willen ook bij de viering van het Avondmaal onze aandacht richten op de toekomst. Opdat wij ook meer in die verwachting het Avondmaal zouden vieren. Een feit is, dat wij bij die viering vooral onze aandacht richten op wat in het verleden geschied is, op het offer van de Heere Jezus. De tekenen wijzen ons immers daarheen. Ook ons klassieke formulier legt daarop grote nadruk. Echter, door het geloof, door de werking van de Heilige Geest, oefenen wij aan het Avondmaal gemeenschap met de opgestane en levende Heere. Hij is thans verhoogd in de hemel. Doch aan Zijn glorie, achter de wolk moet nog een grotere worden toegevoegd. In Zijn wederkomst ten oordeel. Daar zal Hij voor al de Zijnen de vruchten van Zijn offer volkomen openbaar maken. Tot Zijn eigen vreugde en tot blijdschap van allen, die Hem oprecht hebben lief gekregen. Moet daarom aan het Avondmaal onze aandacht ook niet op die toekomst gericht zijn?
Hierbij mogen wij bedenken: in deze bedeling vieren wij het Avondmaal dus met de zichtbare tekenen van Jezus' lichaam en bloed. Hij Zelf is op een geestelijke wijze, door Zijn Geest, tegenwoordig. Niet op een lichamelijke wijze. Hij Zelf eet niet mee van het brood en drinkt niet mee van de wijn. Echter, wanneer Hij zal zijn wedergekomen op de wolken, zullen wij, zij het op een nu nog door ons niet te vatten' wijze, ook déze zegen ontvangen. Dan toch zal het Avondmaal van deze bedeling overgaan in het Avondmaal van de Bruiloft des Lams. Hiervan heeft Jezus Zelf gesproken bij de instelling van het Avondmaal tot Zijn discipelen: „En Ik zeg u, dat Ik van nu aan niet. zal drinken van deze vrucht des wijnstoks, tot op die dag, wanneer Ik ze met u nieuw zal drinken in het Ko ninkrijk van Mijn Vader". Wij vieren het Avondmaal, ook onder deze belofte van Christus. Zou dit dan niet moeten geschieden met nog meer verlangen naar de toekomst, met 't Adventsgebed in 't hart: „Kom, Heere Jezus? " Hoogstwaarschijnlijk heeft de oude Kerk juist bij de viering van het Avondmaal dit gebed gebeden. In 1 Corinthe 16 vers 22 en in Openbaring 22 vers 20 vinden wij wellicht toespelingen op dit gebruik!
Aan de dis des Verbonds gedenken wij dus wat Christus door Zijn dood tot onze zaligheid heeft volbracht. Tevens wat Hij, de opgestane en levende Heere nog voor ons zijn wil. Ons toetreden tot die dis is een stille, toch duidelijke taal sprekende verkondiging van Zijn dood, tot verzoening van onze zonden. Bovendien heeft de rechte Avondmaalsviering iets van een voorsmaak van de volkomen zaligheid in het voleindigde rijk der heerlijkheid.
't Is vanzelfsprekend, dat het Avondmaal ook gevierd moet worden op een wijze, die Gode behaaglijk is, tot Zijn en tot Christus' eer! Toen Mozes in de woestijn de brandende braambos mocht naderen, waar de Heere Zich op een bijzondere wijze aan hem wilde openbaren, zó dat daarin rijke beloften lagen voor hemzelf en voor zijn volk, moest hij de schoenen van de voeten doen, als teken van bijzondere eerbied. Hij moest diep doordrongen zijn van het feit, dat de plaats, die hij naderde, heilig was vanwege de bijzondere tegenwoordigheid Gods.
En in Psalm 15 vraagt de dichter zich in verband met het naderen tot de Heere in Diens heiligdom onder Israël, waar Deze Zich toch ook zegenrijk wilde openbaren, met klem af: „Wie zal naderen? Wie zal verkeren in Üw tent, wonen op de berg van Uw heiligheid? " Daar leeft eveneens bij hem een besef, dat dat zomaar niet kan, dat dit een innerlijke gesteldheid en levenshouding vraagt, die Gode welbehaaglijk is.
Geldt dit niet evenzo bij het aangaan tot het Avondmaal? Welk een genade wil de grote Gastheer, Christus, daar de Zijnen bereiden! Het aangaan aan de tafel heeft iets van een feest. Toch is deze plaats, omdat Hij daar is. Die ook als de Heere der Heere een Naam boven alle naam draagt, en Die gruwt van alles wat schijn is, een heilige plaats. Ook hier zullen wij naderen als het ware met ongeschoeide voeten, in een bepaalde gezindheid en levenshouding. De Heere laat deze dis aanrichten midden in de strijd van dit leven, waarbij ook Zijn kinderen op bijzondere wijze betrokken zijn. Anderzijds is het waar, dat wie aan die dis aangaat, als het ware uit dit allerdaagse leven opklimt op de berg van Gods heiligheid.
