De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

IN DEN BEGINNE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

IN DEN BEGINNE

6 minuten leestijd

II.

„In den beginne" heeft iets met de tijd te maken, zoals we gezien hebben. En tijd heeft iets uit te staan met de geschapen orde. Alles heeft zijn tijd. Er is een tijd om te zaaien en een tijd om te maaien. „Alles heeft een bestemde tijd, en alle voornemen onder den hemel heeft zijn tijd. Er is een tijd om geboren te worden en een tijd om te sterven, een tijd om te planten, en een tijd om het geplante uit te roeien". (Pred. 3 : 1 en 2).

Tijd is een schepping Gods, maar Hij is de Eeuwige.

De Schrift leert ons, dat de schepping plaats vond in de tijd. Dat blijkt niet alleen uit die uitdrukking „in den beginne", maar ook in de tijdsverdeling der schepping in zes dagen en daarna de Sabbath. Hoe lang die dagen zijn geweest, kunnen we niet zeggen, maar het heeft zeker zijn betekenis, dat van dagen gesproken wordt.

Daarmede komen we tot een merkwaardige zaak, die, naar het mij voorkomt, nogal eens wordt vergeten of voorbij gezien. Laten we beginnen met een vraag: Is Adam getuige geweest van de scheppende handeling Gods ? Neen, maar als hij getuige zou gev/eest zijn, zou hij dan de Heere God in Zijn scheppende handelingen hebben kunnen waarnemen?

Natuurlijk niet, tenzij God hem zulk een blik op een wonderlijke wijze zou hebben willen toestaan. Maar er was nog geen mens, dus daarvan is geen sprake. Het ging er alleen maar om de lezer er op te wijzen, dat Adam nog niet geschapen was en dat dus geen mens de werken Gods, die ons in Genesis 1 vermeld worden, heeft gezien. En dan volgt als vanzelf, dat ook geen mens het eerste hoofdstuk der Heilige Schrift heeft kunnen schrijven, wat de inhoud: de schepping der wereld, betreft.

Een bijzondere zorg Gods heeft gewild, dat de mens kennis zou dragen van de oorsprong aller dingen, van dat machtige werk Gods, waarin voor de mens zulk een voorname plaats was bestemd. De mens in Gods wereld: in de wereld beneden en in de hemel. Een buitengewone en verheven plaats. De mens werd geschapen op de laatste dag, juist vóór de Sabbath. Zijn eerste dag is geweest een Sabbath met God, een Sabbath in het paradijs. Daar kreeg hij onderricht, mogelijk juist over de schepping Gods en over zijn staat.

Het is mogelijk en zelfs waarschijnlijk, maar wij gaan daarop niet verder in. In ieder geval moet de mens door God zijn ingelicht over het werk der schepping, dat hij niet heeft gezien, omdat hij er nog niet was. Aan de mededelingen van Genesis 1 ligt goddelijk onderwijs ten grondslag. Het is een voornaam stuk openbaring, dat God met het oog op de mens heeft geschonken, blijkens de indeling van Zijn scheppingswerk in zes dagen, die gevolgd worden door de Sabbath.

Daarom is het een geheel bijzonder stuk, dat blijkens de talrijke literatuur over dit Capittel geschreven en de veelvuldige kwesties, die daaraan terecht of ten onrechte verbonden worden, door velen niet in zijn openbaringskarakter wordt begrepen. (Wie daaromtrent nader kennis wil nemen, kunnen we aanbevelen:  Beschouwingen over Genesis I, door Dr. Nic. H. Ridderbos, tweede druk 1963 bij J, H. Kok N.V., Kampen).

God heeft het nodig gevonden de mens over de schepping der wereld te onderwijzen en het klinkt waarlijk wat onnozel te veronderstellen, dat Hij de openbaring van Genesis I gegeven heeft om ons een lesje natuurkunde te geven. Hoe begrijpelijk ook, dat waarlijk niet alleen geleerden de mededelingen van de eerste hoofdstukken van de Bijbel gaarne onderzoeken om nadere kennis van de wereld en van haar oorsprong en ontstaan te veroveren, — want de Heilige Schrift getuigt van de schepping der wereld door de almachtige God, van de Godsregering en van haar eindbestemming — maar als wij geen oog hebben voor de geestelijke aard en bestemming van de Godsopenbaring, staan wij bloot aan het gevaar de Heilige Schrift te misbruiken en mis te verstaan.

De kennis der schepping en van de geestelijke dingen staan n.l. niet los van elkander. Dat blijkt juist uit dit zeer bijzondere hoofdstuk van Genesis, de wording der wereld. De Heere God heeft de mens al in het oog gehad, bij wijze van spreken, toen Hij de wereld bereidde.

Het noemen van de Sabbath is daarvan een duidelijk bewijs en tegelijk van de geestelijke instelling van 's mensen leven. (Vgl. Exodus 20 : 8, 9, 10, II; Exodus 31 : 13 v.v.).

De Heere God heeft het nodig gevonden de mens er van te onderrichten, dat Hij de Schepper der wereld is en dat Hij daarbij gedachtig is geweest aan de mens.

Men zou kunnen zeggen, bij de schepging van hemel en aarde was het de Heere om de mens begonnen. Dat getuigt ook de schepping van de mens naar het beeld Gods. En daarvan draagt ook een bewijs, dat God aan Zijn drievuldigheid althans enigermate openbaring geeft, als Hij het voornemen van de schepping van de mens in Genesis 1 : 26 bekend maakt.

De Personen van het goddelijk wezen zijn er bij betrokken, zoals wij in de Heilige Schrift rijkelijk bevestigd zien. God de Vader belijden we als de Schepper. Denk maar aan de Twaalf Artikelen des Geloofs. Hij is de oorsprong van alle dingen. Maar de Zoon en de Heilige Geest hebben ook deel aan Zijn werken.

Zie maar eens het eerste hoofdstuk van het Evangelie van Johannes. Dat begint evenals Genesis ook met dezelfde uitdrukking: „In den beginne".

„In den beginne was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God. Dit was in den beginne bij God" (vs. 1) en dan het derde vers: „Alle dingen zijn door Hetzelve gemaakt en zonder Hetzelve is geen ding gemaakt, dat gemaakt is", (vs. 3).

Het Woord, de Zoon, was bij God en zonder Hem heeft de schepping niet plaats gehad. Wij zouden dat ook van de Heilige Geest kunnen getuigen.

In de meervoudsvorm van Genesis 1 : 27 ligt dat, zij het enigszins verborgen, reeds uitgedrukt. De schepping van de mens wordt door de Heilige Schrift dus zeer onderscheiden aangekondigd en wijst op zijn bijzondere en hoge bestemming en roeping, zoals dat ook in het tweede hoofdstuk van Genesis wordt bevestigd.

Zo was het in den beginne. Maar hij is gevallen. Wij zijn gevallen, en velen weten het niet en willen het niet weten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 mei 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

IN DEN BEGINNE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 mei 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's