De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De uittocht 1

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De uittocht 1

8 minuten leestijd

„En het geschiedde na vele dezer, dagen, als de koning van Egypte gestorven was, dat de kinderen Israels zuchtten en schreeuwden over de dienst; en hun gekrijt over hun dienst kwam op tot God". Ex.2 : 23.

Er wordt in onze vaderlandse geschiedenis geen bevrijding vermeld, die te vergelijken valt met de uittocht van het volk Israël uit Egypte. Eigenlijk begint Israëls geschiedenis met dit heuglijke feit, heel het volksbestaan wordt in deze bevrijding geboren. Daarom werd dit wonder Gods van geslacht tot geslacht herdacht, de ouders vertelden het aan de kinderen, het stond diep in hun aller herinnering geprent. Heel het Oude Testament is er vol van, de wet, de profeten, de psalmen. Er is later een heel Bijbelboek naar genoemd. Exodus betekent immers uittocht.

Israëls geschiedenis is een eigenaardige geschiedenis. Die eigen aard ligt niet in de lotgevallen van het volk, maar in de openbaring van de Naam des Heeren. Het is openbaringsgeschiedenis. God heeft daarin zijn Naam uitgeschreven: Wie Hij is en wat Hij doet. Hij heeft dat aan het begin met grote en duidelijke letters gedaan: Ik ben de Heere, uw God, Die u uit Egypteland, uit het diensthuis uitgeleid heb. De geschiedenis van Israël, is als het wateroppervlak, dat, nu eens effen en dan weer rimpelig, de openbaring Gods weerspiegelt. Dat maakt haar zo boeiend; wij leren er God uit kennen, de God en Vader van onze Heere Jezus Christus, in Wien zijn openbaring vlees en bloed aannam.

De uittocht mag een geboorte genoemd worden, zij kondigt zich aan door kramp en pijn, de weeën zijn begonnen. Zo worden ons de noden en angsten geschilderd, waarin de kinderen Israëls verkeren. Zij waren naar Egypte gekomen, omdat daar voedsel was, land voor hun vee, toekomst voor hun kinderen. Nu zitten ze in Egypte als ratten in de val. De aanvankelijk zo welwillende stemming is omgeslagen, de Egyptenaren, zijn net cipiers, bars en wreed voor hun gevangenen. Het had zich zo voltrokken als de Heere aan Abraham bekend gemaakt had: Uw zaad zal vreemd zijn in een land, dat het hunne niet is. Dat was de eerste tijd, zij werden als vreemdelingen beschermd. En zij zullen hen dienen, vervolgde de Heere. Zij werden tot dienstbaarheid gebracht, binnen redelijke grenzen. En zij zullen hen verdrukken! Zo ver is het nu gekomen. Recht is er voor hen niet te verkrijgen, de macht wordt misbruikt tot hun ondergang.

Waarin hun dienst bestaat? Zij moeten herendiensten verrichten, een mooi woord voor slavenwerk. Ziet u ze bezig? Zij kneden de taaie nijlmodder, vermengen die met zand en kort gehakt stro, en leggen dat dan in de zon te drogen, tot het tichelstenen zijn geworden. Die stenen verwerken zij in de tempels, de paleizen, de steden, die in Egypte gebouwd werden tot meerdere eer van de Farao. Droeg iedere steen niet het stempel van zijn naam? Wat deerde het hem, dat zijn slaven er uitgeput bij neervielen en als vliegen stierven. Er konden er niet genoeg sterven; dat volk van vreemdelingen mocht eens te talrijk en te sterk worden. Neemt het nog steeds in aantal toe, dan vaardigt de Farao het bevel uit, om de pasgeboren jongens in de rivier te verdrinken. Denkt u zich dat alles in, dan hebt u een indruk van de smartelijke omstandigheden, waarin de Israëlieten hun bestaan rekten, zonder uitzicht.

Want het duurt maar voort. Gebeurt er dan nooit eens iets, dat de hoop doet opvlammen? Misschien wel. De koning van Egypte, de Farao sterft. De heer van opper en neder Egypte, die als een God op aarde werd afgebeeld en aangebeden gaat de weg van alle vlees. De dood spaart ook hem niet, dat mag de Egyptenaren te denken geven. Breken er nu andere tijden aan voor de Israëlieten? Zal zijn opvolger hen menselijker en milder behandelen? Menigeen heeft het gehoopt. Maar ook de opvolger zet de oude vernietigingspolitiek voort. De kinderen Israëls moeten uitgebuit worden, desnoods uitgeroeid. En weer buigen zich hun magere lijven, om leem te kneden en stro te zoeken en lasten te dragen en ... slagen in ont­ vangst te nemen. De opzichters hebben de zweep in de hand.

Ieder verzet wordt zodoende in de kiem gesmoord. De weerstand van het volk wordt murw gebeukt, hun verwachting ruw verscheurd. Verwachting? Dit volk heeft geen toekomst meer, omdat er voor hen geen uitkomst is. Schone verhalen doen onder hen de ronde, verhalen van de aartsvaders. Abraham, Izaäk en Jacob. Soms flitsen de beloften Gods als verschietende sterren langs de nachtelijke hemel: Het land, de zegen, het zaad! En Jozefs doodkist is nog in hun midden, hij wilde toch niet hier begraven worden, omdat God Zijn volk zeker bezoeken zou, en hen zou doen wederkeren naar Kanaän. Maar wat doen ze daarmee, nu de dienst zwaarder wordt, en de heren harder? De werkelijkheid vloekt tegen al die verhalen in.

