De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De Dordtse Leerregels

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Dordtse Leerregels

De staat der rechtvaardiging

7 minuten leestijd

L. VROEGINDEWEIJ

HOOFDSTUK 5, ARTIKEL 6

De staat der rechtvaardigmaking.

Er is verschil in de twee eerste staten. De mens kon de eerste verlaten, maar ten tweede kan hij niet verlaten. Doch drie staten hebben dit gemeen, dat men er alleen van buitenaf in gezet kan worden. Niemand kan zichzelf tot koning kronen. Dat geldt niet. Zo kon ook niemand zich in de staat der rechtheid zetten, noch in de staat der heerlijkheid, noch in de staat der rechtvaardigmaking. De eerste twee staten betroffen alle mensen. De derde betreft alleen de uitverkorenen uit de mensen. God zet in de staat der rechtvaardigmaking. Wie zet Hij daarin? Daar zet de rechtvaardige Rechter alleen de zondaars en goddelozen in, die zichzelf als zodanig hebben leren kennen. We kunnen dit uit de Schrift aantonen, meen ik. In Lucas 18 is sprake van iemand, die in de staat der rechtvaardigmaking was gezet. Daar wordt ons verteld hoe twee zondaars opgaan naar de tempel om te bidden. Zij komen beiden uit Jeruzalem en gaan dus uit de tempel naar hun huis. Zij gaan op de tijd des gebeds, dus 's morgens om 9 uur of 's middags om 3 uur. Niemand zal ontkennen, dat het in Gods oog beiden zondaars zijn. De een echter weet het niet, de ander wèl. Pas als iemand weet, belijdt, betreurt, met diepe ernst betreurt, dat hij een groot zondaar is, spreekt God hem rechtvaardig. Het moet heel erg zijn in 's mensen eigen oog wil de grote Rechter hem rechtvaardig noemen. De Farizeeër is zeer overtuigd van zijn onschuld, maar God niet.

Hij noemt eerst, wat hij niet gedaan heeft. Hij gedroeg zich niet als rover, als erge spitsboef, ook niet als onrechtvaardige, d. i. bedrieger, evenmin als overspeler. Bovendien deed hij meer dan van hem gevraagd werd. De wet van Israël schreef slechts één vastendag per jaar voor en hij hield er twee per week. Dat is nogal wat. Hij vast, mag men denken, op maandag en donderdag. Dat vasten was bedoeld om verzoening te helpen doen voor de zonden des volks. Tenminste zo kan men het denken. Billerbeck schrijft: De mannen die tweemaal per week vastten, „voelden de roeping in zich, in de bres te gaan staan, die de zonde van de grote massa telkens opnieuw tussen God en Israël sloeg, om door de verzoeningskracht van hun vasten de toorn Gods af te wenden en het volk voor nationale rampen te bewaren". Zo waren er meer in Israël, maar onze Farizeeër behoorde daarmee tot een groep uitgelezen mannen, die hun volk op het hart droegen. Men denke hier niet min over: Het voornaamste van het vasten is, dat men een hele dag, bij grote hitte, geen drinken nemen mag.

Wanneer we voorts lezen, dat hij tienden gaf van alles wat hij bezat, d.w.z. verwierf uit zijn land, dan zal dit zeker betekenen, dat hij de geringste moeskruiden nog vertiende. Maar het kan evengoed betekenen, dat hij ook van alles de tienden gaf, wat hij kocht, met de gedachte, dat de boeren hun verplichtingen in dit opzicht niet nagekomen waren.

De tollenaar is een andere figuur. Hij had waarschijnlijk zijn ambtsgebied gepacht en trachtte dus, in z'n eigen belang, er alles uit te halen, door middel van de knepen van het vak, wat er al of niet inzat.

Tollenaars werden beschouwd als rovers, zij misten sommige burgerlijke rechten en werden door alle fatsoenlijke mensen gemeden. Onze tollenaar is ervan overtuigd, dat hij dit verdiend heeft, evenals de moordenaar uit Lucas 23 ervan overtuigd was, dat hij rechtvaardig gekruisigd werd. De tollenaar bleef in de buitenste voorhof staan, ver van de Farizeer in de binnenste voorhof. Zo is het vermoedelijk bedoeld. Het is schaamte en nog eens schaamte bij hem. En toch zoekt hij God, hoewel hij van schaamte niet naar boven durft kijken. Hij wilde niet, d.w.z. hij waagde het niet om zijn ogen ten hemel op te heffen. In het boek Henoch bidden de gevallen engelen dat Henoch een smeekschrift voor hen mocht opstellen en bij God brengen. Waarom ? „Want zij kunnen niet meer spreken (tot God), noch hun ogen naar de hemel verheffen, uit schaamte over hun zonden, waarom zij gestraft werden".

