De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE PERS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE PERS

15 minuten leestijd

Het is goed dat we regelmatig op de hoogte gehouden worden van de mogelijkheden en de moeilijkheden op het zendingsveld, de situatie van de jonge kerken in deze gebieden enz. Het jeugdorgaan van de Geref. Gemeenten „Daniël" vertelt ons in het nummer van 21 mei j.l. het een en ander over het zendingswerk dat door ds. G. Kuijt verricht wordt in West-Irian. Zendeling Kuijt heeft van meet af aan uitgezien naar een post midden in de heidenwereld waar nog nooit iemand was gekomen met de Boodschap van het Evangelie. Zijn vaste standplaats is thans Abènero, waar zendeling Kuijt en zijn vrouw werkzaam zijn onder de Jali's. Over de tocht naar deze plaats, die niet zonder moeilijkheden verliep schrijft het blad het volgende:

De tocht naar die plaats begon te Wolo, een verlaten post van de Unevangelized Fields Mission (U.P.M.). Vanwege het binnendringen van vijandige stammen had de U.P.M, .dit gebied moeten verlaten. Het werd in Wolo te gevaarlijk: een zendeling werd door een pijl getroffen. Het schot was gelukkig niet dodelijk en de zendeling had de tegenwoordigheid van geest, dat hij de pijl uit zijn lichaam kon trekken. Tot in zijn long was het wapen doorgedrongen, maar het weefsel was toch niet al te zeer beschadigd. Later is de man geheel van die schotwond genezen.

Ds. Kuijt kwam in Wolo, nadat de post al een jaar leeg had gestaan. De landingsbaan, de airstrip, was met lang gras begroeid. Met behulp van de zendelingen te Bokondini en Kelila zou gezorgd worden, dat alles weer in orde zou komen. Enige Dani's maaiden het gras en eind september 1964 kon een vliegtuig van de Missionary Aviation Fellowship (M.A.F.) landen.

Zendeling Ericson heeft toen met de bewoners van de Wolovallei gesproken en uitgelegd, dat er een zendeling met zijn vrouw zou komen om voor enkele weken in hun midden te verkeren. De hoofden van de stam vonden het goed en zo vertrokken ds. Kuijt met zijn vrouw en nog drie helpers van de kust naar Wolo. Ruim drie weken hebben zij er vertoefd. De bedoeling was om kennis te maken met de mensen en iets van hun taal te leren, maar ook om trektochten in de omgeving te maken, voordat de tocht naar de huidige standplaats werd ondernomen.

De bewoners van de Wolovallei kenden al iets van het, evangelie en zo kon het gebeuren, dat ér elke dag een bidstond werd gehouden en dat er van de polikliniek druk gebruik werd gemaakt. Vooral op zondag kwam een grote menigte bijeen om te luisteren naar Gods Woord. Het bleek, dat de mensen de zendeling wel wilden houden, maar dat kon niet, omdat zendeling Kuijt tot doel had een plaats te vinden, waar het evangelie nog nooit was gehoord.

Over het werk in Abènero ontvangen we enige informatie in het blad „De Saambinder". In het nummer van 3 juni j.l. is een brief opgenomen van ds. Kuijt. Deze vertelt in dit schrijven van de moeilijkheden die ze bij de opzet van het werk ondervonden.

Ons werk hier wordt nog steeds beproefd. Maar met de verzoekingen heeft de Heere ook voor de uitkomst gezorgd. Tweemaal heeft de bevolking van de Abènerovallei geprobeerd ons te verdrijven. Om tot een geschikt vliegveldje te komen, moesten ontzettend veel grote en kleine rotsen verwijderd worden. Het werk vorderde erg langzaam. Aanvankelijk kwamen er wat werkers, later niet meer en moesten wij het werk alleen doen. Op een dag kwam een grote groep manen, aangevoerd door het stamhoofd Liok, zeggen, dat voortaan niemand meer zou komen werken, geen hout voor de vuren meer afgestaan zou worden, geen grond meer verkocht zou worden voor het vliegveldje, en wij daarom maar moesten vertrekken, want het had geen zin om langer te blijven. Abènero verwierp ten enenmale de boodschap, die wij brachten, en zij gingen liever door met hun oude leventje. De mannen verdwenen weer, al rennend over het stripgedeelte dat al klaar was. Dat zag er niet best uit.

Diezelfde avond hadden wij een bidstond en legden wij al onze noden voor de Heere neer. Wij zouden rustig afwachten hoe de verdere ontwikkelingen zich zouden voltrekken.

