De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE CATECHISMUS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE CATECHISMUS

7 minuten leestijd

Hoe te betalen?

Vraag en antwoord 13 en 14.

Vr. Maar kunnen wij door onszelf betalen?

A. In generlei wijze, maar wij maken ook de schuld nog dagelijks meerder.

Vr. Kan ook ergens een bloot schepsel gevonden worden, dat voor ons betale?

A. Neen; want ten eerste wil God aan geen ander schepsel de schuld straffen, die de mens gemaakt heeft; ten andere zo kan ook geen bloot schepsel de last van de eeuwige toorn Gods tegen de zonde dragen en andere schepselen daarvan verlossen.

Reeds wezen we er eerder op, dat we de catechismus onrecht doen als we de zondagsafdelingen 5 en 6 in de sfeer van de scholastieke redeneertrant trekken. De opstellers wisten wel degelijk, dat we met ons verstand, buiten de openbaring om, geenszins bij Christus terecht komen. En de Kerk niet minder, als zij de catechismus als leerboek en belijdenisgeschrift erkende.

Hier wordt geestelijk onderwijzend pastoraat beoefend in het midden der gemeente. Ons menselijk gemoed moet klaar overtuigd worden van de enige weg die in Christus is, en ons verstand en hart moeten tot Zijn kennis en gemeenschap worden geleid, of ook nader daarin bevestigd. Alle ware gelovigen weten toch, hoe alle gronden ons moeten ontnomen worden door de Geest des oordeels en der uitbranding, hoe we van onszelf en alle schepselen moeten worden afgebracht, alvorens we Christus alléén aannemen als volkomen Zaligmaker.

Daarom wordt de vraag gesteld, of wij door onszelf kunnen betalen. Onder die betaling moeten we dan verstaan de eis der wet, dat de straf op de zonde gedragen wordt en de algehele vrijwillige gehoorzaamheid aan haar wordt vervuld. Nooit zal immers de wet eerder ophouden haar vloek te slingeren tegen de zondaar. Daarvan overtuigd kunnen we zeker niet meer rustig voortleven naar onze eigen gedachten. God hebben we terug te geven wat we Hem hebben ontroofd.

Als we daarmee nooit in de knel zijn gekomen maken we ons er heus niet druk om. Maar dan geldt ons, wat we ons ook verbeelden, — dat we voortleven op de weg naar de hel.

Lopen we rond met het besef dat God tevreden met ons en over ons moet zijn, zal ik vrede hebben, dan wordt het anders. Kijk, dan is het eerste wat ons bijligt altijd weer om zelf naar de spade en schoffel te grijpen. Op de een of andere wijze zoeken we zelf ons huis met bezemen te keren. We moeten ontdekt worden aan het fijn vertakte farizeïsme, dat zich overal in ons leven genesteld heeft, in ons denken, ons belijden, ons gedrag, onze heimelijke overleggingen.

Dat moet ons duidelijk worden en ook afgesneden, opdat we door de wet der wet sterven, ons aan de vloek der wet als standaard der goddelijke gerechtigheid uitleveren. Onze werken kunnen geen betaling zijn, maar ook niet onze gestalten en tranen, onze uitreddingen en vreugden. Mogelijk slaan we de weg van een nauw leven in om zo de zonde te ontvluchten. Maar met dit alles zoeken we zelf het verbroken werkverbond weer op te lappen.

We moeten er erg in krijgen of erg in hebben. Daarom dringt het antwoord ons tot oprecht instemmen er mee in beleving — existentieel zouden we tegenwoordig zeggen —: Neen, wij maken ook de schuld nog dagelijks meerder. Door veel teleurstellingen heen wordt de zonde bovenmate zondigende in ons door het gebod Gods, dat op ons afkomt. En waar zo de zonde levend wordt, daar sterft de zondaar. Hij wordt door de wet gedood. Ik ben door de wet der wet gestorven, zegt Paulus. Hebt ge dan niet een grondige afkeer van uzelf gekregen, omdat ge God hebt lief gekregen? Hoe is het anders met u? De wet is dienstbaar aan het evangelie, opdat we Christus ontvangen en aanvaarden zullen. Dat doen we van nature niet. Althans niet de Jezus der Schriften als enige en volkomen Zaligmaker. We spugen op Hem. Totdat . .. totdat we geen raad meer weten, omdat we God niet tevreden kunnen stellen. Neen, dan kunnen we ons ook niet redden met ons geloof, met ons gelovig conclusies trekken. Als we weer in de buurt van de levende God komen brandt het vuur in ons geweten en alle rust zal weer worden verteerd. We kunnen niet betalen, maar maken de schuld nog dagelijks meer. Wie niet ophoudt te beledigen, zal nooit de beledigde verzoenen, schrijft Ursinus terecht. Zoeken we het dan op de een of andere wijze toch wettisch, dan moet het ook volkomen tot in de diepste haard van ons leven wetsconform zijn. En dan . . . wij moeten niet alleen gehoorzamen, maar ook de straf ondergaan, de eeuwige dood, vanwege onze zonde tegen de allerhoogste majesteit Gods.

