Voorgeschiedenis van het Doopformulier III
We laten nu uit Calvijn's Doopsformulier volgen het gebed vóór de bediening van de Heilige Doop.Het is van belang op dit gebed acht te geven. Het gebed is immers niet een pleiten op de onbekende, verborgen wil Gods. Dat kan het gebed ook niet doen. Maar het is een pleiten op datgene, wat God beloofd heeft en in het Evangelie ons verklaard heeft. Daarom willen wij naar dit bidden nauwkeurig luisteren. Want daarin is de „echo" van het Woord van God en van de bekrachtiging ervan door het zichtbare teken en zegel.Het luidt aldus:„Here God, eeuwige en almachtige Vader, daar het U behaagd heeft in Uw oneindige barmhartigheid ons te beloven, dat Gij de God van ons en van onze kinderen zult zijn, bidden wij U, dat het U behage deze genade aan dit kind, verwekt door een vader en moeder, die Gij in Uw kerk geroepen hebt, te bekrachtigen; en gelijk het door ons U wordt aangeboden en gewijd, dat Gij het wilt opnemen in Uw heilige hoede, verklarende, dat Gij zijn God en Zaligmaker zijt in de vergeving der erfzonde, waardoor heel het geslacht van Adam schuldig staat voor U, het vervolgens heiligende door Uw Geest, opdat, wanneer het tot de jaren des onderscheids zal komen, het u kenne en aanbidde als zijn enige God, U verheerlijkende in zijn ganse leven, om altijd vergeving van zijn zonden van U te verkrijgen. En opdat het zodanige genade moge verkrijgen, dat het u behage het in de gemeenschap van onzen Here Jezus in te lijven, om deelgenoot te zijn aan al Zijn goederen, als één van de leden Zijns lichaams. Verhoor ons. Vader der barmhartigheid, dat de Doop, die wij mededelen naar uw bevel, zijn vrucht en kracht voortbrenge, zoals die ons in het Evangelie verklaard is. Onze Vader, enz."In Calvijn's formulier functioneren de 12 Artikelen des Geloofs als samenvatting van de leer, die „door het volk Gods is aangenomen". In de uitgave van 1545 volgt dan een mooie paraphrase (omschrijving) van deze Apostolische Geloofsbelijdenis, waarop de volgende vraag voorgelegd wordt aan degenen, die het kind ten Doop houden: „Belooft gij dus u te benaarstigen het kind te onderrichten in heel deze leer en in het algemeen in al wat vervat is in de Heilige Schrift van Oud en Nieuw Testament, opdat het die ontvange als het gewisse Woord Gods, komende van den hemel? Zult ge het vervolgens aansporen om te leven volgens de regel, die onze Here in Zijn wet gegeven heeft, welke als in een hoofdsom begrepen is in deze beide stukken, dat wij God zullen liefhebben met heel ons gemoed, ons hart en met alle krachten en onze naaste als ons zelf? Evenzo om te leven volgens de vermaningen, die Hij door Zijn profeten en apostelen gegeven heeft. Zijn begeerlijkheden verzakende, tot verheerlijking van de naam van God en van Jezus Christus, en tot stichting van zijn naaste? "Het valt ons op, dat in de onderwijzing van dit formulier meer de nadruk gelegd wordt op de beloften des Verbonds en in deze vraag meer op de geloofsgehoorzaamheid, die van de ouders gevraagd wordt en waartoe ook de kinderen moeten worden opgevoed, maar dan zo, dat de beloften uiteraard de grondslag voor het leven des geloofs vormen en daarom ook voor het leven in de gehoorzaamheid des geloofs. Wie kan immers een huis bouwen zonder fundament?Nog enkele opmerkingen uit Calvijn's Institutie willen we hieraan toevoegen. Calvijn handelt over de Heilige Doop in het vierde boek van zijn Onderwijzing, in de hoofdstukken 15 en 16. In hoofdstuk 15 definieert Calvijn de Doop als een teken der inwijding, waardoor wij tot de gemeenschap der Kerk worden aangenomen, opdat wij, Christus ingelijfd, onder de kinderen Gods zouden gerekend worden. We merken hierbij op, dat