De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE PERS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE PERS

12 minuten leestijd

De laatste maanden is de verhouding van de Hervormde kerk tot de andere kerken in ons land opnieuw aan de orde gesteld. We denken hierbij in de eerste plaats aan het geschrift „Hervormd-Gereformeerd gesprek", dat, - ontworpen door de Raad voor het verband met de andere kerken - door de Synode aan de kerkeraden is toegezonden, opdat het in de kerkeraden en in allerlei kringen besproken zal worden. . Daarin wordt op een uitvoerige en gedocumenteerde wijze de stand van het gesprek tussen de Hervormde kerk en de Gereformeerde kerken weergegeven en voorts gepleit voor samen-spreken en samen-handelen; Het samen-spreken i dient op dit laatste gericht te zijn. Ge­noemd wordt tenslotte de kwestie van de kanselruil en de gemeenschappelijke Avondmaalsviering.

Het tweede, wat we in dit verband willen noemen betreft de voorstellen,  die op de laatste Synodevergadering gedaan zijn en daar ook met slechts 3  stemmen tegen zijn aangenomen om te  komen tot een hechtere gemeenschap  tussen de Hervormde Kerk en de Remonstrantse Broederschap.

In deze voorstellen wordt de mogelijkheid geopend dat Remonstrantse  predikanten in de Ned. Herv. Kerk en  Hervormde predikanten in Remonstrantse gemeentes voorgaan in de bediening van Woord en Sacrament. En voorts dat onder bepaalde voorwaarden predikanten van beide kerken over en weer beroepbaar zijn of voor bepaalde of onbepaalde tijd hulpdiensten verlenen. Om deze mogelijkheden te realiseren is een kerkordewijziging noodzakelijk van Ord. 20-3.

Uiteraard laat de kerkordeformulering ook de mogelijkheid van toepassing open met betrekking tot andere kerken, waarmee de Herv. kerk een nauwere band begeert, maar primair  is toch gedacht aan de Remonstrantse Broederschap.

Het wil ons voorkomen dat deze voorstellen, die zoals gezegd, in eerste lezing aanvaard zijn en nu nog de classicale vergaderingen moeten passeren, van grote betekenis zijn juist met het t oog op het Hervormd-Geref. gesprek. Niet alleen de Dordtse leerregels zullen hier ter sprake komen, maar het functioneren van de belijdenis in zijn geheel.

Volgens het verslag in „Woord en Dienst" (van 13 maart 1965) is door ds. Roetman opgemerkt - en we menen: terecht - dat de belijdenis in beide kerken wel zeer verschillend functioneert, en dat een dergelijke consensus de contacten met de kerken van gereformeerde signatuur niet mag verhinderen. De vrees, die ds. Roetman hier uitspreekt wordt door meerderen gedeeld. Ook van confessionele zijde is er beduchtheid ten aanzien van deze voorstellen.

Erkenning van het Vrijzinnig Protestantisme ?

Dit is de vraag, die ds. S. Kooistra (uit Lisse) stelt in het Hervormd Weekblad „De Gereformeerde Kerk" (van 8 april). Niet alleen vindt deze predikant het bevreemdend dat men met deze voorstellen komt, nog voordat het theologisch rapport verschenen is, naaar bovenal vindt hij het onjuist, dat we eerder kanselruil zouden krijgen met de Remonstranten dan met de Gereformeerde kerken. Hij schrijft o.a.:

Ondertussen houd ik vol, dat de Ned. Herv. Kerk krachtens haar belijdenisgeschriften dichter staat bij de Geref. Kerken dan bij de Rem. Broederschap.

In de Kerkorde staat niet zonder reden in art. 25 lid 2, dat de Ned. Herv. Kerk „zoekt en onderhoudt nauwere betrekkingen met Kerken, waarmede zij door bijzondere banden van beüjdenis of van geschiedenis verbonden is". Ik zou het verdrietig vinden, indien de afstand tussen de Herv. Kerk en de Geref. Kerken grolter zou worden door een al te nauw contact tussen hervormden en remonstranten.

