DE CATECHISMUS 29
Vraag en antwoord 16 en 17
Vraag en antwoord 16 en 17.
Vr. Waarom moet Hij een waarachtig en rechtvaardig mens zijn?
A. Omdat de rechtvaardigheid Gods vorderde, dat de menselijke natuur, die gezondigd had, voor de zonde betaalde; en dat een mens, zelf zondaar zijnde, niet kon voor anderen betalen.
Vr. Waarom moet Hij tegelijk waarachtig God zijn?
A. Opdat Hij, uit kracht zijner Godheid, de last van de toorn Gods aan zijn mensheid zou kunnen dragen, en ons de gerechtigheid en het leven zou verwerven en wedergeven.
Hier blijkt welk een volmaakte Middelaar Jezus Christus is, juist als het vleesgeworden Woord, 'dè God-Mens; hoe rampzalig wij daarom zijn als ons leven niet met Hem verbonden is, hoe zalig daarentegen als we Hem als onze Middelaar kennen. Want daarin, dat de Middelaar God en mens is, ligt een eeuwige verlossing. Daarom heet Hij Immanuël — met ons God.
Die het niet zo weten bij bittere ervaring machteloos verloren te liggen in de valleien van de dood, dood in zonden en misdaden — zij kunnen best toe met een helpende, in plaats van een reddende Jezus. Maar als we altijd weer aan de grond zitten en geen centimeter ons kunnen opheffen tot God, dan is voor ons het Evangelie dat de Middelaar God en mens is, altijd weer hemelse muziek. Van deze belijdenis kan dan ook niets af. Als de God-mens is de Christus ons dierbaar; daarom is Hij de Troost der ziel, daarom het Leven, de Weg, zo vaak het geloof op Hem ziet.
Eerst wordt geantwoord op de vraag: Waarom moet Hij waarachtig mens zijn? — Het antwoord van onze catechismus is daarop: Omdat de rechtvaardigheid Gods vorderde, dat de menselijke natuur, die gezondigd had, voor de zonde betaalde. Dit antwoord doet eigenlijk niets anders dan absolute ernst maken met de wet Gods. Die mag niet weggepraat worden. Die moet vervuld worden. Men kan niet daarop afdingen met te zeggen of te denken wedergeboren en bekeerd te zijn. De wet is geestelijk en moet door mij geestelijk worden vervuld. Te zeggen dat wij vleselijk zijn baat al evenmin. De wet moet opgericht. Als we daarmee in de knoop zitten heeft het Evangelie ons waarlijk iets te zeggen, het Evangelie van het heilig Kind, van God gesteld onder die wet als volkomen plaatsbekleder. De Immanuël heeft als mens naar geest en letter de gehele wet vervuld, en zo is Hij de volkomen Wetsvolbrenger voor de absolute wetsverzaker. Zo is Hij Zijn kerk ten zegen. O, hoe vaak grijpen we nog naar de krukken. Maar als we met gebroken krukken en benen hulpeloos neerzijgen is Hij daar, Zich heel diep tot mij overbuigend. „Het werk is af" fluistert Hij, „Gij hebt het in Mij afgemaakt". — Ja, zo hangt mijn zaligheid en troost wel geheel aan Zijn mensheid.
En hoe meer ik daarover denk, hoe meer ik daarin zie. De wet eist toch de straf voor alle overtreders. Hij in mijn vlees, opdat het recht der wet zou ver- \'uld worden in Hem! Ja, zo'n Middelaar past mij, zegt het arme hart.
Kohlbrugge, de prediker van de gerechtigheid Gods, somt bij de overweging van de mensheid van Christus nog op, dat de zonde in het vlees moet veroordeeld worden. De mens zal de zonden veroordelen. Dat zijn we aan God verplicht. — Hoe? Door ze te verafschuwen ? Zeker, we zullen van onszelf gruwen, doch . .. straks houden we toch weer zoveel van onszelf. Zo verheerlijkt Kohlbrugge — m.i. terecht — Immanuel, Die mens is geworden om in Zijn vlees de zonde te veroordelen, weg te doen, het lichaam der zonde te niet te doen. Hij de enige Mens, Die dat kon doen.
Ook wijst Kohlbrugge er nog op, dat de wet gekend moet worden zoals zij is, en de zonde zoals zij is. Engelen kunnen de wet en de zonde zó niet kennen. Maar Jezus wel. Hij is mens geworden uit een Thamar, een Ruth, een Bathséba. Zó heeft Hij voor Zijn Gemeente de wet vervuld, de straf gedragen, de zonde in het vlees veroordeeld. Duivel, dood en hel hebben het nakijken
Hoc dieper we indringen in de vleeswording des Woords, hoe dieper we onze algehele verlorenheid leren kennen, ook onze onmacht ten goede. — hoe dieper wij zullen verstaan dat we buiten Jezus Christus rampzalig zijn en dat niets van ons voor God in aanmerking komt. Maar des te voller wordt ons de genade in Immanuël, Die Zich in Zijn menswording wilde ontledigen van Zijn heerlijkheid en niet schaamt om het voor zo'n volk van nietsnutters op te nemen, hun Goël en Hogepriester te zijn, hun Broeder, vlees van hun vlees, om in hun vlees alles van hen over te nemen: de gehele vloek in al zijn diepte en verschrikking.