Calvijn, als hij spreekt van de gemeenschap der Kerk, niet gaat spreken van een onderscheid tussen de zichtbare en de onzichtbare Kerk. Calvijn heeft ervan geweten, dat tot de kerk naar hare' uitwendige openbaring in deze wereld, vele huichelaars en ongelovigen behoorden. Maar hij is er op uit te voorkomen, dat deze onderscheiding tot een afscheiding zou leiden, 't Is ermede als met de Nederlandse Geloofsbelijdenis; deze begint met in Art. 27 te spreken over de levende kerk Gods, die verenigd is „met hart en wil in één zelfden Geest, door de kracht des geloofs".In Art. 28 zegt de N.G.B, dan, dat een ieder schuldig is zich bij de kerk te voegen en in Art. 29 spreekt zij over de merktekenen van de ware kerk, n.l. de reine predikatie van het Evangelie, de reine bediening der Sacramenten en de handhaving van de kerkelijke tucht. Het is dan duidelijk, dat, zonder nadere aanduiding, de belijdenis voortgeschreden is van het wezen der kerk naar haar openbaring. Ondanks „het gezelschap der hypocrieten, welke in de Kerk onder de garden vermengd zijn, en intussen van de Kerk niet zijn, hoewel zij naar het lichaam in haar zijn", wil onze Geloofsbelijdenis de nauwe samenhang tussen zichtbare en onzichtbare kerk handhaven. Vandaar dat Calvijn dan ook zonder meer spreekt van de gemeenschap der kerk, „opdat wij, Christus ingelijfd, onder de kinderen Gods zouden gerekend worden". Gravemeyer merkt op, dat de oude Gereformeerde geloofsleraren dit allen doen, „doch meestal zonder te verklaren, of dit de uitwendige en zichtbare, dan wel de inwendige en onzichtbare kerk zij. Doorgaans noemen zij slechts in het algemeen de Kerk". Zo doet dus ook Calvijn. Hij spreekt daarbij van de Doop als een verzegeld handschrift, waarmede God ons spreekt van de vergeving der zonden; van onze doding in Christus en van een nieuw leven in Hem; en van het deelgenootschap aan al Zijn goederen. Hij wijst er op, dat de weg, waarin wij ontvangen wat de Here ons in de Doop belooft, het geloof is, al volgt dat geloof soms jaren na de Doop. Dat betekent niet, dat die Doop tot op dat ogenblik ijdel was geweest. „De belofte was waarachtig, maar onze ongelovigheid verhinderde, dat zij hare uitwerking had. Al zijn de mensen leugenachtig en ontrouw, nochtans houdt God niet op waarachtig te zijn".In hoofdstuk 16 gaat Calvijn uitvoerig handelen over de Kinderdoop, die dezelfde belofte bekrachtigt als de besnijdenis, nl. , , de belofte van de vaderlijke gunst Gods, de vergeving der zonden en het eeuwige leven. De kinderen der Joden waren erfgenamen van het Verbond. Daarom omhelsde de Here Jezus de kinderen zeer vriendelijk. Zo worden we ook door de Doop tot Christus geleid. Ook worden de kinderen het lichaam der Kerk ingelijfd en aldus aan de andere leden aangenaam en aanbevolen". Calvijn gaat in op de tegenwerping, dat de kinderen vanwege hun jeugd niet in staat zijn de verborgenheid van de Doop te begrijpen en dat men hen dus voor kinderen van Adam moet houden, tot zij de leeftijd hebben, welke met de tweede geboorte overeenkomt. Calvijn antwoordt, dat men de kinderen op die manier in de dood laat liggen, terwijl Christus daarentegen beveelt hen tot Zich te brengen, omdat Hij het leven is. „Wanneer de Schrift verkondigt, dat allen in Adam sterven, volgt daaruit, dat er geen hoop op leven is dan in Christus alleen (1 Cor. 15:22)". Het niet-dopen van de kleine kinderen zou betekenen hen afscheuren van het lichaam van Christus. We hebben hiermede voldoende getuigenissen van de zeer positieve waardering van Calvijn betreffende dit Sacrament beluisterd.(Wordt vervolgd)C. van der Wal
We laten nu uit Calvijn's Doopsformulier volgen het gebed vóór de bediening van de Heilige Doop.
