Het ambt van de vrouw in het Nieuwe Testament
Het gehele Nieuwe Testament is eenstemmig in zijn getuigenis aangaande het ambt voor de vrouw in de christelijke gemeente. De verkondiging van het Woord — en bijgevolg ook de bediening van de sacramenten — is aan de vrouw ontzegd gebleven. Deze regeling is niet tijdgebonden. Zij kan niet worden verklaard uit de positie die de vrouw in de heidense wereld van die dagen innam. Wij hebben hier veelmeer te maken met een weloverwogen beslissing.
door Ds. H. GOEDHART.
Deze opmerkingen zijn te vinden in een vorig jaar gepubliceerd artikel van de duitse geleerde Georg Günter Blum. Het principe dat achter de door de apostelen genomen beslissing ligt, wordt door hem op instructieve wijze naar voren gebracht. Het leek ons van belang de door Blum gevolgde redenering voor de lezers van De Waarheidsvriend in eenvoudige bewoordingen weer te geven.
Wat zegt het Nieuwe Testament ?
Blum bespreekt de nieuwtestamentische teksten die betrekking hebben op de positie van de vrouw in de eerste christelijke gemeenten. Hij concludeert dat de oude kerk het ambt van diakones heeft gekend. Deze mening grondt hij op Rom. 16 : 1 v., waar Phébe „dienares (diakonos) van de gemeente te Kenchreen wordt genoemd^). De dienst des Woords was de vrouwen echter niet toegestaan. Blum noemt twee motieven die tot deze uitsluiting hebben geleid. Het eerste argument is de éénheid van de kerk (vergelijk 1 Cor. 11 : 16 met 4 : 17 en 7 : 17); het tweede is ontleend aan de schepping: de vrouw is uit de man en de vrouw is geschapen om de man. (1 Cor. 11 : 8, 9).
Een bindend voorschrift.
Na dit alles breedvoerig te hebben uiteengezet komt Blum tot de conclusie die aan het begin van dit artikel is afgedrukt. In het slot van zijn betoog zegt de schrijver zeer belangrijke dingen. Hij redeneert als volgt:
De beslissing vrouwen niet tot de dienst des Woords toe te laten berust op de hoogste autoriteit die er naast de Here Christus in de kerk bestaat, n.l. de apostolische autoriteit. Daarom is deze beslissing voor ons nog even bindend als ze dat voor de eerste christelijke gemeenten is geweest.
Uit gehoorzaamheid aan de apostelen dienen we ons te houden aan het zwijggebod en het leerverbod voor vrouwen. Men moet echter niet onnadenkend gehoorzamen, omdat men het gezag nu eenmaal heeft te eerbiedigen. De draagwijdte moet worden beseft van de theologische argumenten die tot het principebesluit hebben geleid. De beide tevoren genoemde argumenten hebben nog heden betekenis en geldigheid.
Dé twee argumenten.
Allereerst - de eenheid van de kerk. Deze eenheid moet niet worden vergeten wil men in de kerk op verantwoorde wijze te werk gaan. Ze moest daarom ook bij iedere beslissing over het ambt van de vrouw in het oog worden gehouden.
Daarnaast gaat het erom op theologisch zuivere wijze de juiste verhouding van de orde der schepping tot die der verlossing te bepalen. Wat Paulus zegt over de verhouding van de geslachten berust op de uitleg van het bijbelse scheppingsverhaal. De daaruit getrokken conclusies voor het ambt van de vrouw in de gemeente kunnen nauwelijks als tijdgebonden worden beschouwd. Het centrale probleem bestond toen niet in de aanpassing van de kerk aan de sociale structuur van de klassieke tijd, evenmin als het nu bestaat in de aanpassing van de kerk aan de sociale structuur van het atoomtijdperk. Er is een heel andere vraag aan de orde, n.l. deze: Christus heeft de zonde der wereld gedragen; is in de door Christus verloste wereld het geheel van scheppingsordeningen die het menselijk leven betreffen, vervallen? Of komt de definitieve opheffing en verandering daarvan eerst aan het einde van de wereld? In de toekomende eeuw is er geen huwelijk meer; de gelovigen zullen dan zijn als de engelen in de hemel. Maar thans gelden nog de door God in de schepping gegeven ordeningen. Als men de dingen eenzijdig sociologisch beschouwt, loopt men het gevaar de fundamentele betekenis van het gehele probleem over het hoofd te zien. Sociologische overwegingen speelden ook in de debatten over deze kwestie in de synoden van de landskerken in Duitsland een dominerende rol ^). Dit is naar de mening van Blum symptomatisch voor de tendens, waarmee dit probleem op het kerkelijk vlak in de meeste gevallen wordt behandeld.
