De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Calvijn over het Heilig Avondmaar

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Calvijn over het Heilig Avondmaar

IX (Slot)

8 minuten leestijd

dooT ds. Jac. Vermaas

IX. (Slot).

Strijd.

Als laatste hoofdpunt behandelt Calvijn in zijn geschriftje de strijd die in zijn dagen over het Heilig Avondmaal is gevoerd. Die strijd ziet hij als een grote ramp. De duivel heeft hem ongetwijfeld aangestookt om de voortgang van het Evangelie te verhinderen, ja zelfs geheel te beletten. Calvijn wenste wel dat die strijd geheel tot het verleden behoorde. Daarom wil Calvijn er niet lang over uitweiden. Hij ziet echter dat vele eenvoudige zielen in verlegenheid verkeren, omdat zij niet weten aan welke zijde zij zich moeten scharen. Daarom wil hij kort uiteenzetten wat hem toeschijnt raadzaam en noodzakelijk te zijn, om hen aan te tonen welk besluit zij moeten nemen.

Calvijn begint dan met in de Naam des Heeren alle gelovigen te verzoeken zich niet al te zeer te ergeren over het grote verschil tussen hen, die leidslieden moeten zijn om de waarheid aan de dag te brengen. Het is niet iets ongewoons, dat de Heere Zijn dienaren enigszins onwetend houdt en toelaat, dat zij elkander bestrijden. De Heere laat deze toestand niet altijd voortduren, doch slechts voor een tijd bestaan om hen te verootmoedigen.

Wanneer alles tot heden zonder enige stoornis en naar wens ware gegaan, dan zouden de mensen vergeten hebben wie zij geweest zijn, of de genade Gods zou minder gekend geworden zijn, dan zij verdient.

De Heere heeft aan de mens alle stof tot roemen willen ontnemen, opdat Hij alleen verheerlijkt worde.

Daarbij moet bedacht worden in welk een afgrond van duisternis de wereld verkeerde toen zij, die deze woordenstrijd hebben doen ontbranden, begonnen ons tot de waarheid terug te leiden. Dan zullen wij ons niet verwonderen, dat zij niet terstond alles hebben geweten. Calvijn vindt het veeleer een wonder, dat de Heere in zo korte tijd hen aldus heeft verlicht, dat zij aan de poel van dwalingen, waarin zij zo lange tijd waren gedompeld, hebben kiuinen ontkomen. Er is niets beters dan te verhalen hoe de zaak zich heeft toegedragen. Daaruit zal blijken, dat er op dit punt veel minder reden tot ergernis is, dan men gewoonlijk meent.

Luther dan veroordeelde de transsubstantiatie - de leer dat brood en wijn werkelijk in het lichaam en bloed des Heeren veranderen - doch zei tegelijkertijd, dat het brood het lichaam van Christus is in zoverre het daarmede verenigd is. Bovendien - aldus Calvijn - voegde hij er vergelijkingen bij, die wel wat onzuiver en ruw waren. Doch hij was wel genoodzaakt zich daarvan te bedienen, omdat hij anders zijn mening niet goed duidelijk kan kunnen maken, want het is moeilijk een zo gewichtige zaak begrijpelijk voor te stellen zonder in de uitdrukkingen enigszins ongepast te zijn.

Aan de andere kant stonden Zwingli en Oeculampadius op. Deze beschouwden het als dwaling en bedrog, door de duivel ingesteld en opgericht, dat men meer dan zeshonderd jaar een zodanige vleselijke tegenwoordigheid van Jezus Christus had geleerd en aangenomen. Zij meenden, dat het hen niet vrij stond hun gevoelen te verbergen; vooral niet omdat die dwaling een verfoeilijke afgoderij bevatte en Jezus Christus er door werd aangebeden, alsof Hij in het brood was opgesloten, 't Was zéér moeilijk deze mening, die zo lange tijd in de harten der mensen was geworteld, uit te roeien. Daarom spanden zij al hun krachten in om het tegendeel uit te roepen.

Zij toonden aan dat het een lompe fout is niet te erkennen wat de Schrift ons getuigt, hoe n.l. Jezus Christus naar de hemel is gevaren en dat Zijn ganse mensheid in de hemel is opgenomen, waar Hij zal blijven totdat Hij wederkomt.

Terwijl zij zich echter hiermede bezig hielden, vergaten zij aan te tonen, wat men van de tegenwoordigheid des Heeren in het Avondmaal moet geloven en welke gemeenschap met Zijn lichaam en Zijn bloed men in het Avondmaal heeft.

Hierdoor kwam Luther tot de gedachte, dat zij slechts de blote tekenen zonder hun geestelijk wezen wilden laten gelden. Daarom begon hij hen openlijk te bestrijden en kwam er eindelijk toe hen als ketters te veroordelen. Zoals meestal geschiedt, nam deze begonnen strijd in hevigheid toe en als Calvijn zijn verhandeling schrijft heeft deze strijd reeds vijftien jaar gewoed, zonder dat echter de een de ander met een vreedzaam hart heeft willen aanhoren. Eens zijn ze bij elkaar geweest, maar toen was er zulk een vervreemding, dat zij van elkander gegaan zijn zonder tot enige overeenstemming te zijn gekomen. Ja, 't is zelfs zover gegaan, dat ze zich, inplaats van enige toenadering, meer en meer hebben teruggetrokken. Calvijn merkt op - wat wel meer voorkomt - dat ieder er slechts aan denkt om zijn eigen gevoelen te verdedigen en het tegenovergestelde te bestrijden. Calvijn stelt het zó, dat Luther van zijn kant tekort geschoten is en dat ook Zwingli en Oeculampadius van hun zijde hebben gefaald.

