ABRAHAM CAPADOSE (H) (1795-1874)
HET REVEIL
HET RÉVEIL 21
Nadat wij ons in het eerste artikel hebben bezig gehouden met Capadose en zijn verhouding tot de Heilige Schrift, willen wij dit tweede artikel wijden aan de bespreking van Capadose's verhouding tot de kerk. We willen daarbij speciaal letten op zijn houding ten opzichte van de plaatselijke gemeente, ten opzichte van de Afscheiding van 1834, en ten opzichte van de Ned. Hervormde Kerk als geheel.
Wij hebben gezien, dat Capadose als geboren jood aanvankelijk geen enkele band met de christelijke kerk had. Na zijn bekering in 1822 werd hij door belijdenis en doop opgenomen in het verband der Ned. Hervormde Kerk. Het liet zich aanzien, dat een temperamentvolle figuur als Capadose, die zich als lidmaat geroepen voelde het geestelijk welzijn der kerk te bevorderen, geen vrede kon hebben met alle toestanden, die op kerkelijk gebied heersten. Ook conflicten met de kerkelijke gemeente in de plaats zijner inwoning bleven niet uit.
Dit bleek reeds enkele jaren na zijn bekering, toen Capadose nog in Amsterdam woonachtig was. Wij denken hierbij aan de geruchtmakende affaire- Brasz. In het jaar 1825 zat Capadose bij een bepaalde gelegenheid aan een maaltijd aan, waarbij hij kwam te zitten naast een zekere heer Brasz. Deze heer, reeds op leeftijd, was onlangs tot ouderling benoemd bij de Hervormde Gemeente van Amsterdam, en zou binnenkort in het ambt worden bevestigd. Tijdens de schertsende tafelgesprekken vroeg iemand aan Brasz, of hij het formulier wel gelezen had, en wist, dat hij het ja-woord zou moeten uitspreken. Brasz antwoordde daarop „grimlachende", dat men wel eens meer ja zegt, zonder het te menen. Hierop ontspon zich een discussie tussen Capadose en Brasz, die hoog zou lopen. In het vuur van zijn betoog liet Brasz zich een aantal onrechtzinnige uitlatingen ontvallen, waaraan Capadose zeer veel aanstoot nam, te meer, daar ze kwamen uit de mond van een man, die op het puni stond tot ouderling te worden bevestigd. Zo noemde Brasz de voorstelling, door de Dordtse Leerregels van de praedestinatie gegeven, „eene gruwelijke leer en eene zotheid". Ook noemde hij het woord wedergeboorte een zotheid, en ook wilde hij de uitdrukking, dat de Rechtvaardige voor de onrechtvaardigen lijden moest" niet verstaan in de letterlijke zin, die de kerk eraan hechtte.
Nadat Capadose de heer Brasz persoonlijk had bezocht om hem broederlijk te vermanen, en gebleken was, dat Brasz bij zijn gevoelens wilde blijven, klaagde Capadose hem aan bij de kerkeraad. De kwestie werd in handen van een commissie gelegd, en het eind van de zaak was, dat Capadose gedaan kreeg, wat hij verlangd had: de bevestiging van Brasz tot ouderling ging niet door. Maar tegelijkertijd richtte de kerkeraad van Amsterdam verwijten aan het adres van Capadose, dat hij namelijk zijn aanklacht niet behoorlijk gestaafd had. Hiermee nu nam Capadose geen genoegen. Weliswaar had hij bereikt, dat Brasz terwille van de lieve vrede van het ouderlingschap was geweerd, maar tegelijkertijd stond hij, Capadose, nu min of meer als leugenaar gebrandmerkt.
Dit gaf Capadose aanleiding om zijn „Omstandig Verhaal" uit te geven, waarin de ware toedracht van de affaire- Brasz werd beschreven. In dit boek polemiseert Capadose niet alleen tegen Brasz, maar vooral tegen de kerkeraad zélf. De strijd tegen Brasz was dus uitgegroeid tot een conflict met de kerkeraad van Amsterdam. Op 27 oktober 1825 besloot de kerkeraad Capadose een ernstige vermaning te doen toekomen naar aanleiding van het door hem uitgegeven boekje. Capadose van zijn kant aanvaardde dit verwijt van de kerkeraad niet, maar hij toonde zich zeer verheugd en vertroost, toen hij vernam, dat er hevige discussies over het al of niet verzenden van deze vermaning in de kerkeraadsvergadering hadden plaatsgehad en er dus een „gezegende verdeeldheid en scheiding tussen de bokken en schapen in het kerkbestuur" scheen te komen.