Het is van belang op dit gebed acht te geven. Het gebed is immers niet een pleiten op de onbekende, verborgen wil Gods. Dat kan het gebed ook niet doen. Maar het is een pleiten op datgene, wat God beloofd heeft en in het Evangelie ons verklaard heeft.
Daarom willen wij naar dit bidden nauwkeurig luisteren. Want daarin is de „echo" van het Woord van God en van de bekrachtiging ervan door het zichtbare teken en zegel.
Het luidt aldus:
„Here God, eeuwige en almachtige Vader, daar het U behaagd heeft in Uw oneindige barmhartigheid ons te beloven, dat Gij de God van ons en van onze kinderen zult zijn, bidden wij U, dat het U behage deze genade aan dit kind, verwekt door een vader en moeder, die Gij in Uw kerk geroepen hebt, te bekrachtigen; en gelijk het door ons U wordt aangeboden en gewijd, dat Gij het wilt opnemen in Uw heilige hoede, verklarende, dat Gij zijn God en Zaligmaker zijt in de vergeving der erfzonde, waardoor heel het geslacht van Adam schuldig staat voor U, het vervolgens heiligende door Uw Geest, opdat, wanneer het tot de jaren des onderscheids zal komen, het u kenne en aanbidde als zijn enige God, U verheerlijkende in zijn ganse leven, om altijd vergeving van zijn zonden van U te verkrijgen. En opdat het zodanige genade moge verkrijgen, dat het u behage het in de gemeenschap van onzen Here Jezus in te lijven, om deelgenoot te zijn aan al Zijn goederen, als één van de leden Zijns lichaams. Verhoor ons. Vader der barmhartigheid, dat de Doop, die wij mededelen naar uw bevel, zijn vrucht en kracht voortbrenge, zoals die ons in het Evangelieyerklaard is. Onze Vader, enz."
In Calvijn's formulier functioneren de 12 Artikelen des Geloofs als samenvatting van de leer, die „door het volk Gods is aangenomen". In de uitgave van 1545 volgt dan een mooie paraphrase (omschrijving) van deze Apostolische Geloofsbelijdenis, waarop de volgende vraag voorgelegd wordt aan degenen, die het kind ten Doop houden: „Belooft gij dus u te benaarstigen het kind te onderrichten in heel deze leer en in het algemeen in al wat vervat is in de Heilige Schrift van Oud en Nieuw Testament, opdat het die ontvange als het gewisse Woord Gods, komende van den hemel? Zult ge het vervolgens aansporen om te leven volgens de regel, die onze Here in Zijn wet gegeven heeft, welke als in een hoofdsom begrepen is in deze beide stukken, dat wij God zullen liefhebben met heel ons gemoed, ons hart en met alle krachten en onze naaste als ons zelf? Evenzo om te leven volgens de vermaningen, die Hij door Zijn profeten en apostelen gegeven heeft. Zijn begeerlijkheden verzakende, tot verheerlijking van de naam van God en van Jezus Christus, en tot stichting van zijn naaste? "
Het valt ons op, dat in de onderwijzing van dit formulier meer de nadruk gelegd wordt op de beloften des Verbonds en in deze vraag meer op de geloofsgehoorzaamheid, die van de ouders gevraagd wordt en waartoe ook de kinderen moeten worden opgevoed, maar dan zo, dat de beloften uiteraard de grondslag voor het leven des geloofs vormen en daarom ook voor het leven in de gehoorzaamheid des geloofs. Wie kan immers een huis boiiwen zonder fundament?
Nog enkele opmerkingen uit Calvijn's Institutie willen we hieraan toevoegen. Calvijn handelt over de Heilige Doop in het vierde boek van zijn Onderwijzing, in de hoofdstukken 15 en 16.
In hoofdstuk 15 definieert Calvijn de Doop als een teken der inwijding, waardoor wij tot de gemeenschap der Kerk worden aangenomen, opdat wij, Christus ingelijfd, onder de kinderen Gods zouden gerekend worden.
