De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE PERS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE PERS

8 minuten leestijd

Feiten of verhalen.

Kerkbodes plegen doorgaans niet uit te munten door diepgaande theologische beschouwingen. Vaak moet men bovendien woekeren met een zekere minimale ruimte, zodat allerlei zaken achterwege moeten blijven. Er blijken evenwel uitzonderingen te zijn. In het Groninger kerkblad is in het begin van dit jaar een uitvoerige discussie geweest over de vraag: „Hoe moeten we de verhalen uit de Bijbel opvatten? " Zijn het vaststaande feiten, te vergelijken met een foto-reportage of moeten we ze verklaren als menselijke pogingen om in onze taal iets te vertolken van de eeuwige dingen Gods. Het Hervormd Weekblad „De Gereformeerde Kerk" wijdt aan deze discussie enige artikelen en om het belang van de zaak willen we in dit persoverzicht er het een en ander uit over nemen.

Het gaat hier immers over centrale vragen: Hoe lezen we de Bijbel? Daarmee is de gehele Schriftbeschouwing, de vraag naar het gezag van de Bijbel en de aard van dat gezag in het geding. Nu kan men van mening verschillen in hoeverre een dergelijke discussie in een kerkblad thuishoort. De „verslaggever" van het weekblad der confessionele vereniging, ds. C. M. Luteyn is op dit punt niet zo optimistisch. Zijn vrees is dat de wijze waarop de aangesneden problemen behandeld worden van die aard is, dat het over de hoofden van het eenvoudige gemeentelid heengaat. Inderdaad schreef een vrouwelijk gemeentelid in deze geest. Ze vroeg de predikanten toch vooral het eenvoudige evangelie te brengen. Ze schreef o.a.: „De meeste predikanten denken, dat wij giraffes zijn, maar we zijn maar schapen, die de voerbak laag bij de grond hebben".

Intussen heeft dr. Van Moorsel het voor deze schapen opgenomen. In de kringen waarin men zegt: Geloven is alles aannemen wat in de Bijbel staat, zou — aldus dr. v. Moorsel  wel eens meer levend geloof gevonden kunnen worden dan vele progressieven menen. Ja het zou wel eens kunnen zijn, dat we nog eens het eerherstel van het veelgesmade fundamentalisme beleven. In een tweede artikel gericht tegen de Groningse studentenpredikant ds. Krop, schreef Van Moorsel dat de studie hem er toe gebracht had om de Bijbel letterlijk te gaan verstaan, „letterlijk in de gewone zin, niet alleen als document, maar als feitelijk fundament, niet slechts als tuigage van een mythe, doch als reportage van een gebeuren.

Ook anderen mengen zich in de discussie. O.a. een tweetal doctorandi die Van Moorsel verwijten dat hij aan de diepe zin van de Bijbel tekort doet. We citeren uit de weergave die ds. Luteyn geeft in de „Geref. Kerk" van 6 mei:

Maar nu eerst de beide andere heren aan het woord gelaten. Zij zullen een antwoord geven op de vraag, hoe de bijbel moet worden gelezen en daarom zetten zij die vraag als opschrift boven hun gemeenschappelijk artikel. Zij verwijten aan dr. Van Moorsel, dat deze door zijn pogingen allerlei uitkomsten der wetenschap in te passen in de bijbelse verhalen, aan de diepe zin van de bijbel tekort. Immers moet de bijbel nooit worden gelezen als een handboek van wetenschap, maar als een boek, dat wil opwekken tot geloof en navolging. „Aan de bijbel ligt het geloof ten grondslag, dat telkenmale weer gewekt wordt, als de verhalen worden verteld; en deze verhalen, beschrijven geen gebeurtenissen als een journalistieke reportage". En aan het slot herhalen zij dit in andere woorden: „Deze eerbied voor de bijbeltekst is de eerbied van litterair-historici voor hun object van vletenschap, dat een eigen karakter draagt. Dat eigen karakter heeft met het geloof te maken. Daarom is deze eerbied op het litteraire vlak, maar daardoor tevens een eerbied voor het geloofskarakter der Schrift, dat door onwetenschappelijke quasigeleerde betogen niet mag worden aangetast".

Erg duidelijk wordt het niet. Waar blijft het openbaringskarakter van de Schrift op deze wijze. Geen wonder dat een gemeentelid zijn verontrusting uit omdat hij de klaarheid van de prediking bedreigd ziet.