De situatie te Korinthe.
Blum ziet in de gemeente te Korinthe verband tussen het miskennen van zekere met de schepping gegeven feitelijkheden enerzijds en het afwijzen van iedere concrete toekomstige eschatologie anderzijds. (1 Corinthe 15 : 12). Wanneer men een ondubbelzinnig apostolisch standpunt minacht en het in de schepping gegeven onderscheid tussen de geslachten onbelangrijk vindt, moet ernstig de vraag worden gesteld, of men niet in een vals enthousiasme vooruitloopt op iets van de toekomstige voleinding. In de huidige bedeling is de gelijkheid van de geslachten nog slechts op sacramenteel-verborgen wijze verwerkelijkt. Deze verborgenheid zien wij in het geloof als een voorlopige toestand.
Er bestaat spanning tussen de uitspraken van Paulus over de gelijkheid van de geslachten in de Galatenbrief (Gal 3, : 28 in Christus is geen sprake van man en vrouw en de wijze waarop hij positie kiest in de situatie te Korinthe. Deze spanning wijst op fundamentele, theologische problemen, waaraan men bij de discussie over het ambt van de vrouw in de kerk van Jezus Christus niet moest voorbijgaan.
De situatie in de Ned. Herv. Kerk.
In de laatste tijd verschijnen er in de nederlandse kerkelijke pers tal van artikelen die blijkbaar de weg moeten bereiden voor het openstellen van alle ambten voor de vrouw in de Ned. Herv. Kerk (en in de Geref. Kerken? ). Het is te wensen dat de ambtelijke vergaderingen in hun overleg te dezer zake de eenheid van de kerk op de juiste waarde schatten. Dan zullen zij een besluit voorkomen waardoor een aanzienlijk deel van ambtsdragers en gemeenteleden in hun overtuiging, gegrond op de apostolische voorschriften, zou worden gekwetst. De kerk zou ermee gebaat zijn, als ze - in plaats van zich te verliezen in het slaken van allerlei enthousiaste kreten - de hierboven gereleveerde vragen ging overwegen. Ook bij de beraadslaging over de openstelling van de ambten voor de vrouw, moet in de kerk niet de sociologie regeren, maar de theologie.
H. Goedhart.
1) GEORG GUENTER BLUM, Marburg/Lahn, Deutschland, „Das Amt der Frau im Neuen Testament", Novum Testamentum VII (1964), p. 142-161. De theologen onder de lezers kan ik het hele artikel ter critische lezing aanbevelen.
2) BLUM vat deze werkzaamheid op als een officieel ambtelijk. De openstelling van het diakenambt voor de vrouw zou wellicht ook voor ons aannemelijk zijn geweest, ware het niet dat de diakenen als kerkeraadsleden deel hadden aan de regeermacht. Door de afvaardiging van diakenen naar de meerdere vergaderingen, waardoor aan deze ambtsdragers grotere regeerbevoegdheid is gegeven dan ze voorheen hadden, is er in de Kerkorde een verhindering te meer geschapen om het diakenambt voor de vrouw aanvaardbaar te doen zijn.
3) BLUM wijst daarbij op artikelen van H. D. WENDLAND. Zoals de lezers bemerken verschilt de redeneertrant in de duitse kerk weinig van die ten onzent.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 juni 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 juni 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's