KANTTEKENINGEN BIJ EEN CONCILIE (1)
Wanneer Deo volente straks op 14 september de vierde en daarmee de laatste zitting van het Tweede Vaticaanse concilie zal worden geopend, zal wellicht met nog meer belangstelling dan voorheen ook van reformatorische zijde de gang van zaken gevolgd worden.
Wat prof. Hans Küng schreef na de tweede zitting, aan het eind van zijn boekje: Kerk in concilie 2 (Hilversum 1964): „De derde zitting beslist over het slagen van de tweede", geldt nog veel meer van de vierde zitting ten aanzien van heel het concilie.
Kort samengevat zou men kunnen zeggen: de eerste zitting (1962) heeft de geesten binnen de r.k. kerk wakker gemaakt, de tweede zitting (1963) bracht aan het licht dat de "progressieven" aan de winnende hand zijn; de derde zitting (1964) scheen hen de overwinning te brengen, wat echter op het laatste moment werd verijdeld; de vierde zitting zal beslissend zijn. Komt er een werkelijke vernieuwing der r.k. kerk, of zal na het concilie alles blijken gebleven te zijn bij het oude? Een antwoord op deze vraag hangt voor een groot deel af van de gang van zaken straks in september en volgende maanden.
Wanneer we ons enkele kanttekeningen gaan veroorloven bij wat reeds op het concilie gepasseerd is, is dat met het levend besef dat het beslist niet meer dan slechts enkele kanttekeningen kimnen zijn.
Het is zeer de vraag, of zelfs oor- en ooggetuigen van alles wat er gebeurd is op het concilie kennis gekregen hebben. Naar veel heeft men moeten gissen, omdat er niet voldoende openheid heerste. Er was alle ruimte voor vermoedens en speculaties. Er waren talloze vragen die geen antwoord kregen. Elk critisch verslag van de gehouden zittingen kan ons dat leren. Pas wanneer nog eens (maar wanneer zal dat zijn? ) volledige toegang gegeven zal worden tot alle conciliebronnen zal een objectief en juist beeld gevormd kunnen worden, ook van wat op de achtergrond speelde.
Onze kanttekeningen zullen echter nog bescheidener moeten zijn dan die van hen, dit op welke wijze ook te Rome zelf iets van het concilie hebben meegemaakt of althans de geest ervan geproefd hebben. We stetmen op wat er over het concilie geschreven is, of ook bronnen die inmiddels gepubliceerd werden.
Nu is echter dit laatste: de literatuur en de bronnen, niet gering. We kunnen onmogelijk een opsomming geven, hebben er ook maar een gedeelte van gelezen. Maar niet onvermeld willen we laten de uitnemende concilieverslagen van het Katholiek Archief (ten dele ook in boekvorm) en van de Herder-Korrespondenz. Voor kennis van de achtergronden hadden we veel aan de Do-cdossiers en het sinds kort verschijnend nieuwe tijdschrift Concilium. Meer in de journalistieke reportage-sfeer liggen de twee delen Brieven uit Vaticaanstad van Xavier Rynne, en het thans ook twee delen omvattende Dagboek van het Concilie van Michel van der Plas.
Denken we nu vervolgens terug aan de eerste zitting dan komt als vanzelf ons allereerst de figuur van paus Joannes XXIII voor de geest. Aan hem is de rest van dit eerste artikel gewijd.
Laat niemand denken dat hij in de concilie-wereld inmiddels vergeten is. Zijn naam wordt nog steeds genoemd, soms in de aula, maar welücht nog meer daarbuiten. En zeker speelt hij in de hoofden en harten der vaders nog steeds een rol.
Hij was de paus die pp de idee van een concilie is gekomen; een idee waaraan praktisch niemand ooit dacht. Hadden niet de besluiten van 1870 (Eerste Vaticaanse concilie) een concilie ten enenmale onnodig en overbodig gemaakt ? Waartoe een concilie ? De regering der kerk lag in Rome. Er scheen niets aan te veranderen, ook al zal misschien menigeen het graag gewild hebben. Met name de curie te Rome voelde niets voor een concilie, dacht er niet eens aan. Zichzelf dekkend met het (onfeilbaar) gezag van de paus zat zij vaster dan ooit in het zadel.