Voor Nederland is de gescheidenheid tussen hervormden en gereformeerden in de dagelijkse praktijk van het kerkelijk leven veel groter oecumenisch probleem dan tussen hervormden en remonstranten. De meeste herv. gemeenten vinden naast zich een Geref. Kerk, terwijl we de remonstranten slechts hier en daar als partner ontmoeten. Ik kan het dan ook beslist niet eens zijn met ds. Krop, die volgens het synodeverslag gezegd heeft, „dat de grote breuk met de gereformeerden in de 19e eeuw niet geheeld kan worden, dan nadat de breuk van 1618 is hersteld". Bovendien mogen wij niet verhelen, dat de remonstranten in overgrote meerderheid de vrijzinnige richting zijn toegedaan. In dat opzicht zullen de meeste rechtzinnig-hervonnden zich godsdienstig en theologisch meer verwant voelen met de gereformeerden. Wordt door kanselruil enz. tussen hervormden en remonstranten het verschil tussen recht- en vrijzinnig niet te gemakkelijk genegeerd? Zijn er niet vele voorbeelden te noemen van rechtzinnig-hervormde gemeenten, die als vrijzinnige concentratie tegenover zich vinden een protestantenbond van o.a. remonstranten, vrijz.-hervormden e.a.? Moet deze ervaring ons niet voorzichtig stemmen om nu straks ieder remonstrants predikant toegang te verlenen tot de hervormde kansels? Voor mij persoonlijk is de historische kwestie van 1618 niet de belangrijkste rem tot kanselruil met remonstranten maar wel het nog steeds diep ingrijpend geloofsverschil tussen recht- en vrijzinnig.

Zo rijst bij mij de vraag, of de synodale voorstellen niet betekenen een nog verdergaande wettiging der vrijzinnigheid? Eigenlijk heeft de Ned. Herv. Kerk hierover noch in de 19e eeuw noch in onze eeuw ooit een uitspraak gedaan.

Dit zijn behartenswaardige woorden. Al zou naar onze mening ook over 1618 nog wel het nodige gezegd kunnen worden. Het is nog de vraag of dit niet een groot struikelblok is. Tenslotte maken de vijf artikelen tegen de Remonstranten nog altijd deel uit van de officiële belijdenis van onze kerk. Waarom niet gewacht met dergelijke ingrijpende voorstellen totdat men eerst op dit punt klaarheid en zekerheid heeft. Nu zouden de onklaarheden wel eens groter kunnen worden, en de mist die er waart rondom de functionering van de belijdenis steeds dikker.

Ds. Kooistra vreest een nog verdergaande wettiging der vrijzinnigheid. Dat dit inderdaad wel eens zijn terugslag zou kunnen hebben op het gesprek met  de Gereformeerde kerken, is niet denkbeeldig. Prof. dr. D. Nauta heeft naar aanleiding van het boekje Hervormd- Gereformeerd gesprek in het Centraal Weekblad van 13 maart 1965 de opmerking gemaakt

„Maar aan de andere kant hebben zij dan toch wel een weinig uit het oog verloren, dat de gereformeerden het bij dat gesprek als een aangelegen punt beschouwen dat er aan de echtheid bij de hervormden althans in een- bepaald opzicht in belangrijke mate iets aan schort. En dit is de aanwezigheid van een radicaal vrijzinnige groep, welker legitimiteit niet duidelijk en niet krachtig wordt ontkend, althans niet voldoende wordt tegengestaan".

Ik vond dit citaat in het blad „Waarheid en Eenheid" (van vrijdag 26 mrt.) in een artikel van de hoofdredacteur dr. J. Schelhaas Hzn., waarin hij het rapport Intercommunie bespreekt, opgesteld door een aantal deputaten van de Geref. kerken voor de komende synodevergadering.

