UIT DE PERS
Bij het afscheid van ds. J. H. Grolle.
Eind april heeft ds. J. H. Grolle zijn werk als secretaris van de Hervormde Raad voor de verhouding van Kerk en Israël neergelegd wegens het bereiken van de emeritaatsleeftijd. Hij wordt — zoals bekend is — opgevolgd door ds. S. Gerssen die zondag 2 mei j.l. tot zijn nieuwe ambtswerk werd ingeleid in de Domkerk te Utrecht.
Het maandblad „Kerk en Israël" — waarvan ds. Grolle de eindredacteur was en we mogen wel zeggen de stuwende kracht — meende dit afscheid te moeten aangrijpen om in een speciaal nummer de verschillende facetten van Grolle's arbeid onder de aandacht te brengen. Niet uit zucht naar persoonsverheerlijking, maar uit dankbaarheid voor de vaak lang niet gemakkelijke pioniersarbeid die hij jaren lang verricht heeft. In een aantal korte bijdragen ontvangen we allerlei indrukken van mensen, die nauw met ds. Grolle hebben samengewerkt. Zo horen we het een en ander over zijn arbeid in de theol. werkgemeenschap, zijn werk in de Raad, de contacten met allerlei personen, zijn werk m. b. t. het ziekenhuis in Tiberias, de vele publicaties die hij op zijn naam heeft staan. Hirsch Blum vertelt dat ds. Grolle in de jaargangen van „Kerk en Israël" tot dusver 310 artikelen en ongeveer 250 boekbesprekingen geleverd heeft. Uit dit speciaal nummer, dat wel niet zo diep graaft, maar toch allerlei informatie geeft over het werk van de Raad voor Kerk en Israël en zijn secretaris — gegevens die onder ons al te weing bekend zijn en helaas buiten veler gezichtskring vallen — nemen we een gedeelte over uit het artikel van ds. H. Dekker. Onder het opschrift „De Kentering" schrijft ds. Dekker over het ontstaan van de Raad, waaraan ds. Grolle vanaf 1947 als secretaris verbonden is geweest.
Juist één dag voor de opheffing van de Ned. Ver. voor Israël, die 31 januari 1942 geschiedde, was op instigatie en onder leiding van prof. Kraemer een klein comité te Utrecht bijeengekomen om een 5-tal punten te bespreken. Daaronder waren twee vragen. De eerste was: Wat is de principieel theologische grondlegging van de Jodenzending? De tweede luidde: Als de Jodenzending de haar toekomende plaats in de kerk krijgt, moet zij dan worden ondergebracht onder de raad voor uitwendige zending of die voor inwendige zending? Of is het principieel en practisch geboden een eigen Raad voor Israël in het leven te roepen? De beantwoording van de eerste vraag nam dr. Ten Boom voor zijn rekening. De tweede zou door mij moeten worden beantwoord.
Op 6 maart 1942 kwamen wij weer bijeen. Ds. Grolle was ditmaal eveneens uitgenodigd. Besloten werd toen aan de Synode te adviseren een Herv. raad onder de naam „Kerk en Israël" in te stellen op grond van de geheel eigen plaats die Israël in het bijbels getuigenis inneemt, speciaal in de eschatologische verwachtingen. Onderstreept werd ook het psychologisch belang de aandacht van de leden der kerk meer bij haar roeping ten aanzien van Israël te bepalen. De Synode aanvaardde ons advies en daarmee was de kerkelijke integratie officieel een feit. De vraag was nu: Zou deze doorwerken tot in de plaatselijke gemeenten?
Een tweede kentering bestond in de volledige prijsgave van het woord zending. Het zal u vreemd voorkomen, dat ds. Grolle op die vergadering met grote kracht opkwam voor het behoud van dit woord tot in de naam van de in te stellen raad. Daarbij heeft ongetwijfeld zijn sterke verbondenheid aan „Elim", die In tegenstelling met de Ned. Ver. voor Israël, dit woord niet wilde loslaten, invloed uitgeoefend. Hij gaf zich echter spoedig gewonnen en heeft in woord en geschrift met grote kracht gepleit voor het gebruik van de woorden: gesprek en ontmoeting.
Grolle's werk was geen vrijblijvend gedane arbeid, maar werd verricht vanuit een vast geloof in de weg van God met Israël en een diepe overtuiging aangaande de unieke plaats die Israël inneemt in Gods heilsplan.
Jodendom en Kerk.
