De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE PERS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE PERS

16 minuten leestijd

De discussie rondom het boekje van ds. B. van Ginkel, Twistgesprekken met God, gaat nog steeds voort. Wie er zich in verdiept, dreigt er wat vermoeid van te worden. Temeer, omdat dat wat zich aandient als een nieuw geluid, in wezen oud modernisme is, gestoken in een nieuw kleed. De vraag kan dan ook gesteld worden: Verdient dit kleine boekje zoveel aandacht? Echter, men dient niet te vergeten, dat het niet alleen v. Ginkel is, die op deze bepaalde wijze de vraag naar de evangelieverkondiging aan de mens van vandaag stelt. Men kan er een hele serie namen aan toevoegen: Bultmann, Tilich, Ebeling, v. Buren, Robinson, om slechts de voornaamste te noemen. Zonder al de genoemden over één kam te scheren, mogen we toch wel zeggen, dat zij in hun verlangen om met het Evangeliewoord de moderne mens ook echt te bereiken, zo ver gaan, dat deze moderne mens min of meer de inhoud van de prediking bepalen gaat. Typerend is in dit opzicht nog altijd de bekende zinsnede van Bultmann uit een van zijn publicaties: „Men kan niet electrisch licht en radiotoestellen gebruiken, in ziektegevallen moderne medische en klinische middelen te baat nemen en tegelijk aan de geesten- en wonderenwereld van het Nieuwe Testament geloven. En wie meent, dat voor zichzelf te kunnen doen, moet zich duidelijk voor ogen stellen, dat hij, wanneer hij dat voor het standpunt van het christelijk geloof verklaart, daarmee de christelijke verkondiging in het heden onverstaanbaar en onmogelijk maakt". Bultmann schreef dit - naar ik meen - reeds in 1941 en sindsdien is het in vele variaties herhaald. Ieder begrijpt, dat de consequenties van een dergelijke opvatting ingrijpend zijn. Hier dreigt de theologie anthropologic te worden. Hier komt het Woord niet meer voluit aan het woord.

Ook heden, nu we verkeren in de zgn post-bultmanniaanse fase, gaat het om dezelfde vragen. En ten onzent is het het boekje van Van Ginkel geweest, dat ons de consequenties voor de practijk der verkondiging duidelijk laat zien.

Gods handelen en onze geloof sbeslissing.

In het Hervormd Weekblad „De Gereformeerde Kerk" (van 15 april) gaat Prof. dr. G. C. van Niftrik nogmaals in op deze kwestie. Van Ginkel had zich n.l. in een ingezonden artikel in dit blad er over beklaagd dat er in kerkelijk nederland zo slecht naar hem en de zijnen wordt geluisterd.

Een naar mijn mening vreemde klacht, gezien de veelheid van artikelen, aan zijn boekje gewijd. Prof. v. Niftrik stelt dan ook in dit artikel, getiteld Broederlijk gesprek met ds. Barthold van Ginkel hem de vraag of v. Ginkel ook bereid is naar zijn tegenstanders te luisteren. In dit neo-modernisme (zoals v. Niftrik deze nieuwe theologie noemt) wordt Jezus tot de belichaming van hetgeen in mensenharten opklinkt. Waar blijft hier de objectiviteit van het spreken Gods? vraagt hij terecht. Daarmee wil V. Niftrik geen rationalistische houding innemen. Dat was hem namelijk verweten. In antwoord op dit verwijt schrijft V. Niftrik:

Waartegen ik strijd is dit, dat het „object" van het geloof wordt opgeslorpt door de gelovende existentie. Daarom ben ik het ook niet met Schleiermacher eens, die God ontwikkelt in het vrome gevoel. Bultmann en al de zijnen verdenk ik ervan, dat zij „God" zó verbinden en correlaat doen zijn met de gelovende existentie dat God op mystieke wijze zijn bestaan dankt aan de bewogen existentie van de gelovige. „Was wirst du tun Gott, wenn ich sterbe ... ? " (Rilke). God „bestaat" immers niet volgens Van Buren? ! God dreigt te worden tot een lyrische benaming voor de diepte en achtergrond van de gelovende existentie. Dan zeg ik: God is. Onafhankelijk van mijn hart. Objectief. Het geloof is niet creatief. Maar dat heet dan rationalisme en objectivisme. Als de heren een beetje beter luisterden, zouden zij reeds lang hebben bemerkt, dat mijn „objectivisme" niets anders is dan een aandikken van lijnen, die in déze tijd wel aangedikt móéten worden om een tegenwicht te vormen tegen een veldwinnend subjectivisme.

