De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De Dordtse Leerregels

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Dordtse Leerregels

11 minuten leestijd

Hoofdstuk V, artikel 6Want God, die rijk is in barmhartigheid, neemt, naar het onveranderlijk voornemen der verkiezing, de Heilige Geest van de Zijnen, ook zelfs in hun droevigste vallen niet geheel weg, en laat hen zover niet vervallen, dat zij van de genade der aanneming en van de staat der rechtvaardigmaking uitvallen, of dat zij zondigen ter dood, of tegen de Heilige Geest, en, van Hem geheel verlaten zijnde, zichzelven in het eeuwige verderf storten.

L. VROEGINDEWEIJ

Want:

Het is heel wat weken geleden, dat het laatste artikel over de Leerregels van mijn hand in de Waarheidsvriend geplaatst kon worden. Die drukke wintertijd ook. Daarom mag ik wel even terugblikken om de lijn van hoofdstuk V weer in het oog te krijgen. Dit laatste hoofdstuk van de Dordtse Leerregels ziet op de toekomst.

Wat kunnen Gods kinderen verwachten? Kort wordt in artikel één beschreven, wat de synode onder kinderen Gods verstaat. Het zijn mensen, die geroepen zijn tot de gemeenschap van de Heere Jezus Christus en door de Heilige Geest wedergeboren. De inwendige roeping omvat de verlichting van het verstand en de overbuiging van het hart. Deze mannen en vrouwen zijn door een waar geloof Christus ingelijfd. In hun leven is een geweldige ommekeer gekomen. De Heilige Schrift duidt de vrucht van deze inwendige roeping of wedergeboorte met verschillende beelden aan. Het moge niemand vreemd in de oren klinken, dat ik roeping en wedergeboorte in dit bepaalde opzicht gelijkstel. Prof. H. Bavinck schrijft: „De wedergeboorte in actieve zin, de wederbarende werkzaamheid Gods is slechts een andere naam voor de roeping, n.l. de vocatio efficax" (krachtdadige roeping).

Wat is nu de vrucht van de wederbarende werkzaamheid Gods? De Heilige Schrift spreekt van een besneden hart, een rein hart en een vaste geest, een vlezen hart, een nieuw schepsel, een nieuw mens, een geestelijk mens. Er is dus een grote ommekeer en vernieuwing in hun leven.

Deze ommekeer is alleen een vrucht van Gods genade. God erbarmt Zich diens Hij wil. Of is het toch anders? De mannen van de vrije genade staan hierin tegenover de mannen van de vrije wil. In zeker opzicht zijn de laatsten met de eersten het eens, nl. over de algemene genade, die voor de mannen van de vrije wil alles is. Volgens de gereformeerden doet God veel aan alle mensen, die het Woord horen.

De gereformeerde belijders leren, dat de algemene of uitwendige genade van de prediking en de aanbieding des heils enz. tot iedereen komt, die het evangelie hoort. De mannen van de vrije wil, de openbare of verborgen arminianen, belijden en prediken alleen deze algemene genade. Die genade noemen de pelagiaanse of arminiaanse belijders voldoende genade. De leer der inwendige roeping betekent niet, dat alleen de uitverkorenen genade ontvangen en dat de niet-uitverkorenen niets ontvangen. Integendeel, daar is een stroom van zegeningen, die zich over het geheel der mensenwereld uitstort. Maar de genade van de prediking en de aanbieding en de vermaning en bestraffing en de van alle algemene werkingen van de Heilige Geest is niet genoeg. Daar ligt het verschil met de belijders van de vrije wil. In de uitwendige roeping zijn vele zegeningen en weldaden, maar zonder de bepaalde genade der wedergeboorte komt de mens niet tot het geloof. De mannen van de vrije wil leren, dat de algemene roeping b.v. de prediking van het evangelie, waarin dan de Heilige Geest begrepen zou zijn in zijn volle kracht, genoegzaam is om de mens in staat te stellen tot een vrije keuze vóór of tegen het Evangelie. Dus daar is een rijke genade, die aan en in de mens geschonken wordt ook buiten de wedergeboorte. De niet-gereformeerden zeggen, dat deze genade voldoende is. „De bewering der Gereformeerden is alleen, dat al die rijke genade aan en in de mens, als zij niet bepaald de genade der wedergeboorte is, ongenoegzaam is, om de mens tot een vrije, besliste aanneming van het Evangelie te bewegen. Om te geloven in Christus, is volgens de duidelijke leer van het Evangelie van Johannes niet minder dan wedergeboorte van node, een werking van Gods kracht als in de opwekking van Christus, Ef. 1 : 19, 20. Alle mindere genade, hoe heerlijk en rijk zij is, is onvoldoende; een genade, die zonder te wederbaren, toch de wil zover herstelt, dat hij voor het Evangelie kiezen kan, wordt nergens in de Schrift geleerd en is ook een psychologische ongerijmdheid". (Bavinck).