Intercommunie met de Hervormde Kerk

Dr. Schelhaas heeft voor dit rapport geen goed woord over. Op nogal felle wijze trekt hij er tegen van leer. Hij acht het verschrikkelijk dat de deputaten - ondanks het feit dat ook zij sterke nadruk leggen op het oefenen van opzicht en tucht en de Herv. kerk op dit punt in gebreke stellen, - toch kans zien de toelaatbaarheid van intercommunie met de Hervormden te verdedigen. In het nummer van 9 april schrijft Schelhaas:

Als men dit nu eens rustig leest, dan valt men van de ene verbazing in de andere. Want met de aanloop: tucht moet worden geoefend!, gaat men dan verder de wezenlijke tucht onder mooie woorden loslaten. Men ziet in die Hervormde gemeente de gemeente van Christus, ja, maar waar is dan in die gemeente leertucht? Waar is die geoefend? Waar kan die geoefend worden? Hoe kan nu ineens de zaak van de hervormde gemeente meteen onze zaak worden? Men heeft toch nog nergens ook maar enige leertucht betracht! Als men niet wist, dat hier hooggeleerde en zeer geleerde mensen aan 't woord zijn, zou men aan niets anders dan aan onsamenhangendheid kunnen denken om geen harder woord te gebruiken. Hier wordt zo snel niet alleen de achterdeur geopend maar ook door de achterdeur binnengehaald, wat aan de voordeur is uitgewezen, dat het adembenemend is. We gaan echter nog even verder met citeren. We lezen: „In dit voorgaande beraad komt dan met grote klem en ernst de vraag aan de orde: wat is er, dat u ter verbetering nog zou kunnen doen, dat u nog niet gedaan hebt? Maar men zal bereid moeiten zijn daaraan toe te voegen: en dat wij zélf in uw geval ook zouden doen?

Bij de bezinning hierover zal waarschijnlijk blijken, dat niet alles wat nodig is op het ogenblik te verwezenlijken is. Dat is buitengewoon verdrietig".

Dan wordt men echter in dat verdriet getroost met de mildheid van Calvijn!

Maar dat is dan toch wel heel erg. Calvijn oproepen als trooster bij verdriet om gebrek in de tucht, terwijl dit gebrek niet voortkomt uit onmacht om een goede regel behoorlijk door te voeren maar uit de onmacht en de onwil om zulk een regel te stellen, dat to.v. de vrijzinnigen van het Heilig Avondmaal moeten worden afgehouden.

Wanneer de tucht zal worden gehandhaafd, dan moet toch een tuchtregel worden gesteld en doorgevoerd? Wanneer er geen leertucht mogelijk is op grond van gesteld recht, dan komt er toch van deze tucht niets terecht?

Zou de Hervormde Kerk stellen: de ouderwetse vrijzinnigen moeten als zij in hun vrijzinnigheid volharden van het Heihg Avondmaal afgehouden worden, dan zouden we bij de doorvoering voor mildheid en voorzichtigheid begrip kunnen opbrengen. En hierbij kan ook Calvijn als consolator dienst doen.

Maar toch zeker niet bij het handhaven van de leervrijheid op zodanige wijze, dat geen vrijzinnige van het Heilig Avondmaal kan worden afgehouden?

De deputaten hebben hier naar mij voorkomt ernstig gefaald in goede degelijke voorlichting en belichting. Op deze wijze redenerend blijft er niets overeind staan, gaat elke weerstand uiteindelijk eraan. Men is hier op het hervormde standpunt overgestapt, zonder dit duidelijk te zeggen, misschien ook zonder dit zelf duidelijk te hebben gezien.

Een persoverzicht is niet de plaats om hier breed op in te gaan. Hier zijn immers vele vragen in het geding. Wanneer houdt een kerk op kerk van Christus te zijn? Hoe zit het met de z.g.n. merktekenen van de kerk? Is er één kerk te noemen, die deze merktekenen zuiver vertoont? Gaan we dan als kerken niet allen onder de critiek van het Woord door? Mag en moet de Herv. kerk nog niet altijd op haar gereformeerd karakter worden aangesproken? Bij alle begrip voor de argumenten van dr. Schelhaas - met hem zijn wij beducht voor een geforceerde eenheid, die de vragen verdoezelt - kan men toch de vraag niet onderdrukken: „Waar is de solidariteit, het medeworstelen en medelijden met de Hervormde kerk in al haar verscheurdheid, waar toch geen enkele gereformeerde zich van kan afmaken? " Dreigt niet steeds het gevaar van een zekere gearriveerdheid ten aanzien van eigen positie?