Gode zij dank word ik niet hulpeloos alleen gelaten met mijn zwakke theologische krachten. Ik moge Van Ginkel en al zijn vrienden verzoeken snel kennis te nemen van het laatste boek van Oscar Cullmann, Heil als Geschichte (Tubingen 1965). Dit boek van ruim 300 bladzijden is één lange bestrijding van de Bultmann-dogmata. In dit boek kan men, beter dan ik het kan zeggen, lezen wat mijn „objectivisme" en „rationalisme" theologisch werkelijk bedoelen. De vraag waarom het gaat, is b.v. treffend op bladz. 33 van Cullmann's boek geformuleerd: wat is beslissend? De bijbelse gebeurtenissen, Gods handelen, in hun „objectiviteit" (Gegenstandlichkeit) of onze ontmoeting met die gebeurtenissen, de daad van het geloof, de beslissing en het Selbstverstandnis? Daarom gaat het. Er zijn daden Gods, waarop mijn heil rust. Eér ik nog was geboren, éér Gods hand, die alles schiep, iets uit niet tot aanzijn riep.... Ik zoek mijn heil buiten mijzelf in Jezus Christus („objectief"). Dat is m.i. méér dan een taalveld, dat ik ook wel met een ander taalveld verruilen kan om dan te zeggen, dat Jezus Christus de vlees en bloed geworden stem van mijn binnenste is. Van Ginkel c.s. moeten goed begrijpen, dat dit mijn „objectivisme" het hart en de kern van het bijbelse evangelie is.

Dit zijn behartigenswaardige woorden. Wie Jezus Christus maakt tot de vlees en bloed geworden stem van mijn binnenste, berooft het geloof van zijn voorwerp en holt het uit tot een bepaalde existentiële houding. Geen wonder dat men dan wel terecht moet komen in het: er-zijn voor de ander. Dat moet dan het geloof nog inhoud geven. In dit verband is ook belangwekkend wat v. Niftrik schrijft over de historische Jezus. Het is opvallend hoe Bultmann's leerlingen weer grote aandacht schenken (i.t.t. Bultmann zelf) aan de persoon van de historische Jezus. Op zichzelf verblijdend. Maar de wijze waarop dit geschiedt is minder verheugend. Zoals in de 19e eeuw de critische geleerden een beeld van Jezus' persoon ontwierpen dat „paste" in het kader van die tijd, en de gegevens uit de evangeliën verwierpen die men niet gebruiken kon, zo dreigt vandaag de dag de historische Jezus te worden tot model voor de medemenselijkheid. Ook v. Niftrik stelt hier een aantal belangwekkende vragen aan v. Ginkel c.s.:

Van Ginkel spreekt in zijn ingezonden stuk meer dan eens over de historische Jezus. Als hij het gesprek wil voortzetten, kan hij het op een vruchtbare wijze doen door de lezers eens dui­delijk te vertellen wat de historische Jezus in zijn taalveld betekent. Op zichzelf kan ik mij er alleen maar over verheugen, dat de een weinig naar doketisme riekende kerugma-theologie doorbreekt. Is die historische Jezus misschien alleen een naam voor de oproep tot medemenselijkheid en geloofsbeslissing? Of heeft deze historische Jezus ook nog wat voor mij gedaan? Daar hebt u mijn „objectivisme" weer! Heeft Hij een offer voor mij gebracht? Heeft Hij mij met God verzoend?

Voor Martin Kahler was de historische Jezus geen andere dan de Christus van het geloof. Door de kennis van de Christus des geloofs leerde Kahler de historische Jezus kennen. Is dat bij de neo-modernen ook zo? Of is het spreken over de historische Jezus een afwijzen van de Christus der apostolische prediking? Ik vraag maar. Dat ligt bij de verwarrende situatie van dit ogenblik bij de verschillende theologen ook zeer verschillend. Ik zie nog niet goed hoe het thans bij Van Ginkel ligt. Is het hem zelf helemaal duidelijk?

Toch broeders?

