De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE CATECHISMUS 28

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE CATECHISMUS 28

Zo'n Middelaar en Verlosser.

7 minuten leestijd

Vraag en antwoord 15.Vr. Wat moeten wij dan voor een middelaar en verlosser zoeken? A. Zulk een, die een waarachtig en rechtvaardig mens is, en nochtans sterker dan alle schepselen, dat is, die ook tegelijk waarachtig God is.

Niets anders beoogt de catechismus ook met deze vraag dan de heerlijkheid van de Middelaar van het genadeverbond, onze Heere en Zaligmaker Jezus Christus, voor te stellen.

Voor het eerst gebruikt hij hier het woord „middelaar". Buiten de kennis van Jezus Christus als onze Middelaar kunnen wij niet bestaan voor God en blijven we verloren in onze zonde. Dat bedoelt onze pastor, de catechismus, ons in te scherpen. Wij hebben Christus nodig als Middelaar, Tussenpersoon en Ontmoetingsschakel, tussen God en ons; dat we Hem kennen en gebruiken als onze Voorspraak en Pleiter ons ten goede in de hemel voor Gods aangezicht; ja, niet maar als Degene, Die het voor ons opneemt en een goed woord voor ons doet, maar als Degene, Die het voor ons in orde gebracht heeft en houdt, zodat we verzekerd kunnen worden en blijven dat het vertoornd aangezicht van God als onze Rechter is geworden en blijft het vriendelijk gelaat van onze vaderlijke Ontfermer, bij Wie we — gevonnisd als booswicht — als kind thuis mogen zijn en eeuwig zullen blijven.

Zullen we voor zo'n middelaar alles, ook onszelf er aan geven, dan zullen we toch proefondervindelijk geleerd hebben dat er voor ons geen doen aan is. Maar dat laatste is ons nu juist van nature vreemd. Immers, zoeken we het niet in onze werken en deugden, dan in onze ervaringen, gestalten en meer van dat gedoe. We zijn zo bedriegelijk in ons hart, dat we zelfs genadegaven Gods in ons hart en leven gaan vertimmeren tot een ladder om uit de kuil te klimmen, waarin we — naar ons zeggen — zijn terecht gekomen.

Door alles gaat een streep als het Woord Gods aan het woord komt. Al de vieze vroomheid maakt ons nog te meer verdoemelijk voor God. Zo onderwijzen Woord en Geest wat wij voor een middelaar en verlosser hebben te zoeken.

Bedenken we toch: God en Zijn gaven zijn geen speelgoed. God treedt ons tegemoet met de vlammende kracht Zijner tien woorden: „Gij zult", en „Gij zult niet..." Daarom is het volk Israël, toen het bij de Sinaï de donderen en de bliksemen, en het geluid der bazuin, en de rokende berg zag en hoorde, teruggeweken en stond het van verre, en heeft het tot Mozes gezegd: Spreek gij met ons, en wij zullen horen; en dat God met ons niet spreke, opdat wij niet sterven!

Zó leren we met Israël de middelaar zoeken.

Wat een opvoeding heeft de Kerk in de oude dag nodig gehad, opdat alle glorie aan de middelaarsgestalte gegeven zou worden. Geen wonder is het dan ook, dat ook wij — ook al leven we bij veel meer licht — nochtans liever wat vodden opzoeken dan naakt en ellendig ons heil te zoeken in de Middelaar Gods en der mensen.

Dat wetende handelt de catechismus in de vragen en antwoorden 15 tot en met 18 over de Middelaar als God-Mens. En er is geen af snijdender prediking denkbaar. Want radikaal wordt alles ontluisterd dat buiten Jezus Christus als de enige Middelaar op de been zoekt te blijven.

Staan kan ik alleen in en door deze Middelaar, zoals Paulus: En wat ik leef, dat leef ik door het geloof des Zoons van God, Die mij lief heeft gehad en Zichzelf voor mij heeft overgegeven. Alleen in en om Christus als Middelaar kan ik vrede bij God hebben, waar ik door de wet der wet gestorven ben, en de wet des Geestes des levens in Christus Jezus mij heeft vrijgemaakt van de wet der zonde en des doods.

Dat we toch met het Woord door alle menselijke bouwsels heenslaan en geen vlees ontzien, door te preken wat wij voor een middelaar en verlosser moeten zoeken. Denk toch niet dat ónze taak het is om de zekerheid des geloofs aan te brengen, of dat ónze theologie daartoe wat moet bijdragen.