Kerkelijke oneerlijkheid ?

Maar we willen daarbij in het oog houden dat zijn woorden vooral bestemd zijn voor de Geref. kerken, waar Waarheid en Eenheid allerlei verontrustende factoren aan het werk ziet. In hetzelfde nummer klaagt een scribent dat er zoveel van bovenaf opgelegd wordt en de gemeente eigenlijk onmondig gehouden wordt. Kerkeraden beleggen gemeenschappelijk diensten met Hervormden, Ambtelijk geleide diensten zonder dat de gemeente voorgelicht en ingelicht wordt. We citeren uit dit artikel, dat de nogal „schreeuwerige titel voert: „Luidkeels alstublieft" :

Maar het wordt tijd, dat het kerkvolk mondig wordt. Dat het zich laat horen. Dat het ambt aller gelovigen weer gaat functioneren, om een eind te maken aan die afschuwelijke kerkelijke oneerlijkheid, die door allerlei pressuregroups (Woudschoten-congressen, gemeentetoerusting, progressieve dominees) wordt gepropageerd, door de synode gesanctioneerd en door de gemeentes getolereerd.

We roepen u op, om uw bezwaren kenbaar te maken bij uw kerkeraad. En stuurt die u met een vroom kluitje in het oecumenische riet — dan bij de classis enzovoort.

Zoudt u er ons dan een afschrift van willen zenden? Zowel van uw bezwaarschrift, als van de antwoorden, die u erop krijgt? Dan kunnen we er in onze kolommen aandacht aan besteden, om te voorkomen, dat het allemaal weer in de doofpot terecht komt. *)

Van scherpzinnige kerkrechtelijke zijde zal men dit wel een oproep vinden, om sekten en muiterijen aan te richten in kerkelijke regeringen.

We komen daar niet van onder de indruk.

Toen de kerk van Emmeloord indertijd een bezwaarschrift tegen gemeenschappelijke kerkdiensten met hervormde gemeenten indiende bij de generale synode en allerlei kerkeraden daaraan adhesie betuigden, hoorden we van genoemde scherpzinnige kerkrechtelijke zijde daarover scherpe afkeuring.

Daaruit bleek alleen maar geheugenzwakte van deze scherpzinnige kerkrechtelijke zijde, zoals prof. Dijk heeft bewezen. Adhesie betuigen is een reeds jaren en jaren geaccepteerd gebruik in onze kerken. Vandaar, dat we de opmerkingen van die zijde niet hoog aanslaan. Ze dragen al te zeer het stempel van partijdigheid.

We roepen u op, om de kerkelijke weg te bewandelen. Maak uw bezwaren bekend bij uw kerkeraad en de verdere kerkelijke vergaderingen. Dan kan daar tenminste eindelijk een werkelijk gesprek: beginnen. En laat u de mond niet snoeren. We bieden u graag onze diensten aan.

De Stichting „Gemeentetoerusting" wil subsidie van de synode. Wordt het geen tijd, een Stichting „Kerkbehoud" op te richten en eens te proberen, wat de synode daar voor over heeft?

*) Een nieuw gezang voor de .meerder" kerkelijke vergaderingen: „En waarom zouden we treuren? De doofpot is zó groot...! "

We geven met opzet dit brede citaat om u te laten zien hoe er in de verhouding Hervormd-Gereformeerd allerlei knelpunten liggen. Dat stelt ook ons de vraag: Hoe voltrekt zich de toenadering? De klacht over de pressure-groups is dunkt ons op zijn plaats, ook waar het onze kerk betreft. Diepgaande theologische verschilpunten, vragen die de Schrift ons stelt, komen niet aan de orde, terwijl allerlei voorstellen via commissies etc. doorgezet worden. Dat is niet de weg om tot de echte oecumene te geraken. Daarmee bewijzen we èn de Waarheid èn de eenheid geen dienst. Resumerend kan gezegd worden: Alles komt aan op de vraag op welke wijze onze kerk het gesprek voert met de andere kerken. Opdat we niet een eenheid forceren, maar de eenheid zoeken en vinden in de Christus der Schriften.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 april 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE PERS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 april 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's