Dit stelt de eis van voorbereiding. Bovendien de eis, dat wij ons voor het aangaan terdege rekenschap zouden geven van de vraag, hoe wij staan tegenover de grote Gastheer van deze dis. Die wil in oprecht geloof gezocht, Die wil dat geloof daar versterken. Dat geloof kan zwak zijn, bestreden worden, maar het moet toch écht zijn. Welnu, dan hebben wij ons er wel rekenschap van te geven, hoe het met dat geloor gesteld is. Of het zijn echtheid bewijst. Wie zijn wij voor onszelf, die aangaan. Wat dunkt ons van onszelf? Maar, en dit is nog belangrijker, Wie is Hij voor ons, Die nodigt. Wat dunkt ons van Hem?
Bovendien: wat staat eventueel weer in de weg om tot Hem te naderen? En hoe is dat uit de weg te ruimen? Opdat wij tot Hem naderen, in een gebaande, rechte weg!
Om deze reden is dus voor het genieten van het Sacrament de zelfbeproeving noodzakelijk. Paulus spreekt hiervan in het vervolg van dit Schriftgedeelte. De Catechismus en het Avondmaalsformulier dringen er met klem op aan!
Niet zonder zin kennen wij als regel de z.g.n. voorbereidingspreek vóór de viering van het Avondmaal. Hierin mag stellig duidelijk naar voren worden gebracht de zégen van het Avondmaal, wie daar de Gastheer is en wat Hij daar voor de Zijnen wil wezen. Doch hierin moet ook de opwekking aan het adres van de gemeente tot zelfbepróeving aan de orde komen. Het eerste gedeelte van ons klassieke Avondmaalsformulier handelt o.a. over deze zelfbepróeving. Daarom heeft het goede zin dit gedeelte niet in de Avondmaalsdienst zelf, maar in de Voorbereidingsdienst te lezen. De voorbereidingspreek én het lezen van dit gedeelte van het formulier dienen dan om richting te geven aan deze zelfbepróeving, die volgen moet.
Deze zelfbepróeving is iets, dat in de stilte gebeuren moet en ze is strikt persoonlijk. Wij hebben daartoe de afzondering nodig, de binnenkamer met de gesloten deuren — opdat ze plaats vinde in het diepe besef, dat wij juist in die zelfbepróeving regelrecht voor Gods aangezicht staan!
Het is waar, dat ze, wanneer ze niét op de juiste wijze geschiedt en ontaardt in een uiteenrafelen van onze zielservaringen en gesteldheden, wordt tot een verslappende en verlammende zaak .Doch het is even waar, dat ze, indien ze op de juiste wijze plaats vindt, voor de bloei van het geestelijk leven van grote betekenis kan zijn.
Niet zonder grond mogen wij in onze tijd wel extra aandringen op deze zelfbeproeving. De polsslag van het leven is zeer versneld: allerlei uitwendige omstandigheden hebben daartoe meegewerkt. Het zou onbillijk zijn de mens van onze tijd zonder meer oppervlakkiger te noemen dan de mens van vorige eeuwen. Dit is, zo generaliserend, zeker niet waar. Wel is het een feit, dat de drang tot de kennis van het eigen hart, wat daarin omgaat en daaruit voortkomt in de practijk van het leven, sterk door de heersende tijdgeest wordt belemmerd, zelfs verstikt. Wij horen als het ware steeds het klappen van de zweep achter ons. Het leven is al drukker en gejaagder geworden. Er zijn steeds zoveel belangrijke en onbelangrijke dingen en activiteiten, die zich aan ons opdringen, dat wij er soms haast niet meer toe komen de aandacht ook eens op onszelf te concentreren. Behalve de overvloed van couranten en tijdschriften zijn er de radio en de televisie, waarvan wij als christenen het gebruik zonder meer niet kunnen afkeuren, doch waarvan wij wél moeten vaststellen, dat ze in vele gezinnen de rust verjagen en aan de diepere zelfbezinning veel schade doet. Daar komt voor een meelevend en zich gevend gemeentelid nog bij, dat er vandaag aan de dag dingen genoeg op het gebied van de Kerk en wat daarmee in verband staat, te doen zijn. Een tekort aan vergaderingen is er zeker niet! De stormloopvan al deze dingen, op zichzelf vaak noodzakeijk en nuttig, dreigt onze eigen persoon onder de voet te lopen. Wij kunnen lopen en ons geven voor veel en velerlei, maar ons eigen geestelijk leven kan tegelijk schade lijden. Er knabbelt heel wat aan ons, doch langzaam maar zeker knabbelt het heel wat van onszelf af. Het vele brengt ons vaak geen innerlijke verrijking, wel verarming.
Daarom mogen wij juist in onze tijd, wél blijven aandringen op zelfbepróeving. En het is meer dan ooit een zégen te noemen, dat ook met het oog op de viering van het Avondmaal telkens weer de vermaning van de apostel tot ons komt: „De mens beproeve zichzelf en ete alzo van het brood en drinke van de drinkbeker"!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 april 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 april 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's