Dat blijkt nog weer duidelijk uit een artikel van zijn hand in „Hervormd Nederland" (Jaargang 21, 15 mei 1965). De Kerk heeft eeuwenlang vergeten — aldus Grolle — dat het jodendom altijd als Gods getuige in de wereld staat. Door de verschrikkingen van de tweede wereldoorlog, werd de Kerk wakker. Er kwam nieuwe aandacht voor Israël. De ogen gingen open voor Israels unieke plaats. Voor de betekenis van het Q.T. Voor het feit ook dat de Kerk in Israël is ingelijfd. Grolle schrijft dan: 'Joden en christenen hebben de thora, het heilig onderricht van God — gemeenschappelijk. Maar op dit allereerste punt gaan ze ook volkomen uiteen. Thora betekent dat wij dé beslissing over goed en kwaad, over wat mag en niet mag, in Gods eigen handen zullen laten. Dit is de zondeval, en de raad van de slang, dat wij net als God willen zijn en zelf het onderscheid bepalen willen tussen goed en kwaad (Genesis 3 vers 5). Alleen zolang we deze beslissing in Gods handen laten, blijft het thora. Anders worden het reeksen van geboden en voorschriften, zoals ook in alle heidense godsdiensten voorkomen. Deze keer weliswaar geboden en voorschriften van goddelijke herkomst en oorsprong, maar allengs aangevuld met menselijke toevoegingen, en op die manier door en" door menselijk, ^ te menselijk geworden. Gód is er dan in die tussentijd, uit verdwenen. Zo heeft Jezus met een citaat uit Jesaja geleerd: „Tevergeefs eren zij Mij, lerende leringen, die geijoden van mensen zijn", (Mattheüs 15 vers 9).
Dit is het noodlot van jodendom en christendom allebei geweest. In de christelijke levensstijl van de 19de eeuw bij voorbeeld, die wij Victoriaans plegen te noemen, beriep men zich wel bij alles op Gods Woord; maar men kon dit zelden aantonen en waar maken, dat het op de bijbel gegrond was. Het was thora, in mensenhanden genomen. Dit alles veel smakelozer dan in het jodendom, waar geestelijke fijnzinnigheid en wijsheid der eeuwen verhinderden dat het web van rabbijnse voorschriften laag bij de gronds en zinledig zou worden. Lees hiervoor: R. Mayer, Der Babylonische Talmud, 1963, een boek waar u levenslang in studeren kunt; verder als overzicht: J. Soetendorp, De symboliek der joodse religie, 1958; en meer eenvoudige en in korte samenvatting: C. F. Hendriks-Metsch: Joods godsdienstig leven, 1960.
Jezus van Nazareth.
De oplossing voor christenen en joden beiden ligt naar onze overtuiging alleen in Jezus Christus.
Maar, nu wordt in onze tijd in de staat Israël reeds veel en ernstig door de joden over de figuur van Jezus van Nazareth nagedacht. Ga dat maar na in werken als van D. Flusser, De joodse oorsprong van het Christendom, 1964; J. H. Grolle, Een volk op weg naar huis, 1953; P. Huigens, Gesprekken In Israël, 1961. Daarbij kan men zeggen dat vele joden tot de mens Jezus als grote profeet en grote zoon van Israël zijn teruggekeerd. Maar beslist niet tot Jezus als Messias, als Christus. Beslist niet!
De last van het bewijs rust echter op ónze schouders. Eerst moet maar eens blijken in het leven der kerken en der christenen dat Jezus Christus een levende Heer is, en dat Hij dat geworden is doordat Hij de thora volkomen in Gods handen heeft gelaten, en zelfs het kruis „goed" heeft geacht, omdat Gód zag dat het goed was . .. Eerste eis aan de kerk is dat zij beslissend breekt met alle wettische vormendienst, die altijd leeg is, en daardoor altijd onwaarachtig, en dat zij de Heilige Geest van Christus niet in de weg staat om door te breken in de gemeente en vandaar uit in de samenleving van huisgezin en volk beide.
We zullen dit alles niet ter zijde mogen schuiven, wanneer we gehoorzaam willen zijn aan de Heilige Schrift. Denk slechts aan Rom. 9—11. Zeker, hier liggen vele vragen. Wie zich verdiept in de uitleg van deze hoofdstukken ontdekt al direct dat de meningen nogal uiteenlopen, m.b.t. de verhouding van Israël en de Kerk, de toekomst van Israël enz. Ook de visie van Grolle heeft nogal wat tegenspraak opgeroepen.
Een zekere eenzijdigheid is hier onmiskenbaar. We wagen het te betwijfelen, of men kan zeggen: „De last van het bewijs rust op onze schouders. In het leven der christenen moet eerst maar eens blijken dat Jezus Christus de levende Heer is". Wij belijden immers de Christus der Schriften. En als Paulus in de synagogen Christus verkondigt en de Joden betuigt dat de Messias Jezus is, dan handelt hij met hen — zo lezen we in Hand. 17 — uit de Schriften.
