De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

SIMON, ZOON VAN JONAS... HEBT GIJ MIJ LIEF?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

SIMON, ZOON VAN JONAS... HEBT GIJ MIJ LIEF?

6 minuten leestijd

't Is een vreemde, ongewone maaltijd daar in de vroege morgen aan het meer van Galilea. Er zal niet veel gesproken zijn tijdens de maaltijd. De stilte is zelfs wat gespannen. Er is zoveel gebeurd. Elk van de zeven discipelen heeft zoveel stof tot nadenken. En ook nu weer: die wonderbaarlijke visvangst. Na een hele nacht zwoegen opeens: werp het net aan de andere zijde en gij zult vinden. Wat een overvloedige vangst. Johannes, de apostel der liefde, kent zijn Meester er in. Het is de Heere. Dat belooft wat voor de toekomst, wat het vissen van mensen betreft. Ook voor de mensenvisser: Simon Petrus.

Na de maaltijd aan de oever neemt opeens de Heere Jezus het woord. Hij neemt het woord met een vraag, gericht aan Petrus: „Simon, zoon van Jonas", zo vraagt Hij, „hebt gij Mij waarlijk lief en dat met een liefde die standvastiger en trouwer is dan van deze anderen? "

Een vraag! Och, het is zomaar een vraag, zegt iemand weleens tegen een ander, van wie hij iets naders wil weten over een bepaalde aangelegenheid. Hier is het ook een vraag aangaande een bepaalde aangelegenheid. Maar niet zomaar een vraag en niet zomaar een aangelegenheid. Een vraag, die Petrus z'n leven lang niet meer vergeten zal. En wie geen vreemde is in Israël, weet daar ook wel van. Hier bij Petrus grijpt de grote Herder Israels met deze vraag in in het ambtelijk leven van Zijn apostel. Eerst moet de zaak van het apostelschap recht worden getrokken met het doel om ook Petrus opnieuw uit te zenden om de lammeren en de schapen van Christus te hoeden en te weiden. Dit is geen geringe aangelegenheid. Daarom wordt Petrus tot driemaal toe op z'n plaats gebracht.

Simon, zoon van Jonas! Neen, de naam Petrus kan er niet af bij deze vraag. Wat verootmoedigend voor de rotsman. Christus werpt hem terug op z'n afkomst. Petrus, wie bent u eigenlijk? Ach, ik ben maar Simon, zoon van Jonas. En wanneer ik toch Petrus mag heten, dan is dat alleen door genade en zal dat ook alleen door genade zo kunnen blijven. Zo is het, Petrus: Weid Mijn lammeren.

Simon, zoon van Jonas, hebt gij Mij waarlijk lief? Dat is een geweldige vraag. Het Griekse woord voor liefheb­ ben is een sterk woord. Het bedoelt de echte liefde als gave van de Geest, uitgestort in het hart en vertoont het kenmerk van offerbereidheid en dienstvaardigheid. Hoe is het daarmee, Simon? Hoe is het met uw offerbereidheid? U weet het nog wel, Simon Petrus, dat u nogal grote woorden hebt gebruikt. Ach, ik ben maar Simon, zoon van Jonas, en ik wil maar liever dat grote woord niet overnemen. Mag ik het wat zachter, wat minder sterk zeggen. Maar Gij weet alle dingen, Gij weet dat ik U toch liefheb. Dat is zo, Petrus. Hoed Mijn schapen.

Simon, zoon van Jonas, hebt gij Mij meer lief dan deze ? Ik moet u dat nu wel vragen. U was nogal erg voortvarend, ook in het gebruik van vergelijkingen. „Al werden zij ook allen aan U geërgerd, ik zal nimmermeer geërgerd worden". Mag Ik daarom deze vergelijking gebruiken in deze vraag? Ach, ik ben maar Simon, zoon van Jonas, en vergeef me mijn zelfoverschatting. Het was niet alles goud, wat er blonk. Het is me gebleken na de smeltkroes, dat het goudgehalte erg laag was. Ik wil daarom nu niet meer vergelijkingen maken en alleen maar zeggen: Gij weet dat ik U liefheb. Dat weet Ik, Petrus. Weid Mijn schapen.

