DE STROOM DES LEVENS (2)
Daarna bracht hij mij weder tot de deur des Huizes en zie daar vloten wateren uit van onder de dorpel des Huizes . . .; in de zee uitgebracht zijnde zo worden de wateren gezond. Ezechiël 47 : 1—12.
Waar komen die wateren, de levensstroom des Geestes, vandaan? Van onder de dorpel van het huis des Heren en van onder het altaar.
In dit opzicht is er een merkwaardig verschil tussen het visioen, dat God aan Ezechiël toonde in de dagen der ballingschap en het visioen dat God aan Johannes op Patmos gaf, Openbaring 22. Daar ziet ook Johannes de stroom des levens, die van God afdaalt naar Zijn volk, maar daar vloeit deze voort uit de troon van God en van het Lam. Johannes ziet dus de oorsprong in de hemel bij de troon Gods; Ezechiël ziet niet de eeuwige oorsprong, maar om zo te zeggen, de oorsprong in de tijd hier op aarde.
Dit ingrijpend verschil is hieruit te verklaren, dat Johannes ziet de heerlijkheid van het eeuwige leven, zoals het in de volmaaktheid zal zijn. Daar is geen tempel meer, want de Here, de Almachtige God is haar tempel en het Lam. Die stad behoeft het licht der zon en van de maan niet, want de heerlijkheid Gods verlicht ze en het Lam is haar kaars. Openbaring 21 : 22, 23. Ezechiël ziet niet de heerlijkheid der volkomenheid, maar de genadebediening van Gods Geest in de tijd en voor de kerk hier op aarde is de fontein des levens ook op aarde te vinden.
Een huis dient om te bewonen. Waartoe dient het huis des Heren? Dat is ook een huis om te bewonen. Daar wil God wonen onder Zijn volk. Het huis Gods, dus de tempel te Jeruzalem, was niet slechts een zichtbaar symbool van Gods wonen onder Zijn volk, maar ook de plaats waar God daadwerkelijk wilde wonen met Zijn genade en Geest.
De stroom des levens, de stroom dus van de Geest, Die levend maakt, stroomt vanuit het huis des Heren, dus vanuit Zijn verbond, vanuit Zijn wonen onder Zijn volk. Laat de eeuwige oorsprong in dè hemel liggen, voor ons is het leven te vinden hier op aarde in het huis, in de verbondsopenbaring des Heren.
Op schone wijze heeft Paulus deze zelfde gedachte uitgesproken in Romeinen 10 : 5—11. Daar beschrijft hij de heerlijkheid van de rechtvaardigheid. diewij door het geloof ontvangen en ons in het Evangelie geopenbaard en aangeboden wordt. Hier wordt de mens niet aan het werk gezet, hier wordt hem gewezen de weg des geloofs in Christus: „Maar de rechtvaardigheid, die uit het geloof is, spreekt aldus: Zeg niet in uw hart: Wie zal in de hemel opklimmen? Dat is Christus van boven afbrengen. Of: Wie zal in de afgrond nederdalen? Dat is Christus uit de doden opbrengen. Maar wat zegt zij? Nabij u is het woord, in uw mond en in uw hart. Dit is het woord des geloofs hetwelk wij prediken: namelijk indien gij met uw mond zult belijden den Here Jezus en met uw hart geloven, dat hem God uit de doden heeft opgewekt, zo zult gij zalig worden".
Als u het moeilijk hebt en het geloof onbereikbaar acht, lees dan dat Schriftgedeelte eens net zo lang tot u de bevrijdende zin mag duidelijk worden. Zeg niet in uw hart: „Ach, het is onbereikbaar hoog of het is onmogelijk diep en zwaar te verkrijgen". Dat is Christus' kruis teniet doen en het Evangelie krachteloos maken. Nabij u is het Woord, het Woord waarin u het heil in Christus verkondigd wordt, alleen door het geloof in Zijn offerande! Zo ziet ook Ezechiël het: Gods heil is te vinden in Zijn huis, in Zijn verbond, in Zijn inzettingen. Daar openbaart God zich. Daar wil Hij heil uitgieten onder Zijn volk; van onder het altaar, dat is vanuit het kruis.
Toen ik dit Schriftgedeelte al grotendeels bestudeerd had sloeg ik tenslotte ook even de Kanttekeningen van onze Statenvertaling op, om te zien hoe die deze stroom des levens uit de tempel verklaarden. En voor de zoveelste maal trof het mij, hoe Bijbels gezond die verklaring is. Daar proef je weer uit, dat men in de tijd van de Kanttekenaren nog leefde uit de heldere schatten van de Reformatie. Want hoe zien zij die stroom van levend water? Zij omschrijven het als volgt: (deze wateren beelden af) „de gezonde en zaligmakende leer van het Evangelie met de overvloedige gaven van de Heilige Geest onder het Nieuwe Testament". Dus het duidt aan de gaven des Geestes in de tijd van het Nieuwe Testament en die gave komt tot ons in de „gezonde en zaligmakende leer van het Evangelie".
