De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

J. A. Wormser Sr. (1807-1862)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

J. A. Wormser Sr. (1807-1862)

Het reveil 34

7 minuten leestijd

HET RÉVEIL 34

II.

Overgang tot de Afscheiding.

Wij mogen veronderstellen, dat Wormser's besluit om Hervormd te worden niet zonder rijpe overweging is genomen. Hij vond dat hij in de Vaderlandse Kerk thuis hoorde, zij had de liefde van zijn hart. Dat veranderde niet, toen de Afscheiding begon. Wormser was niet voor Afscheiding. Hij begreep dat op deze wijze de oplossing van het kerkelijk vraagstuk niet kon worden gevonden. Zijn overgang van Luthers naar Hervormd zullen we ook zó moeten zien, dat hij gereformeerd wilde zijn. Zijn leven lang heeft hij niet anders gedaan dan oproepen tot gemeenschap der gelovigen op grond van de gereformeerde belijdenis.

Als de Afscheiding doorzet, kan Wormser echter niet werkeloos blijven toezien. Op 27 juli 1836 voegen hij en zijn vrouw zich bij de Afgescheidenen. Over de oorzaken, die hem tot deze daad brachten, spreekt hij enkele keren in zijn brieven aan Groen. Hij bleef zich er altijd bewust van, dat hij eigenlijk in de Hervormde Kerk thuishoorde en veel kritiek had op de opvattingen der Afgescheidenen. In zijn eerste brief aan Groen lezen wij: „Vóór mijne Afscheiding van het Hervormde Kerkgenootschap, zag ik in de Afscheiding een gebrek, dat later bij de toenemende vervolging en de behoefte om daartegen te getuigen, meer uit mijn oog verdween, maar dat spoedig weder door mij opgemerkt werd: een niet genoegzaam beseffen van de noodzakelijkheid op de vereeniging der geloovigen meer aan te dringen, dan eene afscheiding, zoo als die heeft plaats gehad". En in een van zijn laatste brieven brengt Wormser de zaak nog eens weer ter sprake: „Wij zijn vooral door de vervolging van de afgescheidenen in onze stad tot de afscheiding genoopt; wij wilden niet met de vervolgers gerekend worden. Anders wisten wij toen reeds, en latere ondervinding heeft het ons verder duchtig geleerd, dat afscheiding geenerlei kerkelijk, en vooral geenerlei geestelijk voordeel oplevert. Alles komt aan op de gave van den Heiligen Geest door den Heer, en die kan in de Hervormde kerk evenzeer als in de afscheiding beleden worden; — men kan zichzelven door afscheiding niet helpen; afscheiding neemt de wrijving weg en leidt tot onvruchtbaarheid".

Wormser werd in de Afgescheiden gemeente geen papieren lid. Van het begin af aan was hij bezig met de opbouw der gemeente. Hij schrijft daarover aan Groen: „Sedert mijn Afscheiding van het Hervormd Kerkgenootschap in 1836 ben ik voortdurend werkzaam geweest aan de Godsdienstige opleiding der kinderen; vroeger had ik als ouderling eene cathechisatie van ongeveer 60, thans, sedert de verdeeldheid, die hier bestaat, van ongeveer 25 kinderen". Zelfs moet hij hl deze tijd gerekend worden tot de voormannen van de gemeente. De Amsterdamse commissaris van politie, die toezicht moet houden op de activiteiten van de „separatisten" en daarover rapport uitbrengt aan de burgemeester, schrijft dat Wormser's huis in de Lange Leidsedwarsstraat bij de Kruisstraat, één van de plaatsen is, waar „. . . de Separatisten, te beginnen met aanstaande Zondag, voornemens zijn om voortaan met twintigtallen te vergaderen . . . ." Dat was dus een soort van huis-dienst. Wormser hield ook bijbel- en studiekringen, waar de Gereformeerde belijdenisgeschriften werden besproken. Met zijn vrienden had hij een leeskring waarin men onderling belangrijke geschriften, ook buitenlandse, las. In verband daarmee vroeg hij dikwijls het advies van Groen. De bedoeling was, om zelf goed op de hoogte te blijven en de verworven inzichten op zijn beurt weer door te geven en publiek te maken.