We zullen in ons denken en spreken over de verhouding van Israël en de Kerk de gehele Schrift hebben te betrekken, ook b.v. Openb. 2 : 9 en Openb. 3: 9'(Joden die geen Joden zijn! De synagoge des Satans.) Heeft het woord Israël in het N.T. niet een dubbele betekenis? Liggen er niet meer nuances in dan men vaak waar wil hebben? En wat betekent het als in 1 Petr. 2 allerlei predicaten van Israël zo maar op de chr. gemeente betrokken worden?
Hier blijven vragen te over. Maar ook wie bepaalde accenten anders legt dan ds. Grolle zal toch gaarne erkennen, dat de scheidende secretaris — en anderen met hem — ons op aspecten van de bijbelse boodschap gewezen heeft die ook onder ons maar al te zeer verwaarloosd worden. Al te gemakkelijk worden allerlei teksten met name uit het O.T. vergeestelijkt en wordt vergeten dat ze gericht zijn tot Israël. En we zullen steeds op onze hoede moeten zijn voor een latent antisemitisme, dat iedere „vergeestelijking" van het O.T. maar al te gretig aangrijpt. Nog altijd zijn er mensen in kerkelijk Nederland die het maar zo-zo vinden als er gepreekt wordt uit het O.T. en met een grootgemaak aan Israël voorbijgaan. Maar we zullen steeds hebben te bedenken dat Jezus Christus, in wie God onder ons ^is komen wonen en werken, in Wie al- Bleen vergeving, gerechtigheid, heil en vrede is, de Koning der Joden is, de Messias Israël, van Wie Wet en Profeten getuigen.
De komende vierde zitting van het concilie.
In „Woord en Dienst" van 22 mei j.l. geeft ds. F. J. Pop een verslag van een persconferentie gehouden op 7 mei j.l. door het documentatie centrum Concilie, waarbij aan de belanghebbende journalisten allerlei informatie verstrekt werd. We citeren uit het verslag van ds. Pop:
We konden uit wat wij te horen kregen begrijpen, dat Paulus VI naar het einde van het concilie verlangt. Want dan zal hij zich geheel kunnen gaan wijden aan de herstructuering van de kerk, met name van de Curie, het centrale apparaat- Als hij dat werk nu reeds ter hand zou nemen, zou hij de schijn tegen zich hebben van te handelen onder de druk van de bisschoppen. Deze conferentie heeft mij wat voorzichtiger gemaakt inzake het beeld, dat zich bij mij over deze paus geleidelijk vastgezet had. Er schijnt toch wel reden te zijn meer van hem te verwachten voor de vernieuwing van deze kerk dan ik oorspronkelijk dacht.
Wanneer dat concilie afgelopen zal zijn is intussen nog lang niet te voorspellen. De vrees bestaat, dat men in de vierde zitting niet zal klaar komen. Men weet nog niet hoe lang men vergaderen zal. Tot eind december? Met tussendoor een vakantie van een week? Of een slotzitting omstreeks Pinksteren 1966?
Mozdik van meningen.
Aldus noemt drs. J. Plomp de samenvattingen van een aantal artikelen én toespraken gepubliceerd in het tijdschrift Vaticanum II, een periodiek die regelmatig inlicht over alles wat met 't tweede Vaticaans concilie samenhangt. In de rubriek Van week tot week in het Geref. Weekblad (Uitgave Kok, Kampen) van vrijdag 21 mei geeft Plomp het een en ander uit dit blad door. We citeren uit zijn weergave:
In het jongste nummer treft men onder het opschrift „Verontrusting geuit en besproken" résumés aan van enige stukken en toespraken. Allereerst een overzicht van „de brief van de zestien". Onwillekeurig schieten de gereformeerde lezer andere getallen door liet brein. De hier bedoelde zestien zijn zestien vooraanstaande katholieken, die zich tot hun bisschoppen gericht hebben met het verzoek .^ïieer van zich te laten horen, gezagvoller op te treden, overdreven oecumenisme tegen te gaan en één Latijnse mis per dag verplicht te stellen". Zij vragen aandacht voor allerlei onrijpe publikaties op dogmatisch en moraal-theologisch terrein. Zij verwachten van het episcopaat een gezagvolle waarschuwing tegen dreigende of feitelijke dwalingen en tegen ontkenning en minimalisering van het pauselijk gezag. Zij zijn verontrust over het tegenwoordige godsdienstonderricht. Dat moet eenvoudige, duidelijke en gezagvolle prediking zijn. Gewetensvrijheid is goed, maar er moet krachtig en gezagvol catechetisch onderricht aan voorafgaan. Ten aanzien van dogma en moraal worden, zo menen de zestien, allerlei onzekere opinies voor het publiek gebracht. Zij signaleren gewaagde uitlatingen inzake de godheid van Christus, zijn wonderen, de verrijzenis, de eucharistie en de andere sacramenten, Maria en de heiligen, kortom over de hele dogmatiek. Ook over allerlei zedelijke waarheden worden bedenkelijke uitingen gehoord: over genade, natuurwet, erfzonde, sejoiele moraal en kloosterleven. Ook constateren zij, gelijk gezegd, een overdreven oecumenisme.
