Voorgeschiedenis van het Doopsformulier
II
Het was wei nodig dat er een duidelijke en geordende uiteenzetting kwam van „de leer des heiligen Doops".
U herinnert zich, dat ons Doopsformulier het onderwijzende eerste gedeelte met deze woorden aanvangt.
De Kerk stond in de overgangstijd van de Hervorming voor een belastende erfenis van het verleden. Bij de verschillende Reformatoren was aanvankelijk een tastend zoeken naar het wezenlijke van het Sacrament en een grote onzekerheid ten opzichte van de vraag, wat men van het oude behouden en wat men overboord werpen moest.
Luther was wel spoedig tot het inzicht gekomen, dat het in het Sacrament gaat om de daarachter liggende en daardoor bevestigde belofte, die door het geloof moest worden aanvaard.
Maar door de tegenstelling met Zwingli, die het Sacrament reduceerde tot een symbolische daad, nog meer van de gelovige dan van God zelf, en waardoor meer het geloof der gemeente versterkt werd dan het persoonlijk geloofsvertrouwen, kwam Luther er toe een nauwer verband te leggen tussen genade en genademiddel. Het water van de H. Doop wordt voor hem zelf drager der genade. Een geliefd beeld is bij hem, dat van het vuur, dat het ijzer doortrekt. Zó gaat volgens Luther in zijn latere periode de goddelijke kracht in in het water. En daardoor ontvangt dit de kracht om te wederbaren, al is die wedergeboorte verliesbaar, wanneer zij niet toegeëigend wordt en gedurig toegeëigend wordt en gedurig toegeëigend blijft door een persoonlijk geloof.
Luther's bedoeling is daarbij niet om een magische bijgelovige opvatting van de Doop te propageren. Maar hij wil, evenals dat bij zijn Avondmaalsleer het geval is, datgene, wat God geeft in het Sacrament op een of andere manier in z'n voorwerpelijke kracht handhaven, al weet hij in beide gevallen niet recht, hoe dit te doen.
Bovendien waren daar de Wederdopers, die de Doop koppelden aan de bewuste geloofsbelijdenis van de enkeling en aan de waardigheid van de bedienaar van het Sacrament. Zij aanvaardden daarom ook niet de Doop in de Rooms- Katholieke Kerk bediend. In de verhoren van de vele Dopersen, die voor de inquisitie werden geleid, komen we telkens de ontkenning tegen dat men weder gedoopt is. De Doop als kind ontvangen en dat in de Roomse Kerk, was geen Doop.
In al deze verwarring en onzekerheid heeft God in Calvijn de theoloog gegeven, die klaarheid van inzicht ontvangen heeft in de betekenis van de door God geschonken genademiddelen.
Hij is de man van het Schriftuurlijke evenwicht.
Tegen alle Pelagianiserende opvattingen, die al zo vroeg in de Christelijke Kerk na te speuren zijn, handhaaft hij, dat juist in het Doopwater de onreinheid onzer zielen wordt aangewezen. Of om zijn eigen woorden te gebruiken: „de ellendige dienstbaarheid en treurige toestand, waarin de mens geboren is. Onze kinderen lijden aan dezelfde ziekte als wij, en kunnen op generlei wijze genezen worden, tenzij dat zij geholpen en verlicht worden door het heilzame medicijn van de Geest Gods. God de Here vermaant ons daardoor ons te vernederen en een mishagen aan onszelf te hebben (denk aan ons eigen formulier.
En zo bereidt Hij ons om Zijn genade te verlangen en te zoeken, door welke heel de verwerpelijkheid en verdorvenheid van onze eerste natuur kan worden weggedaan. Want wij zijn niet in staat haar te ontvangen, ais wij niet eerst ontledigd zijn van alle vertrouwen op eigen deugd, wijsheid en gerechtigheid, totdat wij alles verachten wat in ons is".
We horen hier klanken, die de grondtoon aangeven, waarop ook ons Doopsformulier is afgestemd.
Maar dan is voor Calvijn de waarde van de H. Doop ook niet gelegen in het feit, dat mensen daarmede hun geloof uitspreken, maar daarin dat God dit Sacrament heeft ingesteld. God is het. Die in het Evangelie spreekt van kwijtschelding, van vergeving, van gemeenschap met de dood en de opstanding van de Here Jezus Christus, door Wiens kracht onze vleselijke begeerten gedood worden en wij opstaan tot een nieuw leven.
Al deze genade wordt ons verleend, wanneer het Hem behaagt ons door de Doop in Zijn Kerk in te lijven. „Wij hebben dus daarin een zeker getuigenis, dat God ons een genadig Vader wil zijn, ons gene van onze zonden en overtredingen toerekenende, en dat Hij ons bovendien door Zijn Heiligen Geest zal bijstaan, opdat wij de strijd tegen de duivel, de zonde en de begeerten van ons vlees kunnen strijden, totdat wij eindelijk (een bij Calvijn talloos vele malen voorkomende blik op de voleinding) overwinnen om te leven in de vrijheid van Zijn Koninkrijk, hetwelk is het Koninkrijk der gerechtigheid.
God, zo betoogt Calvijn, deelt Zijn zegeningen mede door Zijn Woord, maar ook door Zijn Sacramenten. Calvijn wijst dan op Genesis 17 : 7, waarin God belooft, dat Hij onze God zal zijn en de God van ons zaad tot in duizend geslachten. Bovendien is de Here Jezus niet op aarde nedergedaald om de genade van God Zijn Vader te verminderen, maar om het verbond des heils over heel de wereld uit te breiden. Calvijn wijst op 1 Cor. 7 : 14, waar Paulus zegt, dat God de kinderen heiligt van de moederschoot ai om ze van de kinderen der heidenen en ongelovigen af te scheiden en te onderscheiden.
Dan wijst hij ook, evenals ons Doopsformulier, op Matth. 19; waar Jezus de kinderen ontvangt, en zegt: „daar Hij ons verkondigt, dat het Koninkrijk der hemelen hun toekomt en hen de handen oplegt en hen opdraagt aan God Zijn Vader, leert Hij ons daarmede genoegzaam, dat wij ze niet moeten uitsluiten van Zijn Kerk. Dit voorschrift dan volgende, ontvangen wij dit kind in Zijn Kerk om deelgenoot te maken aan al de goederen, die Hij Zijn gelovigen beloofd heeft". Ik wijs er op, hoe nauw Calvijn het verband ziet tussen de Kerk, waarin de kinderen ontvangen worden en het deelgenootschap al in de goederen, waarvan de belofte betekend en verzegeld wordt.
Niemand behoeft Calvijn te vertellen hoeveel onkruid er op de akker van Gods gemeente groeit; maar dat neemt niet weg, dat die Kerk gemeente des Heren is. Dat is haar wezen en als zodanig is zij draagster van de beloften van het verbond der genade. Wie als onvruchtbare rank in de Wijnstok Jezus Christus openbaar wordt, is dit ondanks de nauwe gemeenschap met Christus en Zijn Kerk, tot verzwaring van zijn oordeel.
Het is nodig dit op te merken. Want ons Doopsformulier gaat geheel in dit spoor, wanneer het de ouders aanspreekt als „geliefden in den Here Jezus Christus", als het die ouders laat verklaren, dat de kleine kinderen „in Christus geheiligd zijn" en „lidmaten van Zijn gemeente", en wanneer de gemeente straks dankt voor al de weldaden, die God aan Zijn gemeente en daarmede ook aan deze kinderen der gemeente in Zijn beloften geschonken heeft.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 juni 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 juni 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's