't Is „maar" een vraag geweest van de Heere Jezus aan Simon Petrus. En de grote Simon is een kleine Petrus geworden. Dat is een hele les op de leerschool van Christus. Hij moet wassen en ik minder worden. Wat heeft Petrus dat door schade en schande heen moeten leren. O, die grote woorden en vergelijkingen die een mens zo vaak gebruiken kan. Daarom heeft dit gesprek van de Heere Jezus met Simon Petrus ons zoveel te zeggen. Ten diepste gaat het om de vraag of er iets van die liefde is, die mijn leven bindt aan Christus en Zijn Woord. De vraag: Hebt gij Mij lief. Een indringende vraag, waar we ons zo maar niet vanaf kunnen maken. Wat hebt u gedaan met al de betoningen van liefde van Christus' kant? Neen, de Heere Jezus, Die zo dringend naar Simon's liefde vroeg, is niet onverschillig omtrent onze liefde jegens Hem. Want de liefde van Zijn kerk is toch de vrucht van Zijn verlossingswerk, de vreugde, waarom Hij de schande heeft veracht. Het is het heimwee van Zijn Hogepriesterlijk hart, dat Hij van Zijn volk de betuiging hoort, al is 't wat zacht en bevend misschien: Ik heb lief, want de Heere hoort mijn stem, mijn smekingen: De liefde is de kroon op het werk van Christus. Immers wat leeft en woelt er in het natuurlijke mensenhart: Ik ben van nature geneigd God en mijn naaste te haten. Wat een kroon op het werk van Christus, wanneer in zondaarsharten de liefde tot Christus ontstoken is. De kracht van de zonde gebroken om in een nieuwe gehoorzaamheid naar Gods geboden te leven. Hoe lief heb ik Uw wet.

Hebt gij Mij lief? Een levensvraag. Want als Jezus vraagt naar onze liefde, vraagt Hij naar de diepste motieven van ons hart. Behoren die Hem toe? Bloeit ons leven in de wortel op uit Hem en ligt het vast in Hem?

Hebt gij Mij lief? Vroeg de Heere Jezus nu maar wat anders. Simon, zoon van Jonas, wat doet ge voor Mij, ijvert u ook voor Mijn Koninkrijk? Dat zou misschien wat gemakkelijker zijn om een antwoord op te geven. We doen immers nog wel het één en ander. Trouw naar de kerk, we geven zo onze gaven en als het nodig is, nogal behoorlijk wat. Maar de Heere Jezus ziet door onze werken heen. Hij klopt er eens op en luistert of ze van binnen niet hol zijn of vermolmd. Hij vraagt naar de innerlijke gesteldheid, waaruit die werken geboren worden. Hebt gij Mij lief? Wat viel het Petrus zwaar deze vraag te beantwoorden., U ook misschien? Maar weet u, wat bij Petrus dan zo opvalt? Dat hij 'n beroep doet op Christus' alwetendheid. Heere, aan de ene kant weet Ge, hoe schandelijk ik het er afgebracht heb, maar Ge weet óók van Uw eigen werk. Ge weet, dat ik zonder U niet leven kan en Ge weet van de genade, die Ge mij hebt geschonken. Dat is ook het enige, wat over kan blijven. Petrus verliest zichzelf om neer te zinken aan de voeten van Christus. Heere, Ge weet van mijn zonden, van mijn strijd, van mijn struikelingen telkens weer, maar Ge weet ook, dat ik U liefheb. Heb dank, Heere, dat „Uw liefde tot mij" „mijn liefde tot U" heeft vastgehouden. Ja, de bron van deze liefde komt nooit in ons te liggen, maar blijft in de Heere. Wat een troost voor bedroefden van hart, die met Petrus zichzelf zo dikwijls tegenvallen. Dan kan het bang te moede zijn. Zeg het dan Petrus na, al is het stamelend en stokkend: Heere, Gij weet alle dingen. Gij weet, dat ik U liefheb.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 mei 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

SIMON, ZOON VAN JONAS... HEBT GIJ MIJ LIEF?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 6 mei 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's