Deze man vindt welgevallen bij de Heere en de eerste niet. Het is duidelijk, dat God een keus maakt en dan uit twee zondaars deze kiest, die een mishagen aan zichzelf heeft en zich voor God verootmoedigt. Dit laatste blijkt ook uit het feit, dat hij op zijn borst slaat. De klap op de borst, d.i. het hart, is (als de woonplaats der zonde) een teken en uitdrukking van diep berouw. Een joodse spreuk zegt: „Waarom slaat men (als men onder zware kastijdingen berouw gevoelt) op z'n hart? Om te zeggen dat alles (zonde en schuld) daar vandaan komt!"

Deze man werd gerechtvaardigd d.w.z. hij werd vrijgesproken en vond welgevallen bij God. Dat is dus juist de mens, die zijn zonde kende, betreurde en beleed. Hij werd vrijgesproken meer dan de ander d.w.z. met voorbijgaan van de ander. In het gebed van de Farizeer had

God geen behagen, maar de tollenaar werd gezet in de staat der rechtvaardigmaking. Dat het om een tegenstelling gaat, volgt uit vers 14. Maar wat een vreemde zaak is het, dat de tollenaar alle genade kreeg en de ander niets.

De joodse Schriftgeleerden zouden het er heel niet mee eens geweest zijn, als zij hun mening hadden moeten geven. Het was ook wel een forse tegenstelling. De man, die voor zijn volk vast, wordt voorbijgegaan, de man, die zijn volk helpt uitkleden, wordt door God met welgevallen aangezien. Het is toch wel echt vrije genade waardoor men in de staat der rechtvaardigmaking komt, en niet ieder komt er in. En toch is het geen willekeur. De tollenaar is tot een ellendige, een arme, een zondaar, een goddeloze in eigen beleving geworden. Hij is vertwijfeld, hij weet geen raad meer. Hij doet vreemd daar in de tempel. In plaats dat hij zijn handen ten hemel opheft, zoals men placht te doen, legt hij ze op z'n borst, telkens daar op kloppende. Dat doen alleen mensen, die ergens niet uit kunnen komen. De smart overmant hem, dat hij van God zo ver is. Voorzover hem door de Schriftgeleerden geleerd is, is zijn toestand hopeloos. Om in waarheid God te behagen moet hij niet alleen zijn beroep opgeven, maar ook zijn misdaden weer goed maken door het geld, dat door bedrog ontvreemd was, terug te geven met een vijfde of een kwart van dat bedrag er boven op. Voordat alles goed gemaakt was kon van vergeving geen sprake zijn. Maar welke tollenaar kon dat allemaal nagaan? Hij hield geen boek van zijn bedrog. Zijn toestand was niet alleen hopeloos, doch ook zijn gebed om genade. En nu het wonder. God ziet in welgevallen op hem neer. Hij gaat gerechtvaardigd naar huis. Dat streed met alle joodse theologie en prediking. Maar het is wel het evangelie. God heeft een welbehagen in de vertwijfelden, in de goddelozen, die verslagen zijn en geen raad meer weten. Het offer, waarin God een welbehagen heeft, is een verslagen geest; een verbroken en verslagen hart zal Hij niet verachten. De tollenaar bidt uit psalm 51 en wordt verhoord uit psalm 51.

God is een God der ellendigen en vertwijfelden, die Zijn genade zich onwaardig keuren. Hij zegt ja, tot de hopeloos vertwijfelde zondaar en neen tot de eigengerechtige, die nog roem heeft.

Wie wordt gezet in de staat der rechtvaardigmaking? De zondaar, die zichzelf als een hopeloos verloren, schuldig en ellendig zondaar verslaat. Dat men zichzelf zo verslaat, dat men een schuldige voor God in eigen bevinding geworden is, kan hier echter niet bij gemist worden. In Jezus komst gaat Gods genezende schuldvergevende genade tot de gevallen mensen uit, maar zij bereikt alleen degenen, die tot het bewustzijn te brengen zijn, dat zij die nodig hebben. Jezus is niet gekomen om rechtvaardigen te roepen (in eigen oordeel rechtvaardigen) maar zondaren (in eigen oordeel zondaren). Alleen aan deze kan hij de genade der vergeving kwijt.

L. V.

 

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 juni 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

De Dordtse Leerregels

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 juni 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's