Ziet, zo komt Christus voor ons te staan in al Zijn heerlijkheid. Opdat we Hem als enige Zaligmaker leren zien en nodig krijgen, of ook steeds nauwere vereniging met Hem zoeken in levende geloofsoefening, nadat we in Hem zijn overgegaan. ®

Daarom gaat de catechismus verder met Christus' heerlijkheid te ontsluiten door alle toevlucht-zoeken bij enig schepsel af te snijden. Dat is nodig. Want het ligt in ons hart om eerder een medeschepsel te voet te vallen en om redding te smeken dan ons vertrouwen te stellen op de barmhartigheid Gods in Christus alleen. Om bij schepselen ons heil te zoeken behoeven we heus niet te behoren tot de roomse kerk. Werd ons hart geopend voor de Waarheid, dan komt er ongetwijfeld een band met allen die God vrezen en met de dienstknechten Gods in de bediening des Woords. Maar menigmaal wordt dit alles overtrokken, vooral in den beginne. Dan hangt men de zaligheid als het ware er aan op. Gelukkig, dat de Heere Zelf tussen beiden komt. Dan leren we de inhoud van de versregels: 't Is vrucht'loos, waar men zich mee vleit, want 's mensen heil is ijdelheid.

Als het antwoord spreekt van een bloot schepsel, dan begrijpen we wel, dat hier bedoeld wordt een schepsel, dat niets anders dan schepsel is, hetzij in de hemel, hetzij op aarde.

Geen andersoortig schepsel kan voor ons betalen, om'dat de goddelijke gerechtigheid dat niet gedoogt. Dat vertolkt toch het gehele Woord, inzonderheid in de vleeswording des Woords. Het is dus zeker niet zo, dat hier de onderwijzer put uit de rechtsorde der wereld. Neen, uit het Woord put hij het, gelijk in het vleesgeworden Woord, in Christus, licht opgaat over de goddelijke rechtsorde, waarnaar in het vlees de dood zal doordragen worden en de gerechtigheid aangebracht, gelijk in het vlees is gezondigd en God aangerand. Waar God het van eeuwigheid er op gezet' heeft een volk zalig te maken, daar wil Hij liever aan Zijn lieve Zoon in onze natuur de straf voltrekken, dan dat Zijn heilig recht niet zijn loop zou hebben.

Zal daarom in onze natuur de straf gedragen en de gerechtigheid worden aangebracht dan is daarmee tegelijk echter alle mogelijkheid bij het schepsel afgesneden, want het dndigen kan de Oneindige niet omvatten Hoe zal een schepsel de toorngloed van de eeuwige God doorstaan?

Niet voor niets heeft de Kerk zo nadrukkelijk beleden en gehandhaafd tegenover allerlei ketterij tot op deze dag: Immanuël — Met ons God. Het Woord is vlees geworden; het eeuwige Woord; God. Onzer Eén — nochtans tezamen God.

Zo is er dan geen schepsel dat het werk van de enige plaatsbekledende Borg kan overnemen. Zo neemt Jezus als enige Middelaar Gods en der mensen de enige en absolute plaats in het hart van Zijn Gemeente in. Al het andere verzinkt weg.

Als we innerlijk van onszelf en anderen worden afgebracht komt er plaats voor Christus in ons hart. En dit alles overwegende zal ook het voortgaande geloofsleven daarvan getuigenis afleggen. Woord en Geest overtuigen ons, zodat ook het heimelijkste zoeken van steun bij onszelf of enig schepsel aan de kaak gesteld wordt, opdat we Christus zullen ontvangen en omhelzen. En ook is het een vruchtbare bezigheid om in het geloof de inhoud van de antwoorden 13 en 14 steeds weer te overwegen en dieper te doordenken, om in de oefening van ons geloof in onze Immanuël alles te vinden, wat wij tot onze zaligheid van node hebben.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 mei 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE CATECHISMUS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 mei 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's