Dat laatste brengt ons bij het begin van Wormser's, laten we zeggen, journalistieke arbeid. Het was intussen wel journalistiek van een heel bepaald karakter. Wormser was namelijk medewerker geworden aan het tijdschrift „De Reformatie", dat in 1836 begon te verschijnen. Oorspronkelijk was het bedoeld als een tijdschrift van de Christelijke Afgescheiden Gemeente, en het zou worden geredigeerd door een commissie, bestaande uit de predikanten H. P. Scholte, H. de Cock en A. Brummelkamp. Maar van het begin af aan liep het er op uit, dat Scholte het alleen moest doen. Zo werd het een „tijdschrift voor de Christelijke Gereformeerde Kerk in Nederland". Waarschijnlijk is de redactie nooit groter geweest dan drie leden: H. P. Scholte, mr. A. M. C. van Hall en J. A. Wormser. Hier vinden we Van Hall terug, nu niet als Wormser's patroon, maar als een vriend en broeder en medewerker — helaas maar kort: hij overleed reeds op 15 augustus 1838. Het eerste artikel van Wormser verscheen al zeer spoedig na zijn overgang tot de Afscheiding, in het 2e nummer van de Eerste Jaargang: „Iets over de rede, beschouwd in betrekking tot de godsdienst in het algemeen". In De Reformatie heeft Wormser in de tien jaren van het bestaan van dit tijdschrift 65 artikelen geplaatst. Daarbij komen dan nog vele kleine berichten, voornamelijk over de vervolgingen te Amsterdam, 't Is moeilijk uit te maken welke artikelen van zijn hand zijn, daar ze vaak, als de mening van de hele redactie, niet ondertekend waren. We noemen enkele titels.: Iets over het vragen naar de oude paden en over de verzetting van oude palen”. „Over den heimelijken afkeer van sommige geloovigen van Gods Woord". „Over den afkeer van reformatiën naar Gods Woord"; „Iets over het twijfelen in tegenoverstelling van gelooven"; „Opwekking tot aanneming der dordsche kerkeördening'.

Bij de meer en meer openbaar komende spanningen tussen de vaders der Afscheiding stond Wormser aan de kant van Scholte. Zo bijvoorbeeld in de strijd over verbond en doop. Wormser keerde zich bovenal tegen het drijven van ds. S. van Velzen om in Amsterdam, waar de gemeente door Scholte was gesticht, zich als predikant op te dringen en er de lakens uit te delen. Behalve dat hij bezwaren had tegen het eigenmachtige optreden van Van Velzen, die zich niet stoorde aan enige kerkorde, vond hij de prediking die deze bracht niet heilzaam voor de gemeente. Van Velzen preekte voornamelijk hoe de zondaar niet zalig wordt. Wormser zegt ervan: „Men gevoelt het gemis van leven in de prediking; maar kan dezelve nergens pakken, omdat alsdan het regtzinnige geraamte in handen komt". Velen klaagden hierover tegen Wormser en zijn vrienden. Deze gaf de raad dat zij er zelf met Van Velzen over zouden spreken. Maar wie dit waagde, verging het slecht. Van Velzen gaf niets toe. Verweet integendeel de klagers onrechtzinnigheid en waarschuwde de volgende zondag vanaf de kansel tegen zulke onrechtzinnigen. Deze gewoonte van Van Velzen, om zijn tegenstanders consequent als vijanden van de waarheid en de gereformeerde leer voor te stellen, kon bij Wormser en zijn vrienden alleen maar verbittering wekken. „Het is geenszins de weg om wezentlijke stichting en godzaligheid te bevorderen. Er is een groot onderscheid of men aan de mensen Christus predikt, of dat men slechts Zijnen naam gebruikt om zichzelven te prediken", zegt Wormser terecht. Het liep er op uit, dat de Amsterdamse kerkeraad onder leiding van Van Velzen de gemeenschap met de kerkeraad van Utrecht en met Scholte opzegde. Wormser en zijn vrienden, de ouderling Budde en de diaken Lijsen, protesteerden omdat zij niemand onverhoord wilden veroordelen. Daarop werden zij zelf geschorst! Dat was op 3 januari 1840.

Wormser was het slachtoffer geworden van de rivaliteit tussen Van Velzen en Scholte. Toch was hij geen kritiekloos aanhanger van de laatstgenoemde. Hij had een zeer juiste kijk op diens karakter. Hij schreef daarover in De Reformatie: „Wij werpen ons niet op om ds. Scholte in al zijne handelingen te verdedigen. In afzonderlijke gesprekken met Z.Ed., zoowel als in de vergaderingen der opzieners, hebben wij meermalen onzen wensch te kennen gegeven, dat zijn gaven en persoonlijke hoedanigheden, door de betooning van meerdere zachtmoedigheid, bedaardheid en voorzigtigheid, tot wezentlijken zegen en opbouwing van het volk des Heeren mogten verstrekken. Zozeer als iemand betreuren wij in Z.Eerw. gebrek aan bezadigdheid en langmoedigheid omtrent zwakken en verkeerden. Maar nimmer wenschen wij door ons stilzwijgen medepligtig te worden aan zijne miskenning, wanneer wij zien dat hij tot loon van zijne menigvuldige moeiten, belangelooze werkzaamheden en opofferingen van allerlei aard, ten doel gesteld wordt aan de uitwerkselen eener zwagerschap, wier gevoeligheid is opgewekt, doordien hij in een oogenblik van voortvarendheid, bij het aantasten van wezentlijke verkeerdheden, minder door voorzigtigheid, dan wel door opregtheid is bestuurd geworden".

Op den duur kwam Wormser toch steeds meer los van Scholte's dogmatische en kerkrechtelijke inzichten. Daartoe zal ongetwijfeld hebben bijgedragen Wormser's studie en kritische zin. Wij weten b.v. dat hij de werken van Calvijn zeer hoog achtte en ijverig bestudeerde. Met Scholte's kritiek op de Gereformeerde Belijdenisgeschriften, kon Wormser onmogelijk instemmen.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 juli 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

J. A. Wormser Sr. (1807-1862)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 juli 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's