De Dordtse Leerregels
Hoofdstuk 5. Artikel 6: Want God, die rijk is in barmhartigheid, neemt, naar het onveranderlijk voornemen der verkiezing, de Heilige Geest van de Zijnen, ook zelfs in hun droevigste vallen niet geheel weg, en laat hen zo ver niet vervallen, dat zij van de genade der aanneming en van de staat der rechtvaardigmaking uitvallen, of dat zij zondigen ter dood, of tegen de Heilige Geest, en, van Hem geheel verlaten zijnde, zichzelf in het eeuwig verderf storten.
L. VROEGINDBWEIJ
De vier staten.
In artikel 6 wordt de volharding der heiligen in zekere zin negatief beschreven. De opstellers verklaren hier, wat er met de uitverkorenen en gelovigen niet gebeuren kan. Ten eerste kunnen zij niet geheel van de Heilige Geest beroofd worden. David heeft gebeden: „Neem Uw Heilige Geest niet van mij". De Heere heeft dat bij hem niet gedaan. Nu zeggen de Dordtse vaderen: dat doet de Heere bij Zijn ware volk nooit. Dit betekent heel niet, dat Gods kind maar raak kan leven. Neen, zij moeten leven alsof de Geest van hen kan worden weggenomen. De Schrift is dan ook vol vermaan. Maar de wezenlijke inhoud van deze vermaning is toch altijd weer, dat zij zullen blijven in het geloof, dat Christus hen bewaart. Daardoor gebeurt het, dat de Heilige Geest niet wordt weggenomen; de aanneming tot kinderen niet en de staat der rechtvaardigmaking niet. Dat woordje „staat", wat moeten we daarbij denken? Thomas Boston schreef een boek over de viervoudige staat van de menselijke natuur. Wij hebben allen wel eens gehoord van de staat der rechtheid, waarin de mens geschapen is. Het woord staat is ons dus niet onbekend. Maar wie is er in de staat der rechtvaardigmaking? Dat is voor ons het punt, waar het op aankomt. Voor de eeuwigheid is dit het beslissende punt. Wie in deze staat is kan er niet meer uitvallen, daar God hem vasthoudt. Maar wie er buiten is, is (nog) verloren. Hoe is het met de staten ?
Daar is dan eerst de staat van onschuld of eerste oprechtheid, waarin de mens geschapen is. Wat was de mens in deze staat van onschuld, zoals God hem maakte? Ten tweede is er de gevallen staat. Wat is de mens in de staat van de verdorven natuur, zoals hij zichzelf mismaakte? Ten derde is er de staat der genade. Welk mens is in de staat der genade? Ten laatste is er de staat der heerlijkheid. Wat zal dat wezen?
De staat der rechtheid.
We zijn er aan gewend, dat bij ons de dingen klein beginnen. Een boom, een koe, een kind, alles heeft z'n ontwikkeling. Maar van de menselijke natuur verhaalt Gods Woord, dat deze groot begonnen is en hoog. Merkwaardig. De mens is geschapen met lichaam en ziel, verstand, gevoel en wil. Van het begin af had hij heerschappij over alle schepselen der aarde. Hij had het vermogen van zelfbewustzijn en zelfbepaling. Zijn lichaam paste bij zijn geestelijke vermogens en diende ze. Hij had kennis, die anders was dan het instinct der dieren. Met dit rechte verstand kende hij zichzelf. God en de natuur. Hij had ook een goed geweten, omdat niets hem innerlijk beschuldigde. Heel mooi was: de mens in de staat der rechtheid was rechtvaardig voor God. Hij was versierd met een oorspronkelijke gerechtigheid, zodat hij de Heere volkomen behaagde. Zijn wil was een vrije wil. Hij kon zondigen dus, want dat behoort tot zijn vrijheid. Maar er was geen noodzakelijkheid voor hem om enig kwaad te doen. Hij was heilig, rechtvaardig en goed, kunnende met zijn wil in alles overeenkomen met Gods wil. Van sterven was geen sprake. Hij kon alleen overgaan in Gods heerlijkheid als met een Eliawagen. De staat der rechtheid was, dat de mens een recht gebruik kon maken van verstand, gevoel en wil om tot eer van God te leven. Zolang hij zijn wijsheid gebruikte om God te stellen tot het hoogste van zijn blijdschap, had hij een gelukzalig leven.