Van meet af aan heeft Luther zich beijverd te waarschuwen, dat hij niet een tegenwoordigheid van Christus in het Avondmaal wilde stellen als die waarvan de Roomsen dromen. Vervolgens heeft hij er tegen geprotesteerd dat hij het sacrament in de plaats van God wilde zien aangebeden en tenslotte zich heeft onthouden van de zo ruwe vergelijkingen, die moelijk te begrijpen waren of die minder gebruikt, en die zo verklaard, dat zij geen nieuwe ergernis konden doen ontstaan.

Calvijn wijst er echter op dat nu de strijd is ontbrand, Luther buiten de perken is gegaan, zowel in het verklaren van zijn mening als in het veroordelen der anderen met een bitterheid van woorden, die veel te scherp is. Hij heeft zich, naar de heftigheid, die hem tot gewoonte is geworden, bij de bestrijding van zijn tegenstanders, van overdreven uitdrukkingen bediend, die voor hen, die zo maar niet gestemd waren om in zijn gevoelen te delen, hard waren om te dragen.,

Ook de anderen hebben aanstoot gegeven. Zij blaakten zo van ijver om zich tegen de bijgelovige en fantastische mening der Roomsen te verzetten, dat zij zich meer inspannen het kwaad te vernietigen, dan het goede op te bouwen. Zij hebben de waarheid wel nooit ontkend, maar zij hebben die ook nooit zo duidelijk geleerd, als zij dit hadden moeten doen.

Calvijn begrijpt er dit van: zij hebben zich al te zeer beijverd om te handhaven, dat het brood en de wijn het lichaam en bloed van Christus worden genoemd, om reden, dat deze er de tekenen van zijn. Maar zij hebben verzuimd er bij te voegen, dat brood en wijn zodanige tekenen zijn, dat het wezen der zaak er mede samengevoegd is. Zij hebben verzuimd met kracht te zeggen, dat zij volstrekt niet van voornemen zijn te kort te doen aan de ware gemeenschap, die de Heere ons in dit sacrament aan Zijn lichaam en bloed heeft gegeven.

Ook al hebben naar Calvijn's oordeel beide partijen dus verkeerd gehandeld, toch mogen wij, zoals hij verder opmerkt, de genade niet vergeten, die de Heere hun heeft geschonken en het goede dat Hij door hunne handen en door middel van hen heeft verbreid. Als wij niet ondankbaar zijn en niet miskennen wat wij aan hen verschuldigd zijn, dan kunnen wij hun dit alles vergeven en dit doen zonder hen te beschuldigen of te beschimpen. Omdat wij gezien hebben dat zij een heilig leven leiden en wij dit nog zien en ook, dat zij uitnemende kennis bezitten en vol ijver zijn om de kerk op te bouwen, moeten wij hen altijd met gematigdheid en met achting beoordelen en van hen spreken.

Calvijn wijst er op dat wij dit nog te meer moeten doen als het onze God behaagd zal hebben na hun verootmoediging, aan die ongelukkige woordenstrijd een einde te maken of die voor het minst te stillen in afwachting tot hij voor goed wordt beslist. Daar ging dus Calvijn's verlangen naar uit. We weten dat Calvijn aan de eenheid veel gelegen was, ook al wilde hij die niet ten koste van de waarheid. Hij zag uit naar overeenstemming inzake de opvatting over het Heilig Avondmaal. Hij zégt dit, omdat er nog geen formulier was uitgegeven, waarin de overeenstemming was uitgedrukt, zoals de zaak dat verdient. Maar dit zal volgens Calvijn geschieden als het onze God behagen zal allen, die er aan hebben gearbeid, op één plaats te vergaderen.

Het moet ons echter - zo vervolgt de hervormer - voldoende zijn, dat er een broederlijke zin en ook gemeenschap tussen de kerken bestaat en dat allen zover overeenstemmen als nodig is om het tezamen eens te worden.

Eenparigheid is er in dit belijden dat wij, als wij het - sacrament volgens de instelling des Heeren ontvangen, waarlijk deelgenoot geworden zijn van het eigen wezen van het lichaam en van het bloed des Heeren Jezus Christus.

Hoe dit geschiedt kan de een beter voorstellen en duidelijker verklaren dan de ander.

Waarin moeten wij het allen echter eens zijn? Wel hierin, dat wij, om alle vleselijke inbeelding buiten te sluiten, onze harten naar de hemel moeten heffen. En we moeten niet denken dat de Heere Jezus vandaar zou zijn nedergedaald om in enig vergankelijk element te worden opgesloten.

Tenslotte legt Calvijn er de nadruk op dat de Geest des Heeren de gemeenschap bewerkt. Aan de andere kant - zo zegt hij - moeten wij, opdat de uitwerking van deze heilige verborgenheid niet verminderd worde, bedenken, dat de uitwerking door de verborgen en wondere kracht Gods tot stand komt en dat de Geest des Heeren de band dezer gemeenschap is, waarom die gemeenschap dan ook een geestelijke wordt geheten.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 mei 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Calvijn over het Heilig Avondmaar

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 mei 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's