Dat alles is scherp gesteld. Van Niftrik ziet het hart en de kern van het evangelie bedreigd. Het handelen Gods wordt via de existentiële beslissing van zijn inhoud beroofd. Geen wonder dat dit protest opklinkt.Bevreemdend blijft bij deze scherpe reactie echter het begin van dit artikel. Prof. v. Niftrik wil op broederlijke wijze met ds. v. Ginkel spreken. Hij gunt deze neo-modernen hun wettige plaats in de kerk. We laten hem nogmaals aan het woord.

Ds. Van Ginkel mag er zich van overtuigd houden, dat niets mij verder ligt dan hem en zijn soortgenoten een wettige plaats in de Hervormde Kerk te bestrijden. Ik heb van Barth geleerd er vrede mee te hebben in de kerk samen te zijn met een groot aantal wonderlijke gasten, over welke ik dagelijks mijn hoofd moet schudden. Elk waarheidsinzicht, elke wezenlijke ontdekking van waarheid, zegt Barth, brengt een zekere „Rausch", een soort dronkenschap met zich, die ten gevolge heeft, ' dat wij alle andere lidmaten van de kerk zouden willen dwingen er precies zo over te denken als wijzelf. De bijbel zegt echter, dat wij nuchter moeten zijn, d. w. z. deze „Rausch", deze dronkenschap van ons moeten doen. Zo lang het die ander ook nog gaat om Jezus Christus en diens evangelie, heb ik die ander als broeder te accepteren, hoe moeilijk mij dit misschien ook valt. De kerk is nu eenmaal groter en wijder dan de theologische school. Ik mag de kerk niet laten samenvallen met de theologische school, waartoe ik behoor. Wij mogen niet te snel er bij zijn om een ander de een of andere ketterhoed op te zetten. Ds. Van Ginkel is niet een aangeklaagde, maar een broeder, met wie het toch wel nodig is een gesprek te beginnen

We zouden de vraag willen stellen: Hoe rijmt dit zich met elkaar? Broeder in het geloof en dat, terwijl v. Niftrik het evangelie in zijn kern ziet aangetast door V. Ginkel. Wekt de amsterdamse hoogleraar op deze wijze niet de indruk, dat zijn protest toch eigenlijk niet zo serieus genomen behoeft te worden? Veel bezwaren natuurlijk! Maar we zijn en blijven toch broeders. Ik zou wel eens willen weten, waar dan voor prof. V. Niftrik de grenzen van de kerk liggen. Wat houdt het in dat de kerk weert wat haar belijden weerspreekt, zoals art. 10 van de kerkorde zegt? Wordt hier dan toch het belijden niet weersproken ? Laten de beschouwingen over een stem die opklinkt in ieders mensenhart en die vlees en bloed geworden is in Jezus van Nazareth zich dan toch verenigen met de belijdenis der reformatie ? Heeft juist de kerk der reformatie in haar belijdenissen niet alle klemtoon gelegd op het feit, dat het heil er is in Jezus Christus, extra nos. Buiten ons en nochtans voor ons, geschonken om niet. Ik moge alleen herinneren aan antwoord 60 van de Heidelbergse Catechismus. Wordt dit niet op een flagrante wijze weersproken door deze neo-modernen? We vrezen dat prof. V. Niftrik in deze verregaande tolerantie toch de spits van zijn betoog zelf afbreekt.

Het laat zich dan ook verstaan, dat Prof. Herman Ridderbos in het Gereformeerd Weekblad (uitg. Kok, Kampen) van 23 april in de rubriek Van week tot week zich tegen deze tolerantie verzet. Bij alle waardering voor de duidelijke taal, door v. Niftrik gesproken, wordt het hem duister, als v. Niftrik dan toch aan v. Ginkel c.s. een wettige plaats toekent in de Kerk. Hij schrijft in dit verband:

Maar de bewering, dat dit alles — en dan in de ruimste zin („hem en zijn soortgenoten") — een legitieme plaats zou hebben in de kerk en haar verkondiging (want daar moet toch dit nieuwe taalveld beproefd worden), roept bij mij de vraag op, waaraan ds. Van Ginkel dit recht en deze wettige plaats in de kerk dan toch zou kunnen ontlenen en met welk recht prof. Van Niftrik hem die wettige plaats zo royaal kan verzekeren. Wellicht omdat de theologie het recht moet hebben nieuwe „taalvelden" te openen en proefpolders aan te leggen om als wetenschap te kunnen experimenteren? Ik wil, om misverstand te voorkomen, terstond erkennen, dat er veel aan gelegen is, dat de kerk niet tot een deeg wordt dat niet genoeg gekneed of tot een koek . die niet op tijd wordt omgekeerd en dat de theologie bij deze manipulaties — men vergeve het wat huiselijke beeld — belangrijke, zij het soms ook onrustverwekkende diensten kan verrichten. Als daar a priori een stokje voor gestoken werd, zou ik nog trachten „wat anders" te worden, dan ik nu ben.

