De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

IN DEN BEGINNE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

IN DEN BEGINNE

6 minuten leestijd

In den beginne schiep God de hemel en de aarde. (Genesis 1 : 1).Zo vangt de Heilige Schrift aan: In den beginne.Wanneer was dat? En waarvan was dat het begin?

Wanneer het was, valt voor ons mensen niet zo gemakkelijk te zeggen. Eigenlijk helemaal niet. De mens, ons geslacht, onze voorouders waren er nog niet  "in den beginne", dat hier wordt gemeld. Het hier bedoelde begin is de aanvang van de scheppende daden Gods. De aanvang van een wereld, die er niet was, maar die God in het aanzijn riep. De aanvang van „dingen", betrekkelijke dingen, die er tevoren niet waren. De aanvang van de tijd, van wisseling en verandering, van ontstaan en vergaan, van verschijnen en verdwijnen. Die wisseling hoort bij de tijd. In den beginne heeft iets met tijd te maken. Het begin van de tijd. Het begin van de schepping Gods is het begin van de tijd, van verschijnen en verdwijnen, van ontstaan en vergaan. Maar daarom is de tijd in Gods hand. Hij is de Schepper ook van de tijd.

Maar wanneer dat was, wanneer de tijd begonnen is? Dat kan de mens niet zeggen. Hij was er in den beginne nog niet. Wel kan hij de tijd tot op zekere hoogte meten, maar dan moet hij er zijn. Toen God zei: in den beginne, was de mens er nog niet. Neen, God heeft de ganse aarde toebereid en daarna de mens geschapen. De mens zag het eerste levenslicht in een wereld, die hem verwachtte.

De zon en de maan maakten scheiding tussen dag en nacht. En God zag, dat het goed was. (Gen. 1 : 18). Dag en nacht waren de tijdsindeling voor de mens, de zon en de maan de wijzers van zijn tijd, het kosmische uurwerk, dat God, de Heere, gemaakt had.

Wanneer de tijd begonnen is, kan de mens niet zeggen. Hij kan van tijd alleen uit eigen ervaring spreken en daarom kan hij van de tijd der dingen, die God vóór hem geschapen heeft, eigenlijk niets zeggen, tenzij God hem daarvan onderricht. En als hij er toch iets van zeggen gaat, gaat hij het weer menselijk maken, dat is naar zich zelf afmeten en naar menselijk weten onderscheiden.

Denk maar eens aan Gods mededeling omtrent de scheppingsdagen in Genesis 1. Aanvankelijk was er nog geen wisseling van zon en maan, maar wel een wisseling van dag en nacht. Hoe die wisseling was en hoe lang de dagen en de nachten waren, weten wij niet. Het uurwerk, dat God voor de aarde bestemd heeft, de wisseling van zon en maan, was er nog niet, zoals wij dit kennen, want er was nog geen zon en maan. En toch spreekt de Heere van dag en nacht. (Vgl. Gen. 1 vs. 5, vs. 8, vs. 13). Daarna maakte God de twee grote lichten, (vs. 16).

Of toen ook de 24-uren dag door God is ingevoerd, staat er niet bij, wel zegt het tweede hoofdstuk van Genesis, dat God op de zevende dag Zijn werk had volbracht en dat Hij op de zevende dag gerust heeft van al Zijn werk, dat Hij gemaakt heeft. (Genesis 2:2).

Hier kan men toch ook niet zeggen, hoelang die goddelijke rustdag geduurd heeft. Wel kan men daaruit verstaan, dat God voor de mens de zevende dag als Sabbath, als rustdag, heeft bestemd en zes dagen als werkdagen voor de mens heeft aangewezen.

Voor de mens is de tijd begonnen, toen hij zijn oog onder de scheppende hand Gods opsloeg en met zijn Schepper Sabbath vierde. Toen was het voor hem: In den beginne. Toen begon zijn geschiedenis.

Wij hebben gezien, dat de geschiedenis der aarde een goddelijke werkweek ouder is dan de geschiedenis van de mens. Dit kunnen we ook van de geschiedenis van de hemel zeggen, maar wij blijven nu maar bij de aarde.

Een goddelijke werkweek ouder!

Hoe lang is dit?

Daar gaat het nu juist om. Dat weten wij niet.

En laten wij ons goed bewust zijn, als de Heere God ons over de schepping van de wereld en van de mens niets had geopenbaard, zouden we over deze goddelijke werken niets weten.

De menselijke wetenschap zou er ook niet achter komen, omdat zij zich beweegt in het geschapene, in de op aarde aanwezige en in de op haar betrokkene geschapen werkelijkheid.

Dat is haar gebied. Het zijn en de wording der dingen vallen slechts onder haar onderzoekende blik voorzover zij in haar wereld gestalte aannemen. Het goddelijke scheppingswonder, de eigenlijke wording, het ontstaan der dingen, der levensorganisaties op het bevel Gods, ligt aan de andere kant.

De bomen en planten, die wij zien, zijn voortgekomen uit het zaad van andere bomen en planten. Deze zijn voortgekomen uit de zaden van vroegere bomen en planten, en deze weer van een vroeger geslacht, en zo kunnen we teruggaan tot de eerste planten en bomen.

Met de dieren kunnen we het ook zo stellen: het ene geslacht gaat, het andere komt, ja, komt uit het verdwijnende geslacht en zo kunnen we terugdenken tot het eerste geslacht.

Ook met de mens kunnen we van geslacht tot geslacht terugdenken tot op Adam en Eva.

Maar, als we bij de eerste plant, bij de eerste boom, althans in onze gedachtengang gekomen zijn, dan staat er voor ons verstand geen eerdere boom of plant achter om zaad te maken.

En dit stelt ons voor de vraag, waar komt die eerste boom of plant vandaan en hoe is die daar gekomen op een aarde, die nog geen plant had gezien ?

Dit is een vraag, die ongetwijfeld opkomt bij de mens, die zich met deze dingen bezig houdt, 't Is niet alleen een ontdekking, dat de aarde begroeid is, maar hóé is de aarde begroeid. Waar komt de aarde vandaan en hoe ontving zij haar plantengroei (en haar dierlijke bevolking en vanwaar ontving zij de mens). Dat zijn toch vragen die de onderzoeker zich stellen moet. Hij kan die vragen echter niet beantwoorden, omdat zij buiten zijn tijd, buiten zijn ervaring en daarom buiten zijn vermogen liggen. Tenzij God hem onderricht, maar dat is geestelijke kennis en geen menselijke wetenschap.

Spreek mij niet van evolutie als van een middel, neen, het is geen middel, als een gedachte aan een ontwikkelingsproces, waarbij het een uit het ander is voortgekomen. Zelfs, wanneer men een evolutieproces zou kunnen bewijzen en met meer waarschijnlijkheid aantonen dan die van een blote theorie, dan zou de vraag nog blijven, vanwaar die evolutie, dat proces en dat begin.

Als men zou zeggen, dat is zo oud als de wereld, zou dit slechts een nietszeggende dooddoener zijn.

Wij stervelingen zitten in deze wereld en komen nooit aan het begin met ons aan deze wereld gekluisterd vermogen. Het begin van deze wereld ligt niet in haar, maar buiten haar. Het ligt in God en daarom zien wij het niet en kennen het niet, tenzij God de Heere het ons openbaart.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 april 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

IN DEN BEGINNE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 april 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's