De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De Dordtse Leerregels

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Dordtse Leerregels

8 minuten leestijd

Want God, Die rijk is in barmhartigheid, neemt, naar het onveranderlijk voornemen der verkiezing, de Heilige Geest van de Zijnen, ook zélfs in hun droevig vallen, niet geheel weg, en laat hen zoverre niet vervallen, dat zij van de genade der aanneming en van de staat der rechtvaardigmaking uitvallen, of dat zij zondigen ter dood of tegen de Heilige Geest, en, van Hem geheel verlaten zijnde, zich zelf in het eeuwig verderf storten.

L. VROEGINDEWEIJ

Hoofdstuk V, artikel 6.

De Zijnen.

Voor alle duidelijkheid zoek ik eerst een antwoord op de vraag: Wie zijn het eigendom des Heeren? Artikel 6 zegt: God neemt de Heilige Geest van de Zijnen niet weg. In 2 Timotheüs 2 : 19 komen we deze uitdrukking ook tegen: „Evenwel het vaste fundament Gods staat, hebbende dit zegel: De Heere kent degenen, die de Zijnen zijn; en: Een iegelijk, die de Naam van Christus noemt, sta af van ongerechtigheid". 

Wat is dit vaste fundament? Calvijn en de kanttekenaars denken aan de uitverkiezing. Anderen hebben daar bezwaar tegen. Zij voeren aan, dat Paulus op andere plaatsen met het fundament Christus bedoelt. Daar is Efeze 2:20. De gelovigen uit Efeze heten daar, als medeburgers der heiligen en huisgenoten Gods: „gebouwd op het fundament der apostelen en profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste Hoeksteen". Die Hoeksteen is klaarblijkelijk het voornaamste stuk uit dit fundament. Dit volgt ten overvloede uit vers 21, waar gesteld wordt, dat het hele gebouw op die Hoeksteen — is Christus — rust. Daarnaast staat 1 Corinthe 3:11: „Want niemand kan een ander fundament leggen, dan hetgeen gelegd is, hetwelk is Jezus Christus". Op Hem is de Kerk en ook de enkele gelovige gebouwd d.w.z. Jezus Christus is alles. Wat bij de joden Abraham is, dat is in het Nieuwe Testament Christus. Bij een rabbijn vinden we deze redenering: Als een mens een geweldige balk heeft, waar zal hij die leggen? Toch zeker in het midden van de eetzaal opdat hij de balken voor en achter hem zou dragen. En waarom heeft God dan Abraham in het midden der geslachten geschapen? Opdat hij de geslachten vóór en na hem zou dragen. Een ander zegt: God zocht een fundament en dacht eerst aan Enos' geslacht, daarna aan het geslacht van de zondvloed. Maar hij zag onder hen de goddelozen opstaan, dus waren zij ondeugdelijk. Maar toen zag Hij Abraham, die zou opstaan, en sprak: zie. Ik heb een rots gevonden, waarop ik de wereld bouwen en een grondslag geven kan. De steen uit Ps. 118 VS. 22 wordt ook wel op Abraham uitgelegd. Voor ons geldt: Meer dan Abraham is hier. Ik heb er geen bezwaar tegen in 2 Tim. 2 : 19 aan Christus te denken als het vaste fundament. Dus degenen die door Gods genade altijd bewaard worden zijn de mannen en vrouwen, die in Christus zijn. „Daar is geen verdoemenis — en zij zal er ook nooit zijn — voor degenen die in Christus Jezus zijn" (Rom. 8 : 1). De vastigheid begint echter niet bij het geloof. Op elk christen en op de kerk als de vergadering der ware Christgelovigen staat een zegelafdruk, een waarmerk. De naam van de bouwer staat op deze steen en zijn bedoeling. Dit opschrift luidt: „De Heere kent degenen, die de Zijnen zijn. Letterlijk staat er: kende. De Heere kende reeds in het verleden, d.i. van eeuwigheid, de Zijnen. Deze kennis wordt in Matth. 7 : 23 ontkend.

Het onveranderlijk voornemen.

De zaligheid is een werk Gods, naar het woord uit Rom. 9 : 16: „Zo is het dan niet desgenen die wil, noch desgenen die loopt, maar des ontfermenden Gods". Dat God genade bewijst rust niet in de waardigheid of welke kwaliteit ook van de mens, maar rust geheel in zijn soevereiniteit. Menselijke vastberadenheid of inspanning brengen niet tot de heerlijkheid Gods. Wie vertrouwt op eigen inspanning miskent de vrije genade Gods. Voorts staat er ook geschreven: „zo ontfermt Hij zich dan diens Hij wil, en verhardt dien Hij wil". Als God een mens verhardt is het altijd een zondaar. Het is een gevolg van de zonde eens mensen. Het wonderlijke van de vrije genade is echter, dat God de ene zondaar tot verbrijzeling des harten brengt en de ander overgeeft aan de verharding, zodat hij al meer en al hardnekkiger het zondigen kiest. Als God nu een zondaar bearbeidt door Zijn Geest en met deze bearbeiding doorgaat, niettegenstaande alle tegenwerking van deze mens, is dit een toevallige keuze Gods?