Er was in deze kring ook niet de verontrusting over de vragen en problemen van de moderne tijd. Men wist hier niet wat er leefde in de wereldkerk. De contacten tussen Rome en de aartsbisschoppen en bisschoppen was (en is) een indirecte, ze verliep via pauselijke nuntii, waarvan sommigen niet eens de taal machtig waren van het land waarin zij woonden. Zo bleef het centrum onkundig van wat er leefde^ aan de periferie.
Het hele Vaticaanse klimaat was bovendien van dien aard dat contact met de moderne wereld uiterst miniem was. In de kamers geen moderne meubels maar de oude van enkele eeuwen terug. Men leefde nog geheel in het „feodale tijdperk".
Toen kwam Joannes XXIII, een man met rijke ervaring, opgedaan in verschillende delen van de wereld. Vanuit zijn verblijf in het Oosten kende hij de ernst van de verdeeldheid der christenheid; vanuit Frankrijk, waar hij nuntius was, kende hij de nood van de moderne arbeiderswereld. Hij was bovendien een mens met een warm hart, gemoedelijk en vriendelijk, soms op het naïeve af.
Zich bewust van zijn grote verantwoordelijkheid voor het welzijn van zijn kerk in deze tijd, kwam hij op de gedachte aan een concilie. Reeds 3 maanden na aanvaarding van zijn ambt kwam hij met deze gedachte voor de dag, en werd ze derhalve wereldkundig.
Ze heeft hem niet meer losgelaten. Nog op zijn sterfbed was het concilie om zo te zeggen zijn enige zorg.
De grote dag in zijn leven is geweest de He oktober 1962 toen hij „zijn concilie" kon openen.
Hoe de houding der romeinse curie tegenover dit concilie was laat zich niet moeilijk raden. Niet zonder protest heeft ze zich er bij neergelegd. Een van hen, kardinaal Siri, heeft eens gezegd: „De Kerk zal vijftig jaar nodig hebben om de schade te herstellen van de rai!'grepen van Joannes XXIII" - hij doelde hier ongetwijfeld ook op Joannes' bijeenroeping van het concilie.
Intussen is al vele malen de vraag gesteld wat Joannes nu precies met een concilie bedoeld heeft. Was hij soms de Nieuwe Theologie toegedaan, die sinds de Tweede wereldoorlog opgang maakte in Frankrijk en Duitsland? Iemand als prof. Schillebeeckx ontkent dat (E. Schillebeeckx O.P., Het Tweede Vaticaans Concilie, Den Haag 1964). Hij was zeker geen groot theoloog. Het
is zelfs zeer wel mogelijk dat hij nauwelijks van de Nieuwe Theologie kennis had genomen. En toch was er merkwaardigerwijs een sterke verwantschap tussen Joannes XXIII enerzijds en de bisschoppen die duidelijk onder invloed van deze Theologie staan anderzijds. Hen verbond eenzelfde bezorgdheid voor een kerk die bij-de-tijd zou zijn.
Niet voor niets was het kernwoord uit de eerste tijd het Italiaanse „aggiomamento" dat zoveel als aanpassing betekent. De kerk weer te maken tot een bewoonbaar huis ook voor de moderne mens, dat was Joannes' doel. Hier sprak zijn pastorale hart.
Nauw hiermee verbonden was vervolgens het verlangen naar eenheid onder alle christenen. In de verscheurdheid van het christendom zag hij een der voornaamste oorzaken der onkerkelijkheid. Tegenover een steeds meer eenwordende wereld kan de kerk het zich niet permitteren verdeeld te zijn.
Veel in wat ons bekend is van de figuur van Joannes XXIII trekt ons aan. Als paus was ons zo iemand uit de laatste eeuwen niét bekend.
Intussen neemt dat echter niet weg, dat we ten aanzien van zijn persoon evengoed als ten aanzien van zijn ambt onze bezwaren houden.
We denken nu aan het volgende. ,
Allereerst aan zijn devotie.