Maar niet alleen leren Woord en Geest ons het nut van Christus' waarachtig mens-zijn, maar ook worden we ingeleid in het nut van Zijn rechtvaardig mens-zijn. Immers zo is Hij het heilige, reine Lam, dat door God tot zonde gemaakt is. Daarom leidt de Heere Zijn volk naar Golgotha, waar het in diepe ontroering stamelt: Wij dwaalden allen als schapen; wij keerden ons een ieder naar zijn weg, doch de Heere heeft onzer aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen.
.... en dat een mens, zelf zondaar zijnde, niet kon voor anderen betalen. Neen, dat kon niet. Het oordeel Gods rolt aan als een bruisende watervloed. Waarheen? — Over ons, over mij, zodat ik voor eeuwig ten onder moest gaan? Het ware recht, we hadden ook het oordeel des doods in ons, maar ... daar is Hij — op Hem hebben ze zich gestort: Ik heb de vloek gedragen en ben gezonken in grondeloze modder; — mij, in de kuil verzonken, mij heeft Hij hulp geschonken, gerukt uit modderig slijk.... Zullen ze dat niet zingen, die hun voeten zetten op de weg naar Sion?
Hoe zeer hebben we nodig van deze reine Jezus dagelijks gebruik te maken, als we tenminste van leven en ademen weten. Juist in dat dagelijks gebruik in verootmoediging en gebed wordt de plaatsbekleding steeds heerlijker en tot vernieuwde troost door de Heilige Geest. Ja, mijn ziel dorst naar U, mijn vlees verlangt naar U, in een land, dor en mat, zonder water.
Ten slotte hangt niet minder onze troost aan Christus' waarachtige Godheid. Zo alleen kon Hij immers de last van de toorn Gods aan Zijn mensheid dragen en ons de gerechtigheid en het leven verwerven en wedergeven.
Ja, de zonde is op Gode-waardige wijze beweend. Want Jezus weende. Daarom worden de tranen die Gods kinderen om hun zonden schreien in de fles vergaard. Immanuël is voor Zijn bruid in de hel gezonken. Dat kon omdat Hij ook God was. Niet dat daardoor het hellelijden dragelijker werd, maar opdat Hij het onuitsprekelijke hellelijden zou lijden, zou doorlijden.
En dan Hij is de Middelaar van verwerving en toepassing: opdat Hij de gerechtigheid en het leven ons zou kunnen verwerven en wedergeven. Kruis en opstanding beide liggen verankerd in het God-Mens zijn van de Christus. Daarom is de opstanding des Heeren niet maar tot onthulling van Zijn kruis, maar ook tot toepassing van het heil. „Wat nut ons de opstanding van Christus", zo luidt vr. 45; en het antwoord: „Ten eerste heeft Hij door Zijn opstanding de dood overwonnen, opdat Hij ons de gerechtigheid, die Hij door Zijn dood ons verworven had, kon deelachtig maken". Indien Christus niet opgewekt was, zo waren wij nog in onze zonden, belijdt de Kerk met Paulus. Die menen bij het Paasevangelie de kern te moeten pellen uit de bolster der mythe, verwerpen de Middelaar als Middelaar van toepassing. — Alles hangt met alles samen.
De rijkdom van dit Evangelie van Christus de God-Mens heeft de Kerk geleerd te vertolken in worsteling met allerlei dwaalgeesten. Toen ze het niet meer kon ontleden, had ze het. Ze heeft op het concilie van Chalcedon in 451 alleen maar negatief kunnen spreken, maar daarmee heeft ze de Waarheid van dit heilig mysterie op het diepst vertolkt. Ze beleed dat de twee naturen van Christus zó in Zijn persoon verenigd zijn, dat ze zijn onvermengd, onveranderd, ongescheiden en ongedeeld.
Hij is tesamen waarachtig God en waarachtig, rechtvaardig mens. Het positieve van het „hoe" is in Gods hart, in Gods raad; stof tot aanbidding voor Gods Gemeente, niet gegeven voor ontleding.
Toch blijft dit dogma aangevochten, altijd weer. Natuurlijk, anders ware de Kerk niet de strijdende in deze bedeling. Het is nodig en nuttig om het pand te bewaren, ons toebetrouwd. Tot Gods eer en onze troost en zaligheid. Dat niemand onze kroon rove.
Vraagt nu een lezer: Hoe zal ik bekeerd worden, hoe zal ik mijzelf kwijt raken om Christus te leren kennen als mijn Borg, hoe zal ik ooit in Sion komen?, dan zeggen we hem of haar uit naam van Immanuël — met ons God: Door Hém, Die waarachtig en rechtvaardig mens, en, nochtans sterker dan alle schepselen, ook waarachtig God is. Want Hij roept de dingen die niet zijn alsof ze waren. Zie op Hem. Zijn „Ik zal" is sterker dan ons verzet en onze ja-maar s.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 juni 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 juni 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's