Is het wonder, dat de mensheid een heimwee heeft naar dit verloren paradijs ?
De staat der zonde.
De mens heeft gekozen. Daar was hij vrij in. Hij heeft tegen God gekozen. Dat heeft geleid tot een volkomen verderf, doch niet tot vernietiging. Het eerste gevolg der zonde was een bevlekking der ziel, waardoor God geen behagen meer in de mens had en vervolgens de schuld, de verplichting tot straf. God is niet de oorzaak der zonde, maar de mens, die zijn vrije wil verkeerd gebruikte. De zonde van Adam was erfelijk. De verdorvenheid en de schuld des mensen zijn voor ons onlosmakelijk aan het menselijk geslacht verbonden. De erfzonde is een toegerekende en een inklevende zonde. De straf is de drievoudige dood: tijdelijke, geestelijke, eeuwige.
Daar is in of aan de mens in betrekking tot God niets goeds overgebleven. Hier op aarde mag er nog enig bestaan zijn, de rijkdom van de staat der rechtheid is ver te zoeken. Terecht zegt onze belijdenis van de mens: „Maar als hij in ere was, zo heeft hij het niet verstaan, noch zijn uitnemendheid erkend, maar heeft zichzelf willens der zonde onderworpen, en overzulks den dood en der vervloeking, willig het oor biedende aan het woord des duivels. Want het gebod des levens, dat hij ontvangen had, heeft hij overtreden, en heeft zich van God, die zijn ware leven was, door de zonde afgescheiden; hebbende zijn gehele natuur verdorven; waardoor hij zich schuldig gemaakt heeft des lichamelijken en geestelijken doods. En in al zijn wegen verkeerd en verdorven geworden zijnde, heeft hij verloren al zijn uitnemende gaven, die hij van God ont vangen had, en heeft niet anders overig gehouden dan kleine overblijfselen daarvan, dewelke genoegzaam zijn om de mens alle onschuld te benemen".
De mens is nu een slaaf der zonde. Hij kan tot God niet wederkeren en wil tot God niet wederkeren. Hij kan Gods geboden niet houden en hij kan niet zaligmakend geloven. Hij is een vijand van God en wil het liefst met rust gelaten worden. Tot Jesaja sprak Israël: Houd maar op met je zware preken en praat niet altijd over de „Heilige Israels". Doe het een beetje vrolijker en „evangelischer". (Jes. 30). Job tekent de gesteldheid van het hart der mensen in Job 21 : „Nochtans zeggen zij tot God: Wijk van ons, want aan de kennis Uwer wegen hebben wij geen lust". Dus moet tot ieder onwedergeboren mens, door de verkondigers van het Woord, tot ontdekking der ellende, gezegd worden: „Zo zijt gij". „Gij zijt vijanden van God in uw verstand". De mens is zo hoogmoedig, dat hij niet wil, dat er een God boven hem is, die God is. Voorts richt ieder een afgod op van zijn eigen verbeelding. Voor zijn eigen diepe verdorvenheid is de mens blind en de volkpmen onderwerping aan Christus als Koning, Profeet en Priester, weigert onze natuur tot het uiterste. Er is geen verdorvener en ongelukkiger schepsel dan de mens in de staat der zonde. Het is voorts onmogelijk aan onze kant om daaruit te komen. Wij zijn immers dood in zonden en misdaden.
Had God de zonde niet kunnen verhinderen? Neen, als Hij een schepsel wilde, dat Hem vrijwillig zou liefhebben, eren en vrezen. Als de Heere dit schepsel wilde en dus een vrijwillig volk, moest Hij een mens scheppen, die kon zondigen en niet een mens, die alleen maar in het voorgeschreven pad zou wandelen.
Het is echter beter hierover niet met God te twisten, omdat voor Gods wijsheid al ons verstand dwaasheid i? .
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 juni 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 juni 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's