Dit is waard er grondig bij stil te staan. De Heilige Geest komt niet op ons neervallen zomaar vanuit de hemel, die komt tot ons en over ons in de verkondiging van „de gezonde en zuivere leer van het Evangelie". In het Evangelie maakt God ons de weg des levens bekend, maar door dat Evangelie deelt God ons ook de gaven des levens mede. In het Evangelie hebben wij te maken met het Woord des levens; door dat Evangelie schenkt God ons het geloof en het leven. Woord en Geest zijn zo nauw verbonden, dat zij in hun werking tot één worden.
De stroom des Geestes stroomt dus de wereld in door de verkondiging van de gezonde en zaligmakende leer des Evangelies. Zo zien wij dat de Godsopenbaring aan Ezechiël aansluit en voortbouwt op hetgeen de Here reeds door Jesaja verkondigd had: „In het laatste der dagen" — dat is in de laatste periode der heilsgeschiedenis: de tijd tussen hemelvaart en wederkomst — „zullen de volkeren opgaan naar Jeruzalem en zeggen: „Komt laat ons opgaan tot de berg des Heren, tot het huis van de God Jacobs, opdat Hij ons lere van Zijne wegen en dat wij wandelen in Zijne paden, want uit Sion zal de wet uitgaan en des HEREN Woord uit Jeruzalem", Jesaja 2 : 1—3. Vergelijk dezK profetie met de voorzeggingen uit Ezechiël 47 en gij zult zien: deze twee zijn één. Uit Jeruzalem, uit Gods woning, uit Gods verbondshandelen met Zijn volk, zal een stroom des levens, een stroom van kennis en genade door de Heilige Geest uitstromen in deze wereld. En overal waar dit water komen zal en haar werking zal doen, daar zal het leven. Daar wordt de dood en de vloek teniet gedaan. Zie het maar aan de wateren van de Dode Zee; zij werden gezond!
Maar Ezechiël was geen toeschouwer. De Here gebood hem om door dat water heen te gaan. ledere keer mat de engel des Heren vijfhonderd ellen en deed Ezechiël weer door de wateren doorgaan. En de wateren raakten tot aan zijn enkelen; daarna tot aan de knieën; daarna tot aan de lendenen of heupen; daarna werden zij zo diep, dat hij geen grond meer voelde en moest zwemmen. Wij moeten ook geen toeschouwers zijn, geen praat-christenen, maar christenen, die de waarheid verstaan en doorleven: oordeel en genade, schuld en vrijspraak. Ons natuurlijke mens-zijn moet geoordeeld worden en het leven in Christus moet in ons geopenbaard worden.
Die volheid kan niet in één keer gekend worden. De volheid der genade wordt niet in één keer uitgegoten en bovendien niet aan allen in gelijke mate. De geloofsnood kan uitgroeien tot geloofshoop, de geloofshoop tot geloofsvertrouwen, het geloofsvertrouwen tot geloofszekerheid, ja het kan zo vol worden, dat gij geen woorden en geen gedachten meer hebt om dat te bevatten, dat God naar zondaren omziet, naar zondaren zoals gij en ik. Wonderlijk, ondoorgrondelijk, eeuwig te prijzen. Toen het voor de apostelen Pinksteren was, toen zwommen zij ook in deze stroom. Zij werden vervuld met de Heilige Geest. Zij hadden geen beschouwing over de Geest, zij hadden geen hoopvol uitzien naar die Geest, neen de Geest overstroomde hen. Zij hadden de Geest, neen veel meer: de Geest had hen! Gelijk een blad dat valt van de boom. Valt het door zichzelven, dan valt het naar beneden, maar komt een windvlaag, de wind neemt het blad mee en draagt het door zijn kracht. Zo draagt de Geest het leven. Niet ongestadig als de wind, maar gestadig en standvastig in de wegen van het Woord.
Het begon klein in de wereld, die stroom daar uit Jeruzalem: twaalf apostelen werden uitgezonden en de stroom gaat verder tot aan de einden der aarde. Het begon klein in Nederland, namelijk door de prediking van een paar mannen als Willebrord en Bonifatius, maar de stroom is ons gehele volk doorgegaan. Ondanks onze tegenwoordige ontkerstening en afval is het Evangelie doorgedrongen, verworpen maar ook geloofd, tot in de verste uithoeken van ons vaderland. Het begon klein in het leven van Lydia (Handelingen 16 : 14) maar het nam haar tenslotte geheel in beslag, zodat haar leven vervuld werd met de zaligmakende kennis en de liefde van Christus. Het begint klein in onze harten: een zondaar wordt ontdekt aan zijn schuld en nood en leert vragen naar Gods heil in Christus, maar het wordt een stroom, waar men in zwemmen moet, een stroom, die haar volheid bereiken zal voor de troon Gods en des Lams, Openbaring 22, waar God zal zijn alles en in allen.
Gode zij dank voor Zijn onuitsprekelijke genade.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 juli 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 juli 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's