Bij, de Réveilvrienden bleek de reactie op de affaire-Brasz niet onverdeeld gunstig te zijn. Met Da Costa raakte Capadose hierover zelfs in een ernstig conflict. Bil derdijk evenwel toonde zich over Capadose's houding zeer tevreden.
Ook tijdens Capadose's verblijf in Scherpenzeel van 1831-1833 kwam het tot wrijving met de plaatselijke kerkeraad. Door de prediking van de plaatselijke predikant; ds. Nahuijs, voelde hij zich niet bevredigd. Daarom hield Capadose op maandagavond te zijnen huize samenkomsten, die wij als conventikels of gezelschappen zouden kunnen aanduiden. Ds. Nahuijs voelde zich door deze activiteit van Capadose in zijn persoon gekwetst. Toen Capadose dan ook bij zijn vertrek van Scherpenzeel naar Den Haag in 1833 zijn attestatie opvroeg, kreeg hij daar enige moeilijkheden mee. Niet, dat hem de attestatie geweigerd werd, maar men gaf hem toch geen attestatie in de gewone vorm. De woorden: „onergerlijk of onbesproken in leer en leven", werden vervangen door: „niet te beschuldigen in de leer noch zedeloos van leven". Tevens voegde men er, tot een wenk aan de kerkeraad van 's-Gravenhage, de wens bij, dat Capadose voortaan de kring zijner bemoeiingen zou beperken tot hetgeen elk rustig lidmaat betaamt, en zich zou wachten voor alles, wat wantrouwen of verdeeldheid in de kerkelijke gemeente zou kunnen verwekken. Een beroep van Capadose op het Classicaal Bestuur van Arnhem had geen resultaat.
In Den Haag schijnt Capadose zich inderdaad rustiger gehouden te hebben. Het Haagse Réveil was kerkelij ker georiënteerd dan het Amsterdamse. De Haagse Réveilvrienden hadden de komst van Capadose aanvankelijk niet met vreugde tegemoet gezien, daar zij beducht waren, dat hij door zijn te grote ijver onrust verwekken zou. Maar achteraf is dit hun erg meegevallen.
Hoe stond Capadose nu tegenover de Afscheiding van 1834? Met deze Afscheidingsbeweging, wier leiders H. de Cock en H. P. Scholte hij persoonlijk kende, kon hij niet mee gaan. Vooral het optreden van Scholte te Ulrum in de oktoberdagen van 1834 keurde Capadose streng af. Hij sprak van een ijver zonder verstand, een wild en woest te werk gaan. Het zich afscheiden van een kerk, die haar belijdenis nog heeft, werd door Capadose veroordeeld. Hij achtte de kerk als nog niet zo diep gezonken, of zij zou zich met Gods hulp van haar dwalingen kunnen herstellen. De kerk had immers haar Formulieren van Enigheid nog. De betekenis van deze formulieren, alhoewel menselijke geschriften, was hierin gelegen, dat zij het wezen van de uitwendige kerk uitmaakten. Capadose onderscheidde namelijk tussen de inwendige kerk, waartoe de uitverkorenen-, behoorden en de uitwendige kerk. De Gereformeerde kerk, zoals zij te herkennen was aan de zuiverheid van haar leer, beschouwde hij als de ene ware uitwendige kerk, maar wachtte er zich wel voor haar met de ware Kerk van Christus te vereenzelvigen.
Deze ene ware uitwendige kerk, hoewel dus nog in ons land bestaande, verkeerde echter in een verregaande staat van verval. Maar de getrouwe leraren, die nog in de kerk waren achtergebleven, konden het hunne ertoe bijdragen om haar weer op te richten. Daarom richtte Capadose een jaar na de Afscheiding tot hen zijn „Ernstig en biddend woord". Daarin vermaande Capadose de getrouwe leraren tot een moedig optreden. Zij behoorden thans alle dwalingen en ketterijen, die tegen de zuivere leer streden, met des te meer ijver te bestrijden. Zij mochten niet uit reactie tegen de verkeerde ijver en menigmaal de liefdeloosheid der afgescheidenen in een ander uiterste vervallen door voortaan maar te zwijgen over de misstanden. Het lag veel meer op hun weg hun afgescheiden ambtsbroeders met liefde te vermanen en hen te vertroosten en te verblijden met hun gehechtheid aan de leer der vaderen. Zij behoorden juist in deze crisis aan het volk des Heeren het bewijs te leveren, dat men ook zonder de kerk te verlaten, dus binnen haar, moedig en waardig voor de waarheid en tegen de leugen kon strijden.