Daar is in de eerste plaats een krachtige brief van de heer Abbringh, die aan de schrijvers in sterke bewoordingen hun onduidelijkheid verwijt. Wat bedoelen jullie nu eigenlijk? Juist in de prediking in de kerkdiensten ontbreekt die klaarheid evenzeer. Wij weten niet meer, waar we aan toe zijn. Als Paulus in 1 Cor. 15 schrijft: Indien Christus niet opgewekt is, dan is uw geloof tevergeefs, enz., dan is deze uitspraak voor ieder lezer duidelijk. Maar juist ook deze uitspraak wordt aan alle kanten in twijfel getrokken, of men zegt: „Och, wat doet het er in feite toe, dit mag ook voor mijn part allemaal best een mythe (dat is: zo'n zinvol fabeltje, L.) zijn. Er blijven dan toch nog genoeg mooie zaken over waarnaar wij kunnen streven ter navolging van bepaalde schone gedachten? Dat is toch genoeg.

Heeft dit gemeentelid de zaak verkeerd begrepen? We menen van niet. Dat blijkt immers uit een tweede artikel van de beide doctorandi, waarin ze uiteenzetten wat zij verstaan onder verhalen.

In de tweede plaats trachten zij nu nauwkeurig te zeggen, wat zij onder verhalen verstaan. Zij willen niet volhouden, dat dit zonder meer fabeltjes zijn en met verontwaardiging wijzen zij het woord sprookje terug. Neen, zij bedoelen met verhalen niet de beschrijving van iets dat werkelijk zo gebeurd zou zijn, of misschien ook niet, maar volgens hen zijn gelovige verhalen een poging om iets te zeggen en een werkelijkheid over te brengen, die zich anders niet laat vertellen. En ais ik uit hun artikel nog een en ander mag aanhalen, dan zou ik willen wijzen op hun bewering, dat in 1 Cor. 15 nergens gesproken wordt van een open graf of een afgewentelde grafsteen, maar dat het daarin gaat om het opstaan en leven met Christus, hier en nu; dus niet iets voor de toekomst, maar voor het heden. „Opstanding is het nieuwe leven met Christus, niet na de dood, maar nü, het leven uit genade en vergeving en niet volgens de wet, want dat is het leven dat ten dode voert, het leven van de oude mens. Leven en dood zijn in dit verband geen biologische begrippen, gescheiden door het moment van het sterven, maar het Leven is het leven in geloof met Christus en de Dood het tegengestelde. Het opstandingsverhaal is in dit verband de verkondiging van dit nieuwe leven: omdat de oude gemeente het leven in Christus had gevonden, vertelde zij het verhaal van de opstanding, opdat ieder die het hoorde ook dit leven mocht vinden en er zich toe mocht bekeren".

Echter op deze wijze wordt de prediking volkomen losgemaakt van het historisch gebeuren zoals het toen en daar plaatsvond. Heeft dat dan niets te betekenen? Wat blijft er over op deze wijze van het heilsfeit als feit in de historie? Wordt de verkondiging zo niet totaal losgemaakt van zijn fundament en komt ze niet in de lucht te hangen?

Terecht geeft Luteyn dan ook als zijn commentaar, dat hier op de oude manier van de gnosis de feiten verdampt en vergeestelijkt worden. Laat echter juist 1 Cor 15 niet een scherpe waarschuwing horen aan het adres van een dergelijke spiritualisering?

Ieder ziet hoe in deze nogal verwarde discussie toch uiterst belangrijke zaken aan de orde gesteld worden. In de geciteerde beschouwingen klinkt toch wel een gevaarlijk subjectivisme door. De geloofservaring dreigt normatief te worden. Een dergelijk uitgangspunt is mode in vele theologische beschouwingen en zal wel verklaard dienen te worden als een reactieverschijnsel.

Maar de vraag blijft: Wordt hiermee de prediking recht gedaan, de prediking die toch uit het Woord en naar het Woord dient te zijn? En krijgt op deze wijze de gemeente waar ze recht op heeft? Want de discussie in het Groninger kerkblad laat zien, dat deze ingewikkelde theologoumena direct de practijk van prediking en catechese raken. Het maakt toch wel wat uit of er gesproken wordt met kracht en klem van hetgeen geschied is en onder ons volkomen zekerheid heeft, dan dat we de gemeente bepalen bij de min of meer geslaagde pogingen van gelovigen uit het verleden om het onzegbare te verhalen, waarbij wij op onze beurt een nieuwe poging wagen. Het wU ons voorkomen dat de gemeente op deze wijze overgeleverd wordt aan een grenzenloze willekeur en het geheel, toch wel erg vaag wordt. En hoe dit alles te rijmen is met de fundamenten der kerk en de gemeenschap met de belijdenis der Kerk is dan nog een vraag apart.

Daarom is bezinning op deze vragen vanuit de Schrift nodig en geboden. Wie —terecht! — huiverig en afkerig staat van allerlei moderne theologoumena omtrent de Schrift, zal dan ook positief vanuit de Schrift dienen aan te geven hoe de Schrift te verstaan is, en van welke aard het Schriftgezag is. Een dergelijke bezinning is nodig juist voor de rechte prediking. Opdat de schapen niet verhongeren, maar gevoerd worden in de grazige weiden van het Woord Gods.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 mei 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE PERS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 mei 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's