In het vervolg getuigt zendeling Kuijt ervan hoe de Heere hen in deze beproevingen niet alleen liet, maar uitredding gaf. Met behulp van dynamiet konden de stenen en rotsblokken verwijderd worden. In zes weken was nu dit werk gereed. Ook een tweede aanval werd met Gods hulp doorstaan. We citeren uit deze brief:

De eerste aanval was afgeslagen. Maar de vorst der duisternis zit niet stil. Een tweede aanval werd op touw gezet. Op een dag kwam er weer een grote groep mannen, onder leiding van Langkobarèk, het oorlogshoofd. Zij wilden ons, met al ons bezit, naar de Baliem evacueren. Onder elkaar werd uitgemaakt, wie wat moest dragen. Al ons hebben en houden werd verdeeld. Het zag er niet best uit. Door Gods genade was niemand van ons groepje bang. Toch voelden wij, dat wij ons in de weg der middelen moesten plaatsen en vroegen aan één der M.A.F.-piloten of hij over ons huis en de stripside wilde vliegen. Ons grashuis zat inmiddels vol met mensen en ook waren wij min of meer omsingeld. Niet lang daarna kwam het vliegtuig en heeft enige schijnaanvallen gedaan waardoor de mensen zó bang werden, dat ze alle richtingen uitstoven. Op een gegeven moment was hij zó laag, dat wij dachten dat het vliegtuig in de bomen terecht zou komen. Mijn vrouw gaf mij met tranen in de ogen opdracht door te geven, dat de piloot niet met zijn leven mocht spelen. Door middel van de motor gaf het vliegtuig geweldig grommende geluiden, zodat de mensen ons later vroegen of het vliegtuig erg boos was. Nadien hebben wij geen last meer gehad dat de mensen ons verdrijven wilden. Integendeel, zij vinden het goed dat wij er zijn, alhoewel zij van de boodschap des Evangelies niets willen hebben.

Christelijke lectuur in een Muslimse omgeving.

Zoals u bekend zal zijn is een belangrijke tak van arbeid de lectuurdienst op de zendingsvelden. De actie „Brood voor het hart" die de vorige maand gehouden werd liet ons dat duidelijk en concreet zien. Hoe dient deze lectuur actie te geschieden in een mohammedaanse omgeving? Het is deze vraag die dr. W. A. Bijlefeld tracht te beantwoorden in een artikel in het Zendingsblad van de Ned. Herv. Kerk (juni '65). Dr. Bijlefeld, Islam-kenner bij uitnemendheid is werkzaam in Nigeria.

In zijn artikel laat hij zien dat we de bijzondere kansen van het literatuur werk in de Muslimse wereld niet te simpel moeten zien. Het feit dat vele Muslims gretig naar het „gedrukte woord" grijpen zegt n.l. nog niet alles. Dat is meer een leeshonger die er gretig op uit is elke geschreven tekst te ontcijferen dan openheid voor chr. literatuur. Bijlefeld signaleert voorts een gevaar in het spreken over: „eerbied voor het woord".

Voorts is het tot op zekere hoogte misleidend te spreken over „eerbied" voor 't geschreven woord. Men moet althans duidelijk maken dat deze eerbied soms óók betekent dat men dit „Woord" dat nu hanteerbaar, handelbaar is geworden, meent te kunnen gebruiken ter afwering van gevaren en ter genezing van ziekten. Dit geldt natuurlijk speciaal het Heilige Woord. Bladzijden uit de Qur'an aan een vrachtauto gebonden als „veilige-reis-verzekering" of — zoals we laatst zagen — aan een waarschuwingsbord dat de roekeloos snelle weggebruiker er attent op wilde maken dat enkele weerloze wegwerkers bezig waren met het onderhoud van het wegdek; het water waarmee een op een bord geschreven Qur'anpassage weggewassen wordt en dat dan als medicijn gebruikt wordt — dat zijn ongetwijfeld voorbeelden van eerbied voor het Woord", maar misschien is het woord „eerbied" dan toch wel op een andere wijze gevuld dan vele lezers van dit blad dat doen. Het kan niet ontkend worden dat er ook Christenen zijn die de Bijbel op soortgelijke wijze gebruiken. Zo bleek onlangs dat een uitzonderlijk grote vraag naar de psalmen in een bepaalde streek zijn oorsprong had in de overtuiging dat men elke ziekte kon voorkomen door elke dag een psalm te lezen.