We merken hierbij op, dat Calvijn, als hij spreekt van de gemeenschap der Kerk, niet gaat spreken van een onderscheid tussen de zichtbare en de onzichtbare Kerk. Calvijn heeft er van geweten, dat tot de kerk naar hare' uitwendige openbaring in deze wereld, vele huichelaars en ongelovigen behoorden. Maar hij is er op uit te voorkomen, dat deze onderscheiding tot een afscheiding zou leiden, 't Is ermede als met de Nederlandse Geloofsbelijdenis; deze begint met in Art. 27 te spreken over de levende kerk Gods, die verenigd is „met hart en wil in één zelfden Geest, door de kracht des geloofs".
In Art. 28 zegt de N.G.B, dan, dat een ieder schuldig is zich bij de kerk te voegen en in Art. 29 spreekt zij over de merktekenen van de ware kerk, n.l. de reine predikatie van het Evangelie, de reine bediening der Sacramenten en de handhaving van de kerkelijke tucht. Het is dan duidelijk, dat, ' zonder nadere aanduiding, de belijdenis voortgeschreden is van het wezen der kerk naar haar openbaring. Ondanks „het gezelschap der hypocrieten, welke in de Kerk onder de garden vermengd zijn, en intussen van de Kerk niet zijn, hoewel zij naar het lichaam in haar zijn", wil onze Geloofsbelijdenis de nauwe samenhang tussen zichtbare en onzichtbare kerk handhaven.
Vandaar dat Calvijn dan ook zonder meer spreekt van de gemeenschap der kerk, „opdat wij, Christus ingelijfd, onder de kinderen Gods zouden gerekend worden".
Gravemeyer merkt op, dat de oude Gereformeerde geloofsleraren dit allen doen, „doch meestal zonder te verklaren, of dit de uitwendige en zichtbare, dan wel de inwendige en onzichtbare kerk zij. Doorgaans noemen zij slechts in het algemeen de Kerk".
Zo doet dus ook Calvijn. Hij spreekt daarbij van de Doop als een verzegeld handschrift, waarmede God ons spreekt van de vergeving der zonden; van onze doding in Christus en van een nieuw leven in Hem; en van het deelgenootschap aan al Zijn goederen.
Hij wijst er op, dat de weg, waarin wij ontvangen wat de Here ons in de Doop belooft, het geloof is, al volgt dat geloof soms jaren na de Doop. Dat betekent niet, dat die Doop tot op dat ogenblik ijdel was geweest. „De belofte was waarachtig, maar onze ongelovigheid verhinderde, dat zij hare uitwerking had. Al zijn de mensen leugenachtig en ontrouw, nochtans houdt God niet op waarachtig te zijn".
In hoofdstuk 16 gaat Calvijn uitvoerig handelen over de Kinderdoop, die dezelfde belofte bekrachtigt als de besnijdenis, nl. , , de belofte van de vaderlijke gunst Gods, de vergeving der zonden en het eeuwige leven. De kinderen der Joden waren erfgenamen van het Verbond. Daarom omhelsde de Here Jezus de kinderen zeer vriendelijk.
Zo worden we ook door de Doop tot Christus geleid. Ook worden de kinderen het lichaam der Kerk ingelijfd en aldus aan de andere leden aangenaam en aanbevolen". i
Calvijn gaat in op de tegenwerping, dat de kinderen vanwege hun jeugd niet in staat zijn de verborgenheid van de Doop te begrijpen en dat men hen dus voor kinderen van Adam moet houden, tot zij de leeftijd hebben, welke met de tweede geboorte overeenkomt. Calvijn antwoordt, dat men de kinderen op die manier in de dood laat liggen, terwijl Christus daarentegen beveelt hen tot Zich te brengen, omdat Hij het leven is.
„Wanneer de Schrift verkondigt, dat allen in Adam sterven, volgt daaruit, dat er geen hoop op leven is dan in Christus alleen (1 Cor. 15:22)". Het niet-dopen van de kleine kinderen zou betekenen hen afscheuren van het lichaam van Christus.
We hebben hiermede voldoende getuigenissen van de zeer positieve waardering van Calvijn betreffende dit Sacrament beluisterd.
(Wordt vervolgd)
Cv. d.W.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 juni 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 juni 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's