De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE PERS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE PERS

13 minuten leestijd

De classicale vergadering.

Ongeveer een jaar geleden behandelde de synode in een van haar vergaderingen een rapport over de gehouden enquête naar het functioneren van de classicale vergaderingen in onze kerk. Dit rapport werd nadien ter kennis gebracht van de kerkeraden en classicale vergaderingen, met de bedoeling dat deze lichamen er hun winst mee zouden doen. In het Hervormd Weekblad „De Gereformeerde Kerk" van 10 en 17 juni wijdt prof. dr. G. P. van Itterzon enkele uitvoerige artikelen aan deze zaak. De Utrechtse Hoogleraar gaat vooral in op een van de conclusies van het breedmoderamen der synode volgens welke het „onvermijdelijk zal zijn, dat bepaalde bestuurlijke- en dienstverlening betreffende zaken aan de provinciale kerkvergadering worden overgedragen''. Prof. v. Itterzon wil gaarne de klachten over 't gebrekkige functioneren van de classicale vergaderingen serieus nemen, maar hij vraagt zich toch af of het aangewezen middel niet erger is dan de kwaal. Hij voert ter adstructie van zijn betoog vergelijkingsmateriaal aan:

Ik weet, dat het doodgevaarlijk is, wat ik nu ga opmerken, maar waarom zouden wij elkaar in de kerk niet eerlijk in de ogen mogen zien? Er zijn kerkeraden, die blijkens de enquête niet alleen classicaal, maar ook breed-kerkelijk beneden het behoorlijke peil zijn. Moeten we deswege de kerkorde gaan wijzigen en de kerkeraden in het algemeen een aantal werkzaamheden en bevoegdheden gaan ontnemen? Dichter bij huis: aan de brede moderamina van de provinciale kerkvergaderingen is het initiatief inzake de leertucht opgedragen. Daar komt geen gemeentelid, geen kerkeraad, geen classis aan te pas: dat is uitsluitend voorbehouden aan de genoemde provinciale moderamina. Een enkele provincie is metterdaad actief geweest. Zuid-Holland weet er alles van. Maar hebben ook de andere provinciale moderamina het opzicht over de Dienst des Woords met ernst zich aangetrokken? Soms lekte uit, dat het tegendeel het geval was en dat in een enkele provincie moeilijkheden onder de tafel terecht kwamen. Soms hoorde de Kerk helemaal niets en moest zij dus aannemen, dat het met de prediking in alle of nagenoeg alle provincies volledig in orde was. Een vraag in dit verband: Als het bij een enquête zou blijven, dat (om met zo'n enquête te spreken) verreweg de grootste meerderheid der provinciale moderamina niet actief zou zijn, maar lauw, loom, ongeïnteresseerd, star en modaliteitsgevoelig, zouden we dan haastig moeten jagen naar kerkordewijziging en een nieuwe reorganisatie? Het mes gaat er nog dieper in. Ook met de provinciale kerkvisitatie is het een moeilijke zaak. In de reglementenkerk (om het eenvoudig en duidelijk te zeggen) hadden de kerkvisitatoren krachtige handen. In de huidige kerkordelijke situatie heeft de visitatie zo weinig effectieve macht, dat ook wanneer persoonlijk of gemeentelijk de zaken scheef liggen, de kerkvisitatie zelf niet bij machte is het euvel te verhelpen of zelfs het kwaad te stuiten. En wat te doen, als de uitspraak van een rechtsprekende commissie niet haastig tot uitvoering wordt gebracht? Ik ken voorbeelden uit de praktijk, waar de kerkelijke schijven langs elkaar heen schuiven zonder enig resultaat. Tot ergernis van de zeer deskundige en wijze kerkvisitatie. Betekent dit, dat we nu de rechten van de kerkvisitatie moeten gaan besnoeien? Of zou juist het omgekeerde gewenst kunnen zijn, dat we in plaats van de werkzaamheden te verkorten die juist gaan uitbreiden? Ik waag het nog een ander voorbeeld te noemen. Ook over de werking van het synodale apparaat is niet ieder enthousiast. Kort geleden vroeg ik, zonder enige bedoeling, aan een synodelid: Hoe vindt u het op de synode vergaderingen? Ik kreeg een antwoord, dat ik niet verwacht had en ik zag werkelijk verbaasd op, toen hij zei: “Vreselijk”. Ik schrok, toen ik het hoorde, want het kwam niet uit de mond van de eerste de beste, maar van één, die bepaald tot de intellectuelen behoort en aan het breed-kerkelijk leven en werken een ruim aandeel heeft. Iemand (om geen misverstand te wekken) die zeker niet tot mijn geestverwanten in engere zin behoort. Nu lagen de bezwaren van deze broeder niet in de persoonlijke sfeer. Geen enkele synodale werker behoeft er een aanleiding in te zien om zich dit oordeel persoonlijk aan te trekken. Integendeel, het was een zakelijk oordeel, omdat ook een kerkelijke vergadering een dergelijke stabiele apparatuur kan hebben gekregen, dat men tegen dit apparaat met al zijn steunberen in raden en commissies, rapporten en verslagen, kortom met zijn hele papierwinkel niet meer op kan. Het is een „business" geworden, een bedrijf, dat voortreffelijk loopt, waar geen speld tussen te krijgen is, maar dat daardoor al te zakelijk en onweerstaanbaar wordt. Wat zal in zulk een vergadering een gewoon lid nog kunnen inbrengen aan wetenschap en wijsheid, als deskundige raden en commissies tezamen met doorgewinterde en in 't vuur beproefde rapporteurs en kerkrechtkenners hun helder licht reeds hebben laten schijnen en letterlijk alle aspecten der zaak al van te voren zijn bekeken? Mijn vraag is dezelfde: zou men ook hierbij de gevolgtrekking moeten maken, dat wij hoognodig aan een reorganisatie toe zijn en dat het onvermijdelijk is, dat bepaalde zaken aan andere lichamenworden overgedragen?

