De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE PERS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE PERS

13 minuten leestijd

Het ongeziene voetspoor in Israels geschiedenis.

In de kerkelijke pers komen regelmatig allerlei vragen met betrekking tot Israël ter sprake. Dat kan en mag ook niet anders. De God en Vader van onze Heere Jezus Christus is de God van Israël. De heilsdaden door Hem aan Israël verricht vormen ook voor de gemeente van vandaag een bron van troost en perspectief. Over deze heilsdaden spreekt dr. M. Boertien in een fraai artikel in het blad „In de Waagschaal" van 26 juni j.l. De schrijver wijst erop hoe er in het huidige Israël een grote belangstelling bestaat voor het oude verhaal van Gods grote daden: de redding van het volk uit Egyptische slavernij, en al wat daarmee samenhangt. Die belangstelling voor het verleden komt o.a. tot uiting in de aandacht, waarmee men de resultaten van de opgravingen volgt. Deze aandacht voor het verleden hangt samen met het feit dat men te midden van allerlei onzekerheden tot nieuwe zekerheid wil komen door bezinning op de geschiedenis. Dr. Boertien schrijft in dit verband:

Velen die geen zekerheid kunnen vinden in de overgeleverde godsdienst, pogen tot een nