KRONIEK
Al een paar keer wilde ik schrijven over de vrouw in het ambt. Gegevens van elders, nieuwe publicaties, een incident af en toe wegens deze kwestie, berichten en geruchten dat tolerantie ten aanzien van tegenstanders, aanvankelijk aanbevolen, moet wijken voor een harder standpunt en de steeds luider gepropageerde drang om tot royaler openstelling te besluiten noopten dit punt aan te snijden. Andere onderwerpen drongen zich op de voorgrond, terwijl ook de overweging meetelde, dat een kroniek niet een pakhuis je van alle mogelijke actualiteiten worden mag. Althans deze kroniek niet, die tussen de rubrieken Gesprek, over één onderwerp, en Uit de pers, uiteraard over velerlei, een midden evenredigheid wil betrachten. Het gaat om een stuk of wat aangelegenheden, die nu eens meer formeel dan weer in sterkere mate materieel enige samenhang vertonen. Het moet wel een ' beetje de image van een afgerond geheel vertonen.
Ad Galatos.
In de talrijke discussies over de vrouw en — of liever in — het ambt brengt men gedurig de tekst Galaten 3 : 28 in geding. „Daarin (namelijk in Christus) is noch Jood noch Griek, daarin is noch dienstbare noch vrije, daarin is geen man en vrouw. Want gij allen zijt één in Christus Jezus". Hooggestemd is gesproken van een Magna Charta van vrijheden in Christus. Deze tekst heet dynamiet. „Men moet zich de scherpte dezer tegenstellingen in de antieke wereld realiseren om het dynamiet in deze, voor ons zo simpel en vanzelfsprekend klinkende woorden, te ontdekken". (Dr. G. Huls, De vrouw in de kerk, Baarn 1965). Men heeft er een program in ontdekt, dat in de loop der eeuwen is verwezenlijkt achtereenvolgens in de heidenzending, afschaffing van de slavernij en de emancipatie van de vrouw. Er valt over te redetwisten of juist vanuit deze waarheid en vanuit Gods Woord in het algemeen deze bevrijdingen zijn aangevat en gerealiseerd of dat men naderhand de ontwikkeling in deze tekst heeft teruggevonden en aangehaald om zijn streven te rechtvaardigen.
De exegeten hebben het er stellig niet uitgehaald, althans velen niet. Wat prof. Greydanus schrijft kan men herleiden tot een conservatieve instelling. Hij immers zegt: „Tot recht verstand van dit vers moeten we niet uit het oog verliezen, dat de apostel hier niet handelt over hetgeen in het maatschappelijk leven geldt, of gelden moet, voor welk gebied hij juist de eerbiediging van onderscheiden verschillen eist, en dat hij evenmin spreekt over kerkelijke diensten, voor welke hij ook de betekenis van het geslachtsverschil naar scheppingsordinantie, handhaaft en erkend wil hebben, 1 Cor. 14 : 33—35; 11 : 5—10; ' 1 Tim. 2 : 11—14. Doch ook iemand als prof. Van Stempvoort betoogt dat men deze prediking niet mag misverstaan als een idealistisch revolutionair programma van vrijheid en gelijkheid. „Slechts op deze plaats zijn de niet te loochenen, maar toch slechts voorlopige verschillen, die eenmaal ophouden, van volken, standen en van beide geslachten opgeheven". (K. L. Schmidt). We moeten hier wel degelijk ons hoeden voor een metabasis, een overgang op een gebied van andere orde. Het gaat in Galaten 3 over Abrahams zaad, die naar de belofte erfgenamen zijn. Dr. Huls geeft in zijn genoemde publicatie wel toe, dat „Paulus met deze uitspraak niet direct een politiek, sociaal of kerkelijk programma bedoelt te geven, en ook geen concrete richtlijnen verschaft voor een sexuele hervorming, een emancipatie der vrouw of een kerkorde". „Toch is wel zonneklaar dat hij hier meer bedoelt te zeggen dan dat een man en vrouw beiden behouden kunnen worden". Ik vind het woord zonneklaar hier toch wel veel en veel te sterk. Prof. Miskotte onderstreepte destijds in een artikel, juist 'over de omstreden kwestie van de vrouw in het ambt, het toekomstig karakter van deze tekst, doch hij meende dat de toelating van de vrouw tot het ambt geoorloofd was als een teken van de komende ordening. Er zouden meer tekenen zijn op te richten van de volkomenheid van Gods rijk, maar het is de vraag of we niet in een Wederdopers zog geraken, waartegen het slot van art. 36 ons nadrukkelijk waarschuwt. Van Dopers gesproken.
Gods Woord profeteert van leringen en praktijken in het laatste der dagen en al bezitten we niet het tijdschema, zoals de voorzitters van de Wereldraad in hun Pinksterboodschap terecht opmerken, het is toch wel een eis, dat we uitingen, strevingen, pressies en ontwikkelingen beproeven. Ik meen, dat het een groot gevaar is, dat we de gang van zaken in de wereld al te kritiekloos volgen, terwijl we proberen deze loop vanuit Gods Woord te rechtvaardigen, waarvoor nodig is dat we verschillende uitspraken verzwakken door die geldig te verklaren slechts voor plaatselijke en incidentele situaties, waarbij we vergeten dat dezelfde of soortgelijke misstanden bovendien ook heden nog urgent en actueel zouden kunnen zijn.
Noch Jood, noch Griek.
De uitspraak beoogt te zeggen, dat ten aanzien van de zaligheid de middelmuur geslecht is tussen Joden en heidenen, aangezien de Grieken hier als deel het geheel representeren. Toch is het niet Paulus' bedoeling om hiermede een regel om te stoten, waaraan hij blijkbaar toch wel grote waarde hecht namelijk wanneer hij met nadruk schrijft eerst de Jood en dan de Griek.
Deze eerste zinsnede heeft voor de kroniekschrijver wel actualiteit, omdat de kerkelijke pers meldde het aftreden van ds. Grolle als secretaris van Kerk en Israël wegens het ingaan van zijn emeritaat op 1 mei. Voor de lezers van deze periodiek wordt dit afscheid nog interessanter door het feit, dat ds. Gerssen, die achtereenvolgens de gemeenten van Wouterswoude, Huizen en Utrecht gediend heeft, als zijn opvolger optreedt. Blijkens de opzet van de arbeid uitgaande van Kerk en Israël is het nooit de bedoeling om domweg zending te bedrijven onder de Joden, het gaat, afgezien ook van de bijzondere voorkeur voor dat woord, om gesprek met Israël. Het feit van het bestaan van Kerk en Israël en de methode van werken van deze raad geven te kennen, dat er geen sprake is ten gevolge van het „dynamiet", van het „grote woord van de opheffing van alle nationale, sociale en sexuele verschillen onder de mensen" van een radicale gelijkschakeling van heidenen en joden. Uitgaande van Romeinen 9—11 rijzen er belangwekkende vragen over de speciale toekomst van het volk Israël, waarover ook onder ons nog wel eens gesproken mag en kan worden. Als men geen verschil tussen Jood en Griek zag zou Kerk en Israël niet bestaan.
Het Vaticaans concilie houdt zich ook bezig met de positie van het Joodse volk. Nog onlangs waren sommige Joden geraakt over een uitspraak van paus Paulus. Het geweldig rumoer rondom het toneelstuk „De Plaatsbekleder", berichten over anti-semitische uitingen in het conservatieve Portugal, moeilijkheden in Rusland, de geweldige druk van de Arabische wereld op de staat Israël dwingen ons tot bezinning op talloze vragen, die hier zich aandienen.
In ieder geval is wel zeker, dat ondanks het krasse woord van Paulus: noch Jood, noch Griek, er op de dag van de verlossing nog wel iets zichtbaar is van onderscheid. Patmos' ziener aanschouwt de verzegelden uit alle geslachten der kinderen Israëls en na dezen een grote schare, die niemand tellen kon, uit alle natie en geslachten, en volken, en talen, staande voor de troon en voor het Lam.
Noch dienstbare, noch vrije.
De afschaffing van de slavernij is de tweede fase op weg naar de volkomen bevrijding. Vaak wordt de gelijkstelling van man en vrouw of speciaal de openstelling van het kerkelijk ambt gezien als een parallel van de afschaffing van de slavernij. Dr. Huls doet dat heel sterk in de inleiding van het al vaker geciteerde boek De vrouw in de kerk. Ik vraag me af of de afschaffing van de slavernij, hoe gewichtvol ook, toch wel eens overtrokken wordt. Natuurlijk waren er in oude tijden harde heren. De Schrift spreekt van zulken. Maar of de betrokkenen het juk zo zwaar hebben ervaren als^ wij het nu ons voorstellen en doen voorkomen is nog zeer de vraag. Toen op grote schaal slaven werden geroofd, getransporteerd en in massa uitgebuit als werkvee kwam ook de actie voor de bevrijding. We willen de misstanden niet bagatelliseren, maar anderzijds ook niet gering achten allerlei erbarmelijke toestanden in de arbeiderswereld, die na jarenlange strijd zijn verbeterd. De verhouding werkgever-werknemer is voortdurend nog in discussie. We denken aan een rapport over herziening van de onderneming, aan omstreden kwesties als medezeggenschap, werknemerscommissaris, aandeel in de winst enzovoort. We moeten de betrekkelijkheid van alles wel degelijk in rekening brengen en voorts klemt de vraag of Johannes in het visioen van de toekomst kleuren gebruikt van het palet van de tijd, waarin hij leeft, of dat hij wel degelijk een realiteit uitbeeldt, wanneer hij zegt van het beest, dat het maakt dat het aan allen, kleinen en groten, en rijken en armen, en vrijen en dienstknechten een merkteken geeft.
Geen man en vrouw.
Merkwaardig genoeg staat er hier niet noch ... noch. Bovendien lezen we letterlijk: geen mannelijk en vrouwelijk. Het verdient wellicht ook aandacht, dat deze uitdrukking in de Griekse tekst van Galaten 3 letterlijk overeenstemt met de tekst van Genesis 1 : 27 in de Septuagint, de vertaling van de zeventig. De eerste beide onderscheidingen van Jood en heiden en van vrije en dienstknecht hebben te maken met vloek en straf op zonden na de zondeval met name torenbouw en bespotting van Noach in zijn tent. Het verschil mannelijk en vrouwelijk heeft door de zonde een zwaar accent gekregen, maar dateert toch vanaf de schepping. Adam is eerst gemaakt, daarna Eva Adam tot hulp. Dit laatste mogen we misschien niet te zwaar opvatten, er zijn immers gevallen dat de meerdere de mindere, de sterkere de zwakkere hulp biedt, maar dan is er toch wel een element van genade, van nederbuiging, van „aanneming van een dienstknechtsgestalte". De Heilige Geest hecht niet alleen aan de prioriteit bij de schepping: Adam is eerst gemaakt, daarna Eva, maar voorts is er nog een argument uit de geschiedenis van de val: niet de man, doch de vrouw is verleid en heeft als eerste gezondigd. Wanneer we op al deze gegevens letten blijven, afgezien van de kwestie van de gelijkstelling van man en vrouw, waarbij zich trouwens nog de vraag voordoet of de vrouw inderdaad een gelijk najaagt of een zijn-als-de-man, er eigensoortige bezwaren tegen de toelating van de vrouw tot de ambten en inzonderheid de regerende.
Dagelijks krijgen we berichten onder ogen als die van een front. Dan is er in dat land en dan weer in die kerk opgemarcheerd.
In regionale synoden van de Franse kerk is de zaak in ernstig beraad. De kerk van Engeland houdt zich ermee bezig, de aartsbisschop van York pleit alvast voor een opleidingsinstituut. In Denemarken werd een vrouwelijke predikant bevestigd, de Gereformeerde kerken ten onzent hebben hun rapporten omtrent deze aangelegenheid, deputaten concluderen tot openstelling van alle ambten. In Mecklenburg komen naast vrouwelijke vicarissen vrouwelijke predikanten, in Frankrijk zijn de ambten ook voor vrouwen opengesteld, de kerk van Schotland stemde over toelating van vrouwen tot het ambt van ouderling: 773 voor en 496 tegen, over toelating tot het predikambt: 740 voor en 622 tegen. In het algemeen ligt het zo dat Orthodoxe, Oosterse en Anglicaanse kerken tot dusver vrijwel unaniem geen vrouwen tot het herdersambt toelaten. Bij de Lutherse, Presbyteriaanse, Methodistische, Baptistische en andere kerken zijn er wel verschillende die de vrouw onbeperkt of met bepaalde restricties hebben toegelaten tot het predikambt. Van de 168 kerken aangesloten bij de Wereldraad hebben 48 de vrouw volledig toegelaten en 9 onder beperking. Dus 38%. Er zijn 61 kerken die het niet willen en van 21 kerken is de mening onduidelijk of onbekend. In ieder geval ligt de zaak nog niet zo dat de zo oecumenisch gezinden andersdenkenden in dit opzicht binnen eigen kerk voorshands hun mening mogen opleggen of opdringen.
Men acht argumenten contra onderhand wat oud en bekend. Maar van de argumenten pro geldt dit nog wel zo stringent. Nieuws is er bepaald niet. Onder ons hoort men wel eens de overweging, dat we ons op dit ene punt, dat ons inziens toch wel duidelijk in strijd is met de Schrift, niet mogen blind staren. Er is, zo zegt men, veel meer en misschien wel erger. Anderzijds verneemt men echter de opvatting dat we in een soort Vietnam-stelling geraken. Als men niet en nooit halt maakt, waar komen we dan uiteindelijk terecht? Licht en wijsheid zijn van node. Doch ook eenstemmigheid en vastberadenheid. Wat Galaten 3 : 28 betreft houden we ons toch gaarne aan de kanttekening op de Statenvertaling: Niet in de maatschappij, waarin ongelijkheid is, maar aangaande de weldaden van Christus.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 juni 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 juni 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's