We menen dat deze woorden de moeite van het overwegen overwaard zijn door ieder die het wel en wee van de grondvergaderingen der kerk ter harte gaat. Hoe komt het — zo vraagt van Itterzon zich af — dat de classes zo onvoldoende functioneren onder de nieuwe kerkorde, terwijl de classes onder de reglementen verschillende taken waarnamen, zoals het examineren van de a.s. godsdienstonderwijzers, het tot stand brengen van grenswijzigingen, het houden van opzicht en tucht, de stichting van gemeenten etc?

Uit de gehouden enquête blijkt, dat er nogal wat klachten zijn over de te moeilijke formulering van vele synodale geschriften, met als gevolg dat deze nauwelijks ter sprake komen. Evenzo zijn er klachten en aarzelingen met betrekking tot de verhouding classes-visitatoren-provinciaal, samenwerking en doelmatige werkverdeling tussen classis en provincie.

We geven nogmaals het woord aan prof. V. Itterzon:

Men ziet: alles hangt met alles samen. En het gaat niet aan, om de classes en haar werk geïsoleerd te bezien, alsof daar alleen de fouten en tekortkomingen zouden liggen en nergens elders. Het rapport wekt de indruk, dat de classis en haar werk niet voldoende serieus wordt genomen (dat is althans de opvatting, die in de kerk aanwezig is). Blijkens de kerkelijke wetgeving is er een streven naar episcopalisme, bisschoppelijke centralisatie of hoe men het noemen wil, met veronachtzaming of zelfs geringschatting van wat er leeft in de grondvergaderingen der Kerk. Als deze benaming geen schoon overblijfsel uit een voorbij gegane tijd zal zijn, zullen we de classes weer moeten rehabiliteren en haar een betekenis geven, die in het oog valt. De ervaring leert, dat classicale vergaderingen nog springlevend zijn, als er op begrijpelijke en geestelijke wijze onderwerpen van praktijk, van leertucht, van leer in het algemeen en van oecumene worden aangesneden. De voorbeelden liggen voor het grijpen. Maar als men ter vergadering opgaat in de gedachte, dat het toch boter aan de galg gesmeerd is, dat een classis toch eigenlijk niet meetelt, dat het classicale werk hoe langer hoe meer besnoeid dient te worden, dat met classicale inzichten niet wordt gerekend, komt men vroeg of laat tot de conclusie, dat men zijn tijd veel beter kan besteden met thuis te blijven. Gewoon in de gemeente. Of gewoon met een goed boek.