Neen, zegt de Schrift, dat handelen Gods is een gevolg van een voornemen. In Romeinen 9:11 wordt gesproken van een voornemen, dat naar de verkiezing is. Dit kan moeilijk betekenen: een voornemen om verkiezend te werk te gaan. Het is wel zo, dat in dit voornemen God reeds verkiezend te werk gegaan was. Volgens dat voornemen heeft God reeds vóór de geboorte van Ezau en Jacob aan Rebekka medegedeeld, welke verkiezing Hij in Zijn voornemen volvoerd had. Dit is een voornemen, waarvan 2 Tim. 1 : 9 zegt van God: „Die ons heeft zalig gemaakt, en geroepen met een heilige roeping; niet naar onze werken, maar naar Zijn eigen voornemen en genade, die ons gegeven is in Christus Jezus, voor de tijden der eeuwen".

Hieruit volgt, dat die genade gegeven is vóór eeuwige tijden. Gods eigen voornemen had reeds, voor de aanvang der tijden vastgesteld, vóór iemands doen er dus enige invloed op kon uitoefenen, dat Hij het is die „ons" redden en roepen zou. Van dit voornemen geldt nu, wat we lezen in Rom. 11 : 29: „Want de genadegiften en de roeping Gods zijn onberouwelijk"

De Leerregels willen duidelijk maken dat Gods kinderen, die in Christus zijn overgezet, op Gods bewaring kunnen rekenen en aan Gods genade niet behoeven te vertwijfelen, omdat er een onveranderlijk voornemen bij God is.

De genade der aanneming.

In Gods uitverkorenen komt de H. Geest bijzonder werken. De gewone weg is, dat de Geest hen overtuigt van hun geestelijke doodsstaat, van hun afgescheidenheid van God, van het gevaar waarin zij verkeren. Dan schrikken zij. Want de Geest geeft geen koude verstandskennis, maar hij bindt hen een pak op. Zij voelen het gemis van God als een onuitsprekelijke ledigheid, zij voelen zulk een last van zonde en plagen, dat ze het bij tijden haast niet uit kunnen houden. Zij zien de dingen ver­standelijk helder en voelen smart. Hoezeer zij daar ook tegen vechten, dat gaat niet over.

Het wordt hen hoe langer hoe klaarder, dat zij in groot gevaar zijn. Het licht van de Geest dringt al dieper door, zodat deze hoe langer hoe meer zonde en verkeerdheid gaan zien. Daardoor krijgen ze een walg aan zichzelf. En waar een mens altijd wel iets goeds in zichzelf meent te hebben en daarop enig vertrouwen zet, valt nu elk steunsel weg. Z'n goedheid of vroomheid, z'n gebed en ijver wordt zondig in zijn oog. Zo onderschrijft ieder uitverkorene op Gods tijd zijn doodvonnis. De Geest maakt radeloos in onszelf. De drieduizend van Handelingen 2 zijn daar een voorbeeld van en voorts de andere kinderen Gods. Als dan de mens meent, dat hij voor eeuwig om zal komen, vindt de prediking van het evangelie in hem een willig hoorder. Wanneer deze prediking, door de Heilige Geest, aan het hart van de radeloze wordt toegepast, dan ziet hij, dat Christus hem aanneemt, zo goddeloos als hij is. Dat wordt als een openbaring ontvangen. Zo heeft Luther, zo heeft Calvijn (die plotseling het geloof gehoorzaam werd), zo heeft Bunyan, zo hebben zijn figuren Christen en Getrouw en Hoop het gekregen. Zo wordt het geloof in de diepte geboren. De zondaar krijgt te horen, wat de moordenaar op een aparte wijze hoorde: Jezus neemt mij aan, zoals ik ben. Dat is de blijdschap geweest van Zacheüs. Eerst wordt de zondaar afgesneden van alle mogelijkheid om door eigen doen gered te worden. Dan grijpt Christus hem aan door Woord en Geest. Hoe? De mens krijgt een verrukkend gezicht van Christus' uitnemendheid in de spiegel van het Evangelie. Hij ziet Hem als een volle, gepaste en gewillige Zaligmaker, en ontvangt een hart om Hem aan te nemen voor en in de plaats van alles. Zolang Christus Hem niet heeft aangenomen of zolang de overtuigde zondaar geen openbaring daarvan heeft, blijft er een last van schuld op hem liggen en gevoelt hij een onuitsprekelijke ledigheid. Maar als hij weten mag, dat Christus hem heeft aangenomen, neemt hij Christus aan. Dan komt Christus Jezus in hem wonen. De vereniging met Jezus is volkomen. Zonder deze, zegt Calvijn, komt geen genadegave ons ten goede. Deze genade der aanneming wordt nooit geheel weggenomen. De vereniging tussen Christus en zijn leden op aarde is vast en onverbrekelijk. Als de gelovigen Christus moesten vasthouden liep het mis. Maar het is zo, dat Christus de zondaar vastgrijpt en pas daarna de zondaar Christus. Het is als met de moeder, die haar kleine kind opneemt en de armen er omheen slaat. Dan doet het kind dat ook, maar het eigenlijke vasthouden doet moeder.

Dat is de genade der aanneming. En dan gaat de mens over in Christus. Hij laat alles los wat hij vroeger niet missen wilde of wat hij niet loslaten kon. Hij wordt los gemaakt van zonde, wereld en eigen ik. Hij neemt Christus aan, omdat Jezus hem heeft aangenomen. Zo wordt de zondaar in Christus ingeplant door een waar geloof. Het aannemen door de zondaar van Christus rust echter op het aannemen door Christus van de zondaar. En niemand zal ze uit de hand van hun goedertieren Heere rukken.

L. V.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 juli 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

De Dordtse Leerregels

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 juli 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's