Wanneer u goed luistert, hoort u wat; hoort u dat het leed en dat de nood een stem hebben. Een zwakke stem, maar toch een stem. Zuchten noemt deze tekst het: dat de kinderen Israëls zuchtten. Dat is een soort ademhaling, maar vanuit een beklemde borstkas. Woorden ontbreken, het zuchten is welsprekend. Het verraadt hun moedeloosheid. Het breekt wel eens uit in schreeuwen. Iemand kan het niet meer verkroppen, hij schreeuwt het uit. Een schreeuw, die overal zijn echo vindt. Zuchten en schreeuwen, krijten en kermen, zo wordt eraan toegevoegd. Kreunen en steunen. Allemaal werkwoorden, die ons iets laten vermoeden van hun benarde toestand, van hun bange nood. Een volk in slavernij. Wanneer zal het avond zijn, wanneer wordt het morgen. Een dof gemompel en gemopper vaart door de rijen van de dwangarbeiders. Een stem, die gesmoord wordt, door de strenge maatregelen van hun meesters, maar die niet tot zwijgen te brengen is.

Dan, ineens, klinkt het hoog op. De stem schiet uit tot een noodkreet, een hulpgeroep: En het gekrijt over hun dienst kwam op tot God. Het zuchten en het schreeuwen wordt een roepen, een roepen tot God. Nu herinneren de kinderen Israëls zich, dat zij kinderen Israëls zijn. Kinderen van de man, die in de stikdonkere nacht, worstelde met God. Kinderen van een vader, die zich vorstelijk gedroeg, toen hij als een smekeling volhield op hoop tegen hoop. Kinderen over wie de zegen van de God Israëls nog van kracht was. Het geslacht dergenen, die naar God vragen, die Zijn aangezicht zoeken. Waren ze dat dan vergeten, zo vraagt u. Ik vrees van wel. Aanvankelijk hadden zij zich zo goed thuis gevoeld in het land Gosen, terwijl zij er toch niet thuishoorden. Zij hadden de belofte Gods ingeruild voor de leeftocht in dit vreemde land. Wat hadden ze 't er goed! Ze dienden er zelfs de afgoden, zij droomden hun godvergeten dromen. En toen ze door de hardvochtigheid van de Egyptenaren uit de droom geholpen werden, was hun klagen nog een horizontaal klagen geweest. Er zat geen beweging naar boven in.

Dat gold, goddank, niet van allen. Er was onder dit volk een kern, die hun hoop op God stelden, die dat nog deden in het hachelijkst lot. Zij vormden echter een minderheid, zoals zo vaak. Zij kunnen er de beweging naar boven niet inbrengen. Dat doet de Heere! Het horizontale klagen wordt een verticaal klagen: tot God. Dat maakt een ontzaglijk verschil. Hebt u de kachel wel eens aangemaakt, terwijl de schoorsteen niet trok? Dan trekt de rook door alle reten en kieren, langs de vloer, uw kamer ziet er weldra blauw van. Zo is het met ons klagen, het wil niet weg, het maakt ons benauwd, tot stikkens toe benauwd. Ginds, op het land, steekt iemand een hoop aardappelloof aan. De wind, slaat de rook neer, zodat die traag over de velden kruipt. Plotseling komt de wind er onder, wat laag over het land hing, trekt op, kringelt omhoog. Dat gebeurt hier. Wat neersloeg, vindt een weg naar boven. Tot God.

Hier neemt de ellende een keer, hier kondigt de verlossing zich aan! Hoe bevrijdend is het gebed, het gebed tot God. Niemand merkt het nog, maar waar wij ons in waarheid tot God wenden, daar breekt de benauwdheid, daar wordt een poort geopend in de gevangenis. Nood leert bidden. Dat is slechts ten dele het geval. God leert bidden in de nood. Er gaat een andere wind waaien, de wind van de Geest der gebeden. Waait de wind uit die hoek, dan stijgt het gebed omhoog. Want God werkt altijd op God aan, dat bent u toch ook wel eens gewaar geworden.

Een stem, en nu een adres. Een klacht met een adres, is heel wat anders dan een klacht die nergens heen en aan niemand gericht is. Zo'n klacht komt nergens aan, men kan met al zijn nood bij niemand terecht. Tot Gód. Farao, die god op aarde, wil niet helpen. Er is nog een God in de hemel. De God van Abraham, Izaäk en Jacob. Op U hebben onze vaderen vertrouwd, zij hebben vertrouwd en Gij hebt hen uitgeholpen; tot U hebben zij geroepen en zijn uitgered.

O, dat bevrijdende: tot God. De klacht blijft niet bevangen in eigen machteloosheid, maar wordt bevrijd in de ruimte van de almacht Gods. Weet u, waarmee de uittocht begint? Met de doortocht van het gebed, met die beweging naar boven, die geen vijanden verhinderen kunnen. Wanneer zij eenmaal gaande gemaakt is, gaat zij rechtdoor tot God. Tot God, bij Wien de uitkomsten zijn tegen de dood.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 juli 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

De uittocht 1

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 juli 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's