Enkele jaren geleden moest de gehele kerkorde, die praktisch gereed lag, compleet worden omgewerkt. Het ontwerp ging uit van de grote, centrale gemeenten en daalde af tot de kleinere wijkgemeenten als onderdelen. Dat moest anders worden. De wijkgemeente werd het een en het al en de centrale gemeente was slechts een bundeling van een aantal diverse wijkgemeenten. De leus was: opbouw der gemeente van beneden op. Het schijnt, dat de golfslag nu de andere kant weer uitgaat. Het kleine raakt uit de markt: het gaat om de grotere verbanden, om provinciale en synodale bewerktuiging, om streekgemeenten, om provinciale substructuren (blz. 14). Als we maar acht geven op het gevaar, dat ons besluipt, dat we een voortreffelijke, ingewikkelde organisatie worden, een „besturenkerk" zegt de enquête, maar waarbij in de gewone gemeente en classis het leven en animo wegwijkt. „Het vuur schijnt gedoofd" (blz. 3).

Dat ook deze zaak meer is dan een bestuurlijke of administratieve aangelegenheid laat het slot van het tweede artikel van v. Itterzon ons zien. Ten diepste gaat het om de vraag: Is er nog geestdrift voor de blijde Boodschap? Geestdrift uit de Heilige Geest voor de taak die de Kerk van Christuswege is toevertrouwd?

Wij allen zullen tot onszelf moeten inkeren met de vraag, of er nog geestdrift is voor de blijde Boodschap. Geestdrift uit de Heilige Geest. Is de prediking warm genoeg? Maken we ons in de Kerk niet druk over organisatie. bewerktuiging, prestige, mutatie e.d. en laten we de waarheidsvraag niet al te gemakkelijk liggen? Wordt die niet onder onze gemeenschappelijke organisatorische rompslomp bedolven? We schenken aandacht aan een vernieuwing der liturgie, maar wat komt er (blijkens de klacht van velen) van de vreugdevolle verkondiging van het heil in Christus terecht? Hebben wij het niet dikwijls over het Rijk, dat komt? Het Rijk, niet zijn Koninkrijk, het Rijk van Christus, uw Koninkrijk kome, maar heel neutraal: het Rijk? Een kerk, die op maatschappelijk, sociologisch en politiek terrein wil spreken, maar haar eigenlijke en allereerste Boodschap zou vergeten, kan nog zoveel dokteren aan de verhouding van classis en algemene Kerk, het wordt er niets beter van. En in plaats van te pleiten voor een weer verder voortschrijdende ontkrachting van het classicale leven zou ik willen ijveren (ook met behulp van provincie en synode!) voor een verdieping en verbreding van de taak van de grondvergadering der Kerk.

Het enquêterapport heeft, misschien onbedoeld, maar in elk geval overduidelijk op fouten gewezen, en op onrecht jegens de classes in het algemeen. En moet er kerkordewijziging komen, dan zou ik willen ijveren niet voor een classicale verschraling en verarming, waarbij noch provincie noch synode gebaat zouden zijn, maar voor een verdieping en verbreding ervan met de bede van Pinksteren: Kom, Schepper, Heilige Geest!

Collecteren voor de diaconie?

Nu in verband met de inwerkingtreding van de algemene bijstandswet de steunverlening is overgegaan naar de burgerlijke gemeenten, rijst bij deze en gene weleens de vraag: Is het nog noodzakelijk dat er iedere zondag voor de diaconie gecollecteerd wordt? In „Hervormd Nederland" van 12 juni j.l. gaat P. W. A. de Wit op deze vraag in.

Hij neemt allereerst enkele misverstanden weg. De steun die de overheid biedt via de Algemene Bijstandwet betekent zeker niet het einde van iedere nood. Vaak zal de diaconie in allerlei vorm bijsteun moeten geven. We zouden er aan toe willen voegen dat wanneer er sprake is van nood, — ook geldelijke nood, — een diaconie deze krachtens haar roeping en opdracht anders zal benaderen dan een burgerlijke instantie. Maar al te veel is de diaconale taak versmald tot „armverzorging", zonder dat duidelijk werd dat achter het diaconale werk de dienst staat van de grote Diakonos, Jezus Christus. De gemakkelijke en lichtvaardige wijze waarop vaak gesproken wordt over het diakenambt, het feit dat ook vele trouwe meelevende gemeenteleden het diakenambt toch in feite een stuk lager zien dan de andere ambten, spreekt in dit opzicht maar al te duidelijke taal.

