DE DOOPZITTING IV
In het laatste citaat uit Calvijn's Catechismus kwam het woord „versperren" voor. „Velen versperren de genade door hun verdorvenheid de weg en maken haar krachteloos". Het valt ons op hoe Calvijn de volle verantwoordelijkheid voor het ontberen van de genade der vergeving en der levensvernieuwing op de mens legt.
In de laatste vraag van Zondag 49 van Calvijn's Catechismus komt dat ook weer uit. De vraag luidt: „Hoe vallen ons deze weldaden in de doop ten deel? " Het antwoord zegt: „Wanneer wij de ons hier aangeboden beloften niet onvruchtbaar maken door ze te versmaden, worden wij met Jezus Christus bekleed en met Zijn Geest begiftigd".
Zoals een fles, die ondergedompeld wordt in een kuip met melk, aan alle kanten door die melk omgeven wordt, zodat die melk aan alle kanten a.h.w. vraagt om toegelaten te worden, zo worden wij gedoopt (ondergedompeld) in de rijkdom van Gods genadige beloften. De fles blijft ledig, niet omdat de melk ontoereikend is of ver weg, maar door eigen gesloten-zijn. Zo ook blijft het hart ledig, alléén omdat het zichzelf afsluit van en verzet tegen het verbond der genade.
Nog even willen we voortgaan met Calvijn's Catechismus op te slaan, omdat deze ons leert, hoe de Reformator zijn Bijbel beluisterd heeft.
In Zondag 50, die speciaal handelt over de kinderdoop, luidt de eerste vraag: „Wat hebben wij te doen, om de Doop op de juiste wijze te ontvangen? " Het uitvoerige antwoord zegt, dat het juiste gebruik van de Doop geschiedt in geloof en berouw.
Vanzelf komt dan weer de vraag naar voren, of men dan kinderen wel dopen mag. Calvijn's antwoord is: „Het is niet noodzakelijk, dat geloof en berouw altijd aan de Doop voorafgaan. Zij worden slechts geëist van hen, die naar hun leeftijd tot beide in staat zijn. Wat de kinderen betreft, is het voldoende, dat zij de kracht van hun Doop openbaren, nadat zij tot de jaren des onderscheids zijn gekomen".
De verleiding is groot hier nog meer te citeren. Maar ik ben toch al uitvoeriger geweest dan de bedoeling was. Het gaat er alleen om verschillende gezichtspunten aan te wijzen, die bij de Bijbelbespreking op de Doopzitting van belang zijn.
Aan een korte bespreking van een Bijbelgedeelte kan men een korte omschrijving van de inhoud der Doopvragen verbinden. Ik ga daar nu op het ogenblik niet verder op in. Het is de bedoeling later in enkele artikeltjes daarover uitvoeriger te spreken.
Wel wil ik nog even opmerken, dat in het bovenstaande wel sterk de nadruk gelegd is op de beloften die van Gods kant tot ons en onze kinderen komen. En dit genade-karakter van het verbond moet ook ten volle geaccentueerd worden. Maar toch zal ook duidelijk moeten uitkomen, dat dit gena deverbond een verbond is en dus niet „vrijblijvend" mag worden ontvangen. Er is geen strijd tussen de heiligheid en de genade Gods.
We kunnen ook dit Sacrament „onwaardig" gebruiken, zodat 't een reuke des doods ten dode wordt.
Want het zijn niet de ouders, die hun kinderen laten dopen, en ook niet de kerk, maar het is de heilige en genadige God, Die onze kinderen laat dopen.
Nu komt in verband met de toelating tot de H. Doop de vraag op: hoever strekt zich de draagkracht van de beloften des verbonds uit in de lijn der geslachten ?
Waar is hier de grens? Of is die er niet?
Hebben zij gelijk, die de stelling huldigen: doop al wat in het Doophuis gebracht wordt?
Laten we over deze opvatting niet te snel de staf breken. In Zondag 55 van zijn Catechismus heeft Calvijn het daarover, na de bespreking van het Heilig Avondmaal. Calvijn ziet de toelating tot het Sacrament als een zaak die aan de predikanten is toebetrouwd. Dat is m.i. niet juist. Kuyper heeft terecht gezegd: de Doop is een schat der gemeente, waarover de kerkeraad, niet de prediker beschikt.
Aan het eind van Zondag 55 gaat Calvijn zelf ook in die richting. Wanneer de predikant persoonlijk iemand als onwaardig kent en hem gewaarschuwd heeft, is dit ook volgens Calvijn toch niet voldoende om iemand uit te sluiten. Het oordeel der kerk moet daarbij komen, waartoe een goede gemeenteleiding nodig is, bestaande uit „oudsten", die gekozen worden om voor de tucht der zeden zorg te dragen en ergernissen te verhinderen en „dezen moeten van deelname uitsluiten diegenen, van welke zij weten, dat zij niet in staat zijn, het te vieren en aan wie men het niet bedienen kan, zonder het Sacrament te ontheiligen".
Dit alles heeft bij Calvijn betrekking op de toelating tot het H. Avondmaal en de geschiedenis van de kerk van Geneve van zijn tijd bewijst, dat hij zijn regel ook in practijk heeft gebracht.
Maar ten aanzien van de H. Doop schijnt Calvijn een ander standpunt in te nemen. Ik lees in de desbetreffende Zondag 55: „moeten de predikanten, aan welke de uitdeling is toevertrouwd, allen, die komen, zonder onderscheid toelaten? " En dan luidt het antwoord: „Wat de Doop betreft, is het, daar men die tegenwoordig alleen aan de kinderen bedient, niet nodig, onderscheid te maken, maar wat het Avondmaal aangaat, moet de predikant er voor waken, het niet uit te reiken aan één, die openlijk als een onwaardige bekend is".
Het is duidelijk, dat, wat de kinderdoop aangaat, Calvijn een ruime Doopspractijk heeft voorgestaan. En onze Vaderen zijn hem daarin veelal gevolgd. Het bekende boek van dr. Olthuis heeft daarvan de nodige illustraties gegeven.
Toch heett de toelating van ieder, zonder meer, op de duur niet kunnen bevredigen, vooral omdat na enkele generaties de kerk zich gaat ontwikkelen in de richting van een volkskerk en zich een „sleur- en slenter-christendom" ontwikkeld heeft, waarop onze Oude Schrijvers hun kritiek richten.
Op verschillende Synoden (de Nationale van Dordt en verschillende Provinciale Synoden daarna) komt de zaak ter sprake, evenals in allerlei geschriften. Sedert dien is de geschiedenis der kerk voortgegaan met allerlei verwarring en verwereldlijking.
Voor dit keer eindig ik met 't standpunt van W. a Brakel weer te geven. Brakel sluit uit de kinderen van nietchristenen, waarbij hij naast Joden en heidenen ook de Socinianen (de vrijzinnigen van die tijd) noemt; verder: vondelingen in een niet-christenland of in een land met een zeer gemengde bevolking, omdat het dan zowel kinderen van niet-christenen als van christenen kimnen zijn; en tenslotte: kinderen van geëxcommuniceerden, die na de excommimicatie zijn verwekt.
Daarentegen pleit hij voor toelating van bondgenoten, hetzij dat ze het beide zijn, of één van beiden; verder ook kinderen van bondgenoten, maar die uit hoererij geboren zijn; en tenslotte: kinderen van gecensureerden, „want de zoon zal niet dragen de misdaad van den vader".
(Slot volgt).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 april 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 april 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's