Doch niet alleen de ambtsdragers, ook iedere gelovige was individueel verplicht, naar zijn aard en ontvangen gaven aan het herstel der kerk mee te werken. Capadose zelf gaf in dit opzicht het voorbeeld. Dit zien wij als wij thans ten besluite van dit artikel nog enige woorden wijden aan Capadose's houding ten opzichte van de Ned. Herv. Kerk als geheel. Tegen de in zijn ogen steeds meer tot geestelijk verval gerakende Herv. Kerk heeft Capadose vele vermaningen gericht. Vooral de steeds meer opkomende richting van de Groninger school vond in hem een groot tegenstander. We treffen hem dan ook in 1842 aan onder de „zeven Haagse Heren", die een adres richten „aan de Algemene synode der Nederlandsche Hervormde Kerk over de Formulieren, de academische opleiding der predikanten, het onderwijs en het kerkbestuur". Groen v.. Prinsterer, Capadose en Elout V. Soeterwoude traden in deze zaak het meest op de voorgrond. Weinig resultaat boekte dit adres, want de Synode maakte er zich zonder er behoorlijk notitie van te nemen, met een nietszeggende verklaring van af. Het jaar daarop, in 1843, richtten deze zelfde heren een „Adres aan de Hervormde Gemeente in Nederland".
In tegenstelling tot Capadose had Da Costa echter het adres aan de Synode niet mee willen ondertekenen. Onder de voor kerkherstel ijverende Réveilvrienden begon zich namelijk een tegenstelling te openbaren, die nog jaren daarna haar stempel op de nog verder te ondernemen pogingen zou drukken. Hierbij was in het geding de leertucht, al of niet met gebruikmaking van de Formulieren van Enigheid. In dit opzicht waren Capadose en Da Costa het niet eens. Da Costa, ofschoon hij even scherp gekant was tegen de Groninger richting als Capadose, verwachtte voor kerkherstel toch meer van een erkenning van het gezag van de Schrift, dan van een krachtige handhaving der Formulieren.
Na alles, wat in het bovenstaande gezegd is, is het opmerkelijk, te moeten vernemen, dat het uiteindelijk toch tot een breuk tussen Capadose en de Hervormde Kerk gekomen is. Teleurgesteld over de gang van zaken in de Hervormde Kerk betreffende Schrift en belijdenis, heeft Capadose hoe langer hoe meer de hoop laten varen de Hervormde Kerk nog eenmaal als levende uit haar belijdenis hersteld te zien. Door de belijdenis niet te handhaven verloochende de kerk haar wezenlijk karakter van gemeenschap van ware Christgelovigen. Op de duur achtte Capadose het voor zichzelf zinloos nog tot de Hervormde Kerk te behoren. Hij wenste niet langer als lidmaat verantwoordelijkheid voor de gang van zaken in haar te dragen. In 1866 scheidde hij zich daarom van haar af. Hij gaf in zijn brochure „Of scheiden of scheiding" rekenschap van deze daad. „Bij een cadaver kan ik niet langer wonen", verklaarde hij. Hij voegde zich ook niet bij een ander kerkgenootschap, doch werd buiten-kerkelijk. Hij wilde behoren bij de onzichtbare Kerk van. Christus.
Ook deze houding van Capadose vond geen algemene instemming bij de Réveil-vrlenden. Groen van Prinsterer b.v. achtte scheiden voorbarig, zolang er nauwelijks een aanvang was van kerkrechtelijke strijd. Wellicht heeft Capadose de gelederen te vroeg verlaten. Toch bleef hij ook na zijn uittreden belangstellen in hetgeen zich op kerkelijk terrein afspeelde, en ook aan waarschuwingen liet hij het niet ontbreken.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 mei 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 mei 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's