Het lijkt ons niet juist om bij alle waardering voor zijn persoon over het hoofd te zien zoiets als zijn pelgrimstocht naar Loreto en Assisi, enkele dagen vóór de opening van het concilie. Twee zeer twijfelachtige bedevaartsplaatsen, waar dan de hulp van Maria werd ingeroepen voor het welslagen van het concilie. Het laatste alleen al komt met het geloof dat de Reformatie beleden heeft niet overeen; maar als daar dan het primitieve volksgeloof nog het zijne aan toedoet, is de deur geheel dicht.
We denken ook aan Joannes' visie op de oecumene. Hoe men het wendt of keert, hij bedoelde een terugkeer van alle christenen tot de ene ware kerk, te weten de kerk waarvan hij paus was.
En tenslotte, bijzonder verhelderend is voor mij geweest wat ik las in het al genoemde boekje van Prof. Schillebeeckx (blz. 70 v.). Hij citeert daarin een uitspraak van Joannes XXIII zelf, waarin deze spreekt van een „hernieuwde genade-uitstorting van de H. Geest rondom onze persoon", en maakt dan de opmerking: „Deze deemoedige paus is zich ervan bewust het werktuig te zijn van charismatische gaven".
Dat was dus Joannes XXIII in eigen oog: charismaticus, begiftigd met bijzondere gaven v£in de Geest. Hij hoopte en verwachtte dat vonken van de Geest die hem geschonken was, zouden overspringen op anderen, van 't concilie op heel de kerk. Hier ligt voor een goed deel ook de wortel van zijn veelgeprezen „optimisme". Openhartig sprak hij er over dat zijn pontificaat een belangrijke plaats in de geschiedenis zou innemen.
Wij vragen: was deze pretentie niet te hoog? Wanneer is iemand een charismaticus? Is de gave van de Geest niet gebonden aan het Woord? Het oude verwijt van de Reformatie, dat Rome en het Spiritualisme (Geestdrijverij) op één stoel wortelen, kreeg nieuw voedsel. Als we 'naar de maatstaf van de H. Schrift de geest van Joannes XXIII beproeven of zij uit God is, kan ze dan voor dat forum bestaem? Juist het spreken naar de regel der H. Schrift was niet zijn sterkste kant. Wie zijn toespraken en encyclieken er op naleest vraagt zich af of de geciteerde bijbelteksten nog een andere zin hebben dan enkel 's pausen eigen gedachten te versieren.
Men heeft al vóór zijn dood, maar vooral er na, Joannes XXIII een heilige genoemd. Zijn opvolger heeft bij de opening van de 2e zitting van het concilie hem bij wijze van gebed aangeroepen, dus niet gebeden voor Joannes (zoals gebruikelijk) maar tot Joannes. De gedachte is toen uitgesproken dat Joannes wel ter een of andere tijd heilig verklaard zal worden. Overbodig te zeggen, dat ook dat een kant opgaat die we niet kunnen meemaken.
Joannes zou ook een paus geweest zijn voor zo ongeveer heel de christenheid. Het is aan rooms-katholieke aandacht niet ontsnapt hoe waarderend over hem gesproken is ook buiten de r.k. kerk. En vooral de aandacht die ook de protestantse pers gegeven heeft aan zijn streven, heeft de indruk gevestigd dat Joannes XXIII een paus was die de harten van alle christenen had gestolen. De conclusie ligt voor de hand: hadden we nog eens weer zo'n paus! Niet het pausschap als zodanig, is er al beweerd, vormt een onoverkomelijk bezwaar om te komen tot eenheid tussen protestanten en roomskatholieken, maar de manier waarop de pausen in het verleden vaak hun ambt beoefend hebben. Alsof we Joannes XXIII zouden „geslikt" hebben.
Ik meen dat de eerlijkheid gebiedt dat we op dit punt niet duidelijk genoeg kunnen zijn. Wanneer we inderdaad waarderend gesproken hebben over Joannes' persoon, dan was dat omdat de Schrift ons leert ere te geven aan wie ere toekomt, en zelfs in onze tegenstanders het goede te waarderen; maar niet omdat we het pausschap zelf niet zien als een onoverkomelijk bezwaar om te komen tot eenheid. Dat geldt ook wanneer dat pausschap bekleed wordt door iemand als Joannes XXIII.
Een volgende keer het een en ander over zijn opvolger.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 mei 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 mei 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's