Hoe gaat het nu met de wedergeborenen verder? Zij worden verlost van de heerschappij en slavernij der zonde. Der zonde overmacht wordt dus gebroken, maar het vlees en het lichaam der zonde blijven machtig. Paulus moet blijven zeggen: „ik ben vleselijk". Dat komt elke dag openbaar in zwakheidszonden, die dus niet met opzet bedreven worden. Het Doopsformulier vermaant: „als wij somtijds uit zwakheid in zonden vallen (erger dan de dagelijkse zonden der zwakheid) moeten wij aan. Gods genade niet vertwijfelen noch m de zonde blijven liggen". Zo is het leven van de gelovige een voortdurende strijd tegen de zonde, de duivel en zijn ganse rijk. Voorts zijn er twee dingen nodig: zich voor God verootmoedigen en tot Christus zijn toevlucht te nemen, telkens weer.

Hoe sterk zijn deze overblijfselen der zonde en hoeveel invloed heeft de wereld met haar aanvechtingen en de duivel? Kunnen de wedergeborenen deze machten wel de baas? Neen, zo'n kracht heeft de wedergeboorte niet. Als God niet op bijzondere wijze tussenbeide kwam zouden de wedergeborenen niet volstandig blijven in de genade. Zelfs bij de wedergeborenen is dus de vrije wil niet sterk genoeg. De barmhartigheid en de kracht Gods moeten de bekeerden bewaren.

Blijft de zonde nu beperkt tot kleine zonden? Daar is nl. gradatie in de zonden. Daar is zonde, die wel, en zonde, die niet vergeven wordt. Daar kan zonder en met opzet gezondigd worden, onder veel strijd en met veel verharding. De Heere Jezus sprak over groter zonde in de woorden tot Pilatus: „die Mij aan u heeft overgeleverd heeft groter zonde". Doch de vromen blijven niet altijd staan bij kleinere zonden. Zij kunnen zelfs tot zware en gruwelijke zonden verleid worden. Dat is verschrikkelijk. Ook is het vreselijk, wat zij dan voor zichzelf moeten doormaken. Petrus en David zijn daar de kroongetuigen van. Wat een last van zonde en plagen, niet te dragen, drukt dan hun schouders naar beneên. Kan het nu niet wezen, dat de wedergeborenen, onwedergeborenen worden? De mannen van de vrije wil, de Remonstranten e.d. zeggen van wel. Volgens de Verwerping der Dwalingen V, 3 leerden de Remonstranten: „dat de ware gelovigen en wedergeborenen niet alleen van het rechtvaardigmakend geloof, insgelijks, van de genade en zaligheid ganselijk en tot den einde toe kunnen uitvallen maar ook dikwijls metterdaad van haar uitvallen en in der eeuwigheid verloren gaan".

Het is de toepassing van de bekende Remonstrantse leer: Het begin, de voortgang en de volbrenging van alle goed moet worden toegeschreven aan Gods genade in Christus, zonder welke de wedergeborene geen enkele verzoeking ten kwade kan wederstaan, maar . . . de manier van de werking dezer genade is niet onwederstandelijk. Het is aan Rome en de Remonstranten beide eigen, dat zij aan de mens de uiteindelijke beslissing laten. De mens kan de genade weerstaan en zo God beletten hem te redden. Dit is onze leer niet. Het gaat natuurlijk niet over de vraag of de mens tegen de genade Gods ingaat en haar tegenstaat. Dat staat vast. Van ieder onzer geldt: „Gij wederstaat altijd de Heilige Geest" (Hand. 7). Maar de vraag is of de uitverkorenen tenslotte niet moeten zwichten voor de kracht en de overreding Gods. En dit is, volgens onze belijdenis het geval. Naast de remonstrant weerspreekt ook de roomse de souvereiniteit Gods en de vrije genade, die de mens aan Zich onderwerpt. God werkt de genade niet onvoorwaardelijk, maar op de voorwaarde, dat de mens zich niet van de genade afwendt. Het is met Rome merkwaardig gesteld. Hun geleerden spreken hoog van de genade Gods, waardoor de mens reeds in de doop deel ontvangt aan de Goddelijke natuur, aan het kindschap Gods, maar dit zo geprezen werk Gods schijnt, door een daad van 's mensen wil, weer geheel ongedaan te kunnen worden gemaakt. De leer van Rome is helemaal gebouwd op de samenwerking van God en mens, waarbij de mens de beslissende instantie is.