Ik krijg bij het lezen van het een en ander vaak het gevoel dat men de Heilige Geest toch zo graag een handje wil helpen om de gelovigen wat meer de zekerheid en de blijdschap des geloofs te doen kennen en beleven. Laat ons toch goed bedenken, dat de Heilige Geest daarvan niet gediend is. Hij heeft ons niet nodig. Maar wat Hij wèl wil ? Dat we naar de mening van Hem en stijl afhankelijk van Zijn bediening niets ontzien wat Christus' glorie zou verduisteren. Ontdekkende afsnijdende prediking veroorzaakt wel pijn, maar geen ongelukken, mits ze maar — net als in de catechismus — verbonden is aan het voorstellen van de enige Middelaar en Verlosser. Halfzachte prediking, die een mens zonder inleving van afgeschreven te worden voor God, wil brengen tot zekerheid des geloofs, is dodelijk gevaarlijk.

Sla neer en werp in dat „neer" de Christus als enige Middelaar en Verlosser en het heil zal geopenbaard worden in zondaarsharten. Maar dat is de zaak van de Heilige Geest, niet de onze.

We schrijven op het ogenblik deze dingen omdat we wel eens wat horen wat ons ontstelt. IJveren voor vollere avondmaalstafels brengt het peil van geestelijk leven niet hoger op, indien het gaat ten koste van het besef, wat bekering en omgang met God inhoudt. Laat ons Jezus niet voor de voeten lopen, maar aan Zijn voeten zitten, dan zal onze bediening gezegend worden — ook in deze tijd —; dan zal ook de avondmaalszondag hoogtijdag in het midden der gemeente zijn. Wie Mij eert zal Ik eren, zegt de Heere.

Jezus Christus de Middelaar. Een middelaar heeft twee twistende partijen met elkaar te verzoenen. Zijn het twee gelijkberechtigde partijen, dan moeten beiden accoord gaan met het aanwijzen van de middelaar.

Geheel anders is het echter hier. Want aan de ene kant staat de beledigde God, aan de andere kant de beledigende en dus rechtloze mens. Dan is het enkel gunst als God nog door een middelaar wil onderhandelen met de mens; en evenzeer is het enkel gunst als God die middelaar aanwijst en schenkt.

God is toch blijven staan waar Hij stond, maar wij hebben onze plaats durven verlaten. En nochtans heeft God uit enkel gunst de Middelaar willen aanwijzen en schenken. Die bekwaam is om de geheel afgevallen en in verlorenheid weggezonken mens weer op te nemen en aan Gods Vaderhart te leggen, zowel in verwerving van het recht daartoe als in de vervulling der toepassing.

Dat zal de Kerk tot in eeuwigheid met aanbiddende verwondering vervullen, gelijk ze er hier van zingt: Die gunst heeft God Zijn volk bewezen, opdat het altoos Hem zou vrezen ....

Welk ontzaglijk werk heeft deze Middelaar verricht, en hoe werkt Hij nog om verlorenen te redden en te zaligen! Verlost wordt immers van de schuld en de straf der zonde bij handhaving van de standaard der goddelijke gerechtigheid.. Daartoe moest de mens — naar Gods welbehagen —, niet een engel, maar de mens de volkomen gerechtigheid der volle gehoorzaamheid opbrengen, en de eeuwige straf — de hel met haar eeuwige verschrikking — doordragen.

Dat kan geen mens, toch .... heeft de mens het volbracht. God heeft gezorgd voor Zijn God-Mens, onzer één, nochtans sterker dan alle schepselen, d.i. die ook tesamen waarachtig God is.

En niet alleen dat aan Gods recht moest worden voldaan, maar ook moesten we tot genade weergebracht worden, het leven ontvangen, opgewekt worden uit onze dood, waarin we verzonken liggen van nature.

Alleen de Christus is tot deze arbeid bekwaam bevonden, de God-Mens, geschonken van boven. Hij bevredigde de beledigde God naar de standaard van Gods recht. Zo treedt Hij voor de Vader. Maar Hij daalt ook af tot zondaren om in hun hart plaats te maken voor Hemzelf, de raad der verlossing him te openbaren, hun met het geloof te begiftigen, opdat zij de verzoening hunner zonden in Zijn bloed omhelzen; om ze gewillig te maken tot alle goed werk, te bewaren in de verzoening, het geloof en de gehoorzaamheid, te leiden tot de heerlijkheid.

Zo is onze Immanuël door deze arbeid een Middelaar door verdiensten en een Middelaar door kracht, gelijk Hij Zelf gezegd heeft: Ik stel Mijn leven voor de schapen en Ik geef hun het eeuwige leven.

Wat zoekt gij. Wie zoekt gij ? — Gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, alzo moet de Zoon des mensen verhoogd worden; opdat ieder, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 mei 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE CATECHISMUS 28

Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 mei 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's