Op dit overzicht volgt een stuk commentaar van De Volkskrant. De brief wordt zonder meer afgewezen. De tijd van het beleid vanuit de ivoren toren, schrijft het blad, is voorbij; de klok laat zich niet meer terugzetten. En dat is wat de zestien eigenlijk willen. Hun stuk is in feite een pleidooi voor terugkeer tot een autoritair regime, compleet met censuur, index en mandementen. Het blad wil er niet van weten. De „vrijheid der kinderen Gods", waarvan wij pas in onze dagen de ware omvang beginnen te bevroeden, wekt verwachtingen voor een verjonging van de Kerk, die te kostbaar zijn om ze door nieuwe instituties een voortijdige dood te doen sterven. Er zou dan weldra geen Kerk meer zijn".
Hierop volgen enige mededelingen over een door kardinaal Alfrink te Brussel gehouden toespraak. Daarin verklaarde hij o.m., dat de worsteling van de kerk met de wereld van nu onrust en bezorgdheid heeft gewekt, soms gemotiveerd, soms ongemotiveerd. Het concilie heeft een stroomversnelling bewerkt. Maar sommigen zijn nu bezorgd, dat de kerk bezig is protestants te worden, anderen daarentegen menen, dat haar aanpassing niet veelzijdig en niet grondig genoeg is. De kardinaal wekte op tot geduld en wederzijds begrip.
Een soortgelijke opwekking treft men ook aan in een toespraak van paus Paulus, die hierna verslagen wordt. In die toespraak komt ook een héél lange vragende zin voor: „Wat zullen wij zeggen over hen, die schijnbaar geen andere bij- .dragé aan het leven der Kerk weten te leveren dan een bittere, afbrekende, systematische kritiek; over hen, die de geldigheid van de traditionele leer der Kerk in twijfel trekken of ontkennen; over hen, die nieuwe, onhoudbare theologische theorieën verkondigen; over degenen, die er blijkbaar plezier in hebben tegengestelde stromingen te creëren, achterdocht te zaaien; die weigeren vertrouwen en volgzaamheid te schenken aan het gezag, die aanspraken doen gelden, die elke grondslag missen; of over hen, die modern willen zijn en alles mooi en goed vinden bij anderen en alles wat in eigen huis is ouderwets en ondragelijk? " Een lange vraag, waarop géén antwoord volgt. Wél de verzekering, dat de paus het proces van zuivering en vernieuwing, dat de kerk op het ogenblik doormaakt, zeker niet wil veroordelen. En tenslotte een opwekking de binnenkerkelijke eenheid in woord en daad te bevorderen.
Duidelijk blijkt uit dit alles de spanningen die er bestaan binnen de R.K. Kerk. Een progressieve stroming en een conservatieve vleugel, beducht voor een aantasten van de kerkleer, staan tegen over elkaar. En daar tussen door klinken kalmerende woorden van paus en kardinaal, oproepend tot begrip en bevordering van de binnenkerkelijke eenheid. Welke weg zal de R.K. Kerk gaan in de toekomst? Het is gevaarlijk zich aan voorspellingen te wagen. En zeker een persoverzicht is hiervoor niet de aangewezen plaats?
Wel is duidelijk: Herinterpretatie, zuivering, vernieuwing is nog wat anders dan een wezenlijke reformatie. Dat te bedenken moge ons bewaren voor een onzuiver optimisme in de verhouding tot Rome. Wij volgen de weg van de R.K. Kerk met belangstelling. Wetende dat alleen het Woord machtig is het hart en leven van een kerk te hervormen. Dat Woord is het zwaard des Geestes. En daar waar dit zwaard knopen doorhakt gebeuren wonderen. Daar kunnen we alleen op hopen en om bidden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 juni 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 juni 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's