Het is immers ook zo, dat, als de mens alles in één ogenblik heeft vernield, hij ook alles weer op kan bouwen. In de weg van boete kan de verloren genade teruggewonnen worden. Door één zonde kan de mens de genade verliezen, maar als hij nu zoveel pijn lijdt, als hij door de zonde genot ontvangen heeft, komt alles weer terecht. Er moet immers tot herstel in de genade komen „een gelijkwaardige uitboeting der met de zonde gepaard gaande genieting". Er is dus bij Rome ook een volharding mogelijk, maar dan langs de weg van het menselijk werken en boete doen, totdat de zonde is uitgeboet. Wat biedt de reformatorische leer dan toch een uitnemende vreugde aan allen, die niet kunnen boeten. Wij behoeven niet uit te boeten, maar worden ook de tweede en ook de derde keer tot zeventig maal zevenmaal toe door Christus behouden. En dan zeggen ze nog, dat de ware reformatorische leer zo zwaar is. Hoe is het mogelijk? Hierdoor dat de natuurlijke mens die zo oordeelt, niet verstaat de dingen die des Geestes Gods zijn. De reformatie kent geen verdienen en geen uitboeten door de mens, doch wel een weg van boetvaardigheid. In artikel 5 wordt beleden, dat het Vaderlijk aanschijn Gods opnieuw verschijnt aan hen, die met ernstige boetvaardigheid wederkeren.

Daar is nog een merkwaardig verschil met Rome. In Lukas 22 lezen we het woord van de Heiland aangaande de discipelen, die tot een val zouden komen: „Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude". In Gods Woord is met het geloof alles beslist. Voor Rome niet. Het concilie van Trente stelde vast, dat iemand het geloof kan behouden ook als hij de genade verliest. Het is mogelijk, dat de genade door doodzonden geheel verloren gaat, zonder dat het geloof wegvalt.

Hierin zijn Rome en de Remonstranten het eens, dat zij beide, in de beslissende punten, de mens boven God zetten. De paradij szonde is zelfs in hun godsdienst doorgedrongen. Het synergisme (de helpende genade, het samenwerken van God en mens), beheerst hun denken. En dit synergisme vormt bij hen de kern van het verzet tegen de leer der volharding.

Hoe gans anders is de belijdenis der reformatie. Daar kan men wel het gevoel der genade verliezen doch niet de genade zelf. En omdat men de genade van de Heilige Geest niet verliest, kan men niet in de zonde blijven liggen. Dat maakt de Geest onmogelijk, die begeert en strijdt tegen het vlees. Hier is het niet de mens, die beslist, maar God. De Heere heeft een onveranderlijk voornemen der verkiezing. Dit voornemen wordt door 's mensen zonde niet vernietigd. God blijft de mens, ook in zijn val, met de eeuwige liefde beminnen. Van de andere kant zegt men nu, dat hiermee de lijdelijkheid in de hand gewerkt wordt, maar dat is de diepste reden niet. Zij willen niet prediken, dat alles vast ligt in Gods hand, zeggen zij, want dan wordt de strijd des christens niet meer gestreden. Maar de historie leert ons duidelijk, dat de belij­denis van de zekerheid des heils in Christus allerminst tot lijdelijkheid aanleiding geeft. Men vindt de lijdelijkheid in gemeenten, waar reformatorisch gepreekt wordt, doch niet minder in midden-orthodoxe en vrijzinnige gemeenten. Dat kan de mens zelf niet, zeggen ze dan. Maar als de prediking, door Gods Geest inslaat is alle lijdelijkheid met één slag weg.

Dus de bekeerde man of vrouw, die in zware zonde is gevallen, keert altijd terug. De oorzaak is de rijkdom van Gods barmhartigheid voor Zijn volk. Wij mensen kunnen ons daar moeilijk een voorstelling van maken. De liefde Gods verdraagt onuitsprekelijk veel. Wij mensen selecteren, kiezen uit. Die wij sympathiek vinden, hebben wij lief. Wij stellen ook prijs op mensen, die te goeder naam en faam bekend staan. Sommigen willen alleen omgang hebben met bepaalde klassen of standen, mannen van rijkdom of invloed. Wij kiezen uit. God niet. De barmhartige God neemt hoeren en keurige vrouwen, moordenaars en moreel hoogstaande mannen gelijkelijk aan. Het zijn de goedertierenheden des Heeren, dat wij niet vernield zijn en Zijn barmhartigheden hebben nog geen einde. Men kan niet zoveel zondigen, niet zo schuldig en, verdorven zijn, niet zulke erge-dingen gedaan hebben, dat de barmhartigheid Gods niet ruim genoeg meer zou zijn, In die barmhartigheid zit een geweldige ruimte. Maar altijd met deze beperking: „ken uw ongerechtigheid". Wie zijn zonde niet kent, voor hem is de genade toegesloten. De barmhartigheid Gods komt alleen tot ons in de weg der boetvaardigheid. De boetvaardige moordenaar heeft de barmhartigheid leren kennen, de andere niet. Als dit eenmaal vaststaat — Jezus is alleen voor zondaars — moeten we nog dieper afdalen. Daar is van die zondekennis en de verbrijzeling des harten ook dit te zeggen, dat de barmhartigheid Gods dat berouw en die verbrijzeling werkt in mensen, die er geen begrip van hadden. Maar deze waarheid neemt de eerste niet weg. Vanwege Gods barmhartigheid verschijnt het vaderlijk aanschijn Gods aan de gevallenen, die in een weg van boetvaardigheid gebracht zijn. Want Gods verkiezing kan niet overgaan in verwerping.

L. V.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 mei 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

De Dordtse Leerregels

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 mei 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's