Wat is er nu nodig in Nigeria opdat dit werk aan zijn doel beantwoordt? Bijlefeld noemt als eerste een Hausa Bijbeluitgave in Arabisch schrift.Voorts eenvoudige geschriftjes, die misverstanden wegnemen, die de Muslims kunnen inleiden in het christelijk geloof; geschriftjes die zodanig zijn dat ze de interesse opwekken van de Muslims en niet terstond als „vreemd" (in de zin van geïmporteerd) afgedaan worden. Deze boekjes dienen speciaal voor Muslims geschreven te worden: Bijlefeld schrijft in dit verband:

Daarmee bedoel ik géén controverse literatuur, géén boekjes die de Muslimse bezwaren tegen en Muslimse kritiek op het Christelijk geloof aan de orde stellen en het Christelijk antwoord geven; géén boekjes die Muhammad met Jezus vergelijken, of die proberen aan te tonen dat een Christen met een geruster geweten Ikan sterven dan een Muslim. Een voor Muslims geschreven boekje zal als regel noch het woord „Islam" noch de naam „Muhammad" bevatten. Maar het zal een poging moeten zijn tot weergave van grondgedachten van het Bijbels getuigenis en van hoofdmomenten van het Christelijk geloof door iemand die zo dicht bij de Muslims staat dat hun vragen op een gegeven moment zijn eigen, zéér persoonlijke vragen kunnen worden, iemand die zelfs steeds opnieuw van uit het Bijbels getuigenis het Antwoord mag ontvangen op deze vragen.

Omgekeerd is er ook behoefte aan lectuur over de Islam voor christenen, te weten handleidingen, cursussen, die de christenen helpen kunnen hun Muslimse land- en streekgenoten iets beter te verstaan. Nadrukkelijk wijst de schrijver er op, dat hiermee niet bedoeld is een voorlichtende lectuur over de Islam voor Muslims, die een soort christelijke her-interpretatie bedoelt te geven van de Islam.

Bijlefeld meent dat een lectuuractie die langs de hierboven aangegeven lijnen wordt opgezet kan leiden tot inten­siever contact tussen Muslims en Christenent tot een echte dialoog, tot gesprekskringen en bijbelkringen waarin Christenen zich bezig houden met de vragen die de Islam hen stelt.

Het zijn belangwekkende dingen die hier ter sprake komen en wel terdege onze aandacht moge hebben. Ze kunnen ons helpen de zaak niet te simpel te zien. Uit alle publicaties over dit onderwerp blijkt immers dat zending in een gebied waar de Islam overheerst een bijzonder moeilijke en zware taak is.

Wel liet de lezing van dit artikel bij mij de vraag achter, die ik in alle bescheidenheid zou willen stellen: „Wordt dit geheel niet te veel getrokken in de sfeer van het gesprek? " In het artikel vallen meermalen de woorden dialoog, gesprek, ontmoeting, confrontatie. Dat zijn woorden die heden ten dage schering en inslag zijn. We kennen het gesprek met Israël, gesprek tussen de kerken, gesprek tussen de richtingen etc. Het gesprek veronderstelt een gemeenschappelijke basis waarop men spreken kan. Het is daarom niet toevallig, dat men niet wil spreken van zending onder de Joden, maar van gesprek met Israël. Echter we zouden na lezing van Bijlefeld's artikel de vraag willen stellen: De lectuurdienst onder de Muslims, de zendingsarbeid onder de Islam ligt toch niet op ditzelfde vlak van een gesprek? Het zal toch ook vooral een profetisch getuigenis moeten zijn — appellerend en indringend. In hoeverre dit door dr. Bijlefeld bedoeld is werd me uit dit overigens zeer lezenswaardige artikel niet duidelijk.

Lekenapostolaat.

Wie kennis genomen heeft van het boek van prof. dr. H. Kraemer, Het vergeten ambt en de serie radioprogramma's „Alledaags geloven" gevolgd heeft of 't inmiddels verschenen boekje, onder die titel, gelezen heeft, weet dat in de laatste jaren in onze Herv. Kerk en daarbuiten veel gesproken wordt over de taak van de leek. Daarmee bedoelt men de roeping die op elk lid van Christus' gemeente rust om in woord en wandel te getuigen van Christus en Zijn werk.

In het mei/juni nummer van het zendingstijdschrift „De Heerbaan" (Uitgave van de Ned. Zendingsraad) gaat dr. P. L. Schram in een artikel „Lekenapostolaat" in op de vraag in hoeverre het gebruik van dit begrip gerechtvaardigd is.

Het woord leek (van het griekse woord laicos is tot het volk behorend) komt in de tweede eeuw op als aanduiding van de gelovigen in tegenstelling tot de clerus, de geestelijkheid. In het N.T. is van deze tegenstelling niets te vinden. Heel de gemeente is een koninklijk priesterschap, en dus zeker geen onmondige massa, onderworpen aan een ambtelijke hiërarchie. Toen de Reformatie dan ook brak met de Roomse ambts- en genadebeschouwing, herstelde ze tevens het algemeen priesterschap der gelovigen.