Voorts wijst De Wit er op dat de diaconieën juist in deze tijd opening van zaken moeten geven. Als er in een gemeente weinig besef is van de noodzaak van de diaconiecollecte dan zou dit wel eens te wijten kunnen zijn aan een bepaalde „kerkelijke geheimzinnigheid" waardoor de gemeente als een onmondig kind buiten alle zaken gehouden werd. Laat men open en eerlijk met cijfers voor de dag komen. Dan kan de gemeente zich overtuigen en tevens zien waar het geld gegeven in de diaconiecollecten blijft. De Wit geeft een voorbeeld uit het diaconieverslag van een grote gemeente.

Wij hebben ook eens gebladerd in het verslag van de diaconie van een onzer grote gemeenten. Hier brengen de gewone collecten en giften per jaar ongeveer ƒ 150.000, — op. Op de begroting voor 1965 staat voor ondersteumingen: ƒ 45.000, —. Voor een aantal andere onderdelen van het werk ƒ 203.000, —. Dat betreft het maatschap­pelijk werk, de gezinsverzorging, ongehuwde moeders, ziekenhuiswerk, vakanties voor bejaarden, invaliden enz.; het werk van de geestelijke volksgezondheid, opleidingen enz. Voor weer andere zaken nog eens ruim een ton. Totaal: ƒ 350.000, —. Gelukkig heeft deze diaconie bezittingen (slinkende bezittingen overigens) en fondsen voor bijzondere doeleinden. Hieruit kwam het afgelopen jaar aan de bejaardenzorg ƒ 29.000, — en aan de eigen kinderbeschermingsinstellingen ƒ 68.000, — ten goede.

Wie de cijfers van zo'n diaconie objectief bekijkt bemerkt pas hoeveel er wordt gedaan en ziet ook dat er jaarlijks grote nadelige saldi zijn. Wil deze diaconie blijven doen wat gedaan moet worden, dan zal de gemeente ook bereid zijn tot een regelmatig offer.

Om het verhaal niet al te droog te maken, wil ik niet meer cijfers noemen. Ik hoop dat deze enkele voorbeelden — die met vele waren aan te vullen — illustratief genoeg zijn om als antwoord te dienen aan hen die zich afvragen of het collecteren voor de diaconie tegenwoordig nog wel nodig is.

Het is tenslotte een goede zaak dat de diaconieën in eerste instantie trachten via de offerande in de eredienst de nodige gelden te verkrijgen. Juist de diaconie heeft op dit punt „oude papieren". Reeds in de eerste christelijke gemeenten was de offerande voor de „diaconie" essentieel. De gerichtheid op de ander en de dienst aan de wereld geven aan de gemeenschap rond Woord en Sacrament richting en perspectief. Dat geldt ook voor 1965, dat geldt misschien nog sterker voor de komende jaren.

Wij menen dat het goed is als ambtsdragers en gemeenteleden hier aandacht aan schenken. In een tijd van subsidiëring, overheidszorg, allerlei vormen van barmhartigheidsbetoon, zal het er voor de diaconieën om gaan dat men het eigenlijke van haar taak duidelijk maakt. Maar al te vaak wordt het stoffelijke gescheiden van het geestelijke en wordt het zo voorgesteld als zou de diaconie alleen maar te maken hebben met stoffelijke zaken. We menen dat heel deze onderscheiding allerlei gevaren in zich bergt. Men kan het leven niet opdelen in een stoffelijke en een geestelijke sector.

En de barmhartigheid die onze diaconieën mogen bewijzen in opdracht van Jezus Christus aan hen die Hij op haar weg plaatst, aan de mensen dichtbij en aan de „verre naasten" ligt op een geheel ander vlak dan de hulp die uit allerlei humanitaire overwegingen geboden worden. Want de diaconale taak der Kerk heeft alles te maken met de boodschap van het Evangelie, met de prediking van Kruis en opstanding, met het Woord van Hem, Die in de wereld gekomen is om zondaren te verlossen naar ziel en lichaam.

 

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 juli 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE PERS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 juli 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's