Maar dat kan alles slechts binnen bepaalde grenzen, n.l. van die van het fundament van de kerk en van haar op grond daarvan beleden geloof. En als prof. Van Niftrik nu telkens zonneklaar aantoont, dat het bij dit neo-modernisme om (de aantasting van) deze fundamenten en dit geloof der kerk gaat, hoe kan hij dan zeggen: natuurlijk, broeder, mijn mening is óók maar een schoolmening en niets ligt mij verder dan u deze mening op te leggen? Houdt een theologie, die zo redeneert, niet op het zelfde ogenblik op geloofwaardig te zijn in haar protest en polemiek. Is dat in ieder geval niet juist wat het neo-modernisme wil: taalveld naast taalveld en als u in de oude polder wilt doorploeteren, ga uw gang: wij proberen het in de nieuwe polder op onze manier?

We kunnen deze vragen verstaan. Het gaat immers om meer dan alleen een schoolmening. Het gaat om de verkondiging aan de mens van nu. En wie bewogen is over de moderne mens, kan niet meer breed-tolerant zijn t.o.v. een prediking, waarvan men zelf erkent dat ze het hart van het Evangelie wegsnijdt. Niemand zal de moeilijkheden inzake de tucht bagatelliseren mogen.Maar wie in het kerkelijk leven ernst wil maken met de Schrift en weet dat ons gemeente-zijn voortdurend weer getoetst dient te worden aan wat de Bijbel hierover zegt, zal toch ook voorzichtig moeten zijn met al te vlug de benaming „broeders" als pleister op de wond te hanteren. De tweede Johannesbrief, die op een zeer broederlijke wijze spreekt over de liefde onder elkander, stelt ook duidelijk grenzen: Indien iemand tot u komt en deze leer niet brengt, ontvangt hem niet in uw huis en heet hem niet welkom".

Dat is de apostolische ernst die Ridderbos bij V. Niftrik mist. Die niet gemist kan worden. Zo de kerk waarlijk kerk is.

Weten wij nog wat het Evangelie inhoudt?

Dat is de vraag die dr. J. J. Buskes zijn lezers voorlegt. Hij doet dit in de bekende rubriek Terzijde in In de Waagschaal (van 17 april). Buskes gaat daar in op de klacht van zijn collega's , over het functieverlies van de predikant in de moderne samenleving. We geven zijn opmerkingen zonder commentaar door. Zijdelings raken ze het onderwerp van dit persoverzicht. Want ook Buskes spreekt over de inhoud van de prediking aan het adres van de moderne mens. Prediken wij — zo vraagt hij — nog een evangelie waarvoor we ons niet behoeven te schamen? Dat is een vraag die we niet met wat tolerantklinkende zinnen kunnen afdoen. Om der wille van de waarheid niet en evenmin om der wille van de broederlijke liefde.

Zo nu en dan merk ik, dat het sommige collega's nog al zwaar op de maag ligt, dat wij als dominees niet meer meetellen in de wereld. Het functieverlies van de dominee zit ons dwars.

Ik maak mij over dat functieverlies niet zo'n zorg.

Nog niet zo lang geleden telden wij in wereld veel te veel mee.

Toen we het er in Amsterdam eens met elkaar over hadden, zei een van ons tegen een collega, die er nog al onder zuchtte: „Ja, toen je nog in S. stond, telde je mee; als je in de stadsbus stapte, zei de conducteur: komt u binnen dominee Jansen, en je hoorde niet zonder een innerlijke voldoening twee dames achter in de bus tegen elkaar zeggen: dominee Jansen!" „Als je hier in Amsterdam in een volle tram staat, geeft een Amsterdammer je een duw in je rug: loop eens wat door kale!"