Nu komt in onze eeuw het spreken over de leek, als aanduiding van het gewone gemeentelid weer met klem naar voren. Is dit gerechtvaardigd? Dr- Schram wijst er op hoe we voorzichtig moeten zijn met het geven van namen, en zeker van namen die door de wereld verkeerd of in het geheel niet begrepen worden. Hij gaat in op het bezwaar als zou het woord „lekenapostolaat" daarom niet te gebruiken zijn, omdat dit woord door de traditie der eeuwen te zwaar belast is. In dit verband schrijft Schram:

„Het is echter de vraag, of wij protestanten ons ooit zó de slaaf van tradities en van de historie mogen laten maken, dat we niet op bepaalde ontwikkelingen zouden durven terugkomen. Het is altijd goed reformatorisch geweest de bijbel te stellen boven de traditie. Als Luther in zijn dagen de thomistische visie op „rechtvaardiging" ook op een dergelijke wijze tegemoet was gegaan, hadden we nooit de Reformatie en de herontdekking van het hart van het Evangelie gehad.

Schram meent dat een hervinden van de oorspronkelijke bijbelse betekenis van het woord „leek" nodig is, opdat we van de dominees-kerk afkomen en het profeet-, priester- en koning-zijn van de gelovige weer beleefd wordt. Toch is naar ons voorkomt zijn redenering niet erg duidelijk. Reformatie betekent: De Schrift boven de traditie. Inderdaad! Maar daarom gaat de parallel met de rechtvaardigingsleer niet op of liever gezegd, ze pleit juist tegen een weer invoeren van het woord „leek". Toen Luther de beschouwing leek - clerus »van de kerk van zijn dagen verwierp, kwam hij juist terug op een eeuwenlang bestaande verhouding. Juist vanuit een nieuw verstaan van het Evangelie. En betekent een hervinden van de bijbelse betekenis van het woord „leek" niet dat dit woord zelf daardoor onbruikbaar wordt. Schram zelf erkent dat het woord „leek" de bijklank van „ondeskundige" zal behouden. Dat is volgens hem niet erg. Tegenover de vaktheologen moet 't gewone gemeentelid zich „ondeskundig" weten. Dat is geen veroordeling. Het betekent alleen dat ieder zich zijn beperktheid bewust zij.

We zouden hierbij toch de vraag willen stellen of op deze wijze niet een nieuwe tegenstelling gecreëerd wordt n.l. die tussen leek en theoloog. En gelet op de geschiedenis zou dit wel eens kunnen betekenen dat de leek dan toch weer de onmondige wordt.

Na vervolgens ingegaan te zijn op de kwestie of het woord apostolaat in dit verband gebruikt mag worden schrijft Schram tenslotte- „Toch is het goed te luisteren aar hen die zeggen dat 'de kerk zoveel mogelijk naar de mens van onze dagen moet toegroeien en zijn taal trachten te spreken. Wanneer het mogelijk zou zijn om een woord te vinden, dat een goed Nederlands alternatief zou kunnen vormen, was daar natuurlijk veel voor te zeggen. In het oecumenisch beraad en in de vak-theologische discussie zou de benaming lekenapostolaat kunnen worden gehandhaafd, maar naar buiten zou aan duidelijkheid gewonnen zijn.

Het is echter de vraag of er een afdoend Nederlands alternatief bestaat. Diverse voorstellen zijn de laatste maanden gedaan: Getuige zijn, getuigend dienstbetoon, christen-taak, onze lichtfunctie, gewoon getuige zijn.

Erg duidelijk wordt het geheel niet. Lekenapostolaat: een naam die wel bijbels aanvaardbaar, maar voor de wereld onduidelijk is? Het betoog van dr. Schram helpt ons op dit punt niet zoveel verder. Toch meenden we er goed aan te doen dit stuk in dit persoverzicht, handelend over het zendingswerk, op te nemen. Allereerst omdat het ons laat zien, dat zendingswerk niet alleen maar iets is voor Kenya, Nigeria, West- Irian etc. Maar dat tot ieder op de plaats waar God hem of haar gesteld heeft de roeping komt om de grote daden Gods, Zijn deugden te verkondigen (1 Petrus 2:9), en Zijn Naam te belijden. In onze geseculariseerde samenleving is zo'n belijdenis geen vanzelfsprekende of goedkope zaak meer.

En voorts, welke bezwaren men ook kan hebben tegen het woord „lekenapostolaat" als zodanig, de zaak zelf verdient ten volle onze aandacht. De •Reformatie heeft weer alle aandacht gevraagd voor het algemeen priesterschap der gelovigen. Betekent dit werkelijk nog iets in de praktijk van ons gemeenteleven en van ons christen zijn? De vraag van zondag 12 van de Heidelberger Catechismus: „Waarom wordt gij een christen" genaamd, moge een ieder onzer wel bezig houden. Opdat de instemming met de belijdenis der vaderen niet maar een formele kwestie wordt, maar een zaak van hart en leven moge zijn. In geloofsvertrouwen en geloofsgehoorzaamheid aan Hem, Die gezegd heeft: „Laat zo uw licht schijnen voor de mensen opdat zij uw goede werken zien en uw Vader, Die in de hemelen is, verheerlijken".

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 juni 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE PERS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 juni 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's