Bij sommigen wordt het statusbewustzijn al door zo'n onnozele gebeurtenis geschokt. Veel erger is dat met het functieverlies van de dominee en de kerk ons vertrouwen in de zaak, die wij representeren, wordt aangevochten.

Thilo hield in 1960 op een predikantendag in Geneve een referaat over nood en aanvechting van het predikantsambt vandaag. Ik citeer één zin: „Wanneer wij als theologen op het ogenblik over onze opdracht nadenken, moeten wij allereerst eerlijk erkennen, dat we allen met elkaar zeer sceptisch zijn geworden".

De grote Beets zetten op 't naambordje van zijn pastorie in Heemstede: „Nicolaas Beets, herder en leraar".

Dat brengen wij niet meer op. Geen van ons deelt met beroep op de apostolische successie op zijn naamkaartje mee, dat hij Petrus heet. Op ons naamkaartje staat, dat wij Simon heten, gewoon Simon. Paus Joannes kan ons in dit opzicht tot voorbeeld zijn.

Maar laten we ten opzichte van de zaak, die wij vertegenwoordigen, in Gods naam geen minderwaardigheidsgevoelens hebben. Ik zeg dit, omdat ik constateer, dat wij na de tijd van de meerderwaardigheidsgevoelens in die van de minderwaardigheidsgevoelens terecht zijn gekomen, dat wij steeds meer geneigd zijn ons te excuseren voor het feit, dat wij dominees zijn en — nog erger — in Jezus Christus geloven, dat wij alles gezet hebben op die éne kaart: Jezus Messias. Of hebben wij dat niet? Hebben wij geen fiducie in Hem en daarom geen fiducie in ons werk? Is het niet alleen zo, dat de buitenwacht onze pastorie onbewoonbaar verklaart, maar dat wij zelf ook een neiging in die richting hebben?

Wij zullen ons voor heel veel moeten schamen, maar ik dacht, dat het zeer wezenlijk zonde was, ongeloof, ons voor het evangelie van Jezus Christus te schamen.

Ik weet wel, dat Paulus, die over dat zich niet voor het evangelie schamen spreekt, een geroepen apostel was, afgezonderd tot de verkondiging van het evangelie, maar ik geloof, dat ik in de apostolische successie sta, al heeft geen rooms-katholieke bisschop mij de handen opgelegd. Ik ben ook geroepen en afgezonderd en als een Amsterdammer, die het maar een vreemde zaak vindt, mij vraagt: „Hoe is het mogelijk, bent u dominee? " dan heb ik maar één antwoord: „Mag ik? " Ik sta in de apostolische successie. Dat is mijn eer — mijn ambt zonder veel ambtstheologie — en mijn eer geef ik aan geen ander, zeker niet aan Fikkie. Paulus schaamt zich het evangelie niet ten overstaan van Rome en ik doe het niet ten overstaan van Amsterdam.

Geen minderwaardigheidsgevoelens.

Mag ik?

Ja, ik mag!

Tenzij ik het evangelie van Jezus Christus laat op- en ondergaan in de boodschap van mede­ menselijkheid en het zo reduceer tot een boodschap, die voor de mens van onze tijd in zijn bestaanservaring verifieerbaar is.

Tenzij ik de openbaring der verborgenheid omzet in de verborgenheid der openbaring en zo een afwezigheid-Gods-christen word, die de theologie in de anthropologie laat opgaan en de verticale dimensie in het geloof schrapt, om alleen een horizontaal geloofs- en gebedsleven over te houden.

De wezenlijke nood van de kerk en van ons als dominees is niet, dat wij in de wereld niet meer meetellen, maar dat wij zelf blijken telkens niet meer te weten, wat het evangelie van Jezus Christus en daarom het geloof in Jezus Christus inhoudt en betekent.

Rudolph Augstein, de beruchte hoofdredacteur van de Westduitse „Der Spiegel", die zo tegen kerk en christendom te keer kan gaan — „het christendom is een kwalijke kleverige bezinningsbrij" — en die daarom in West-Duitsland als een heiligschenner wordt beschouwd, heeft nochtans gezegd, dat het geloof belangrijk genoeg is om het tegenover een ongelovige in de waagschaal te stellen.

In de waagschaal!

Hebben wij nog een geloof, dat wij in de waagschaal durven stellen?

Prediken wij nog een evangelie, waarvoor wij ons niet behoeven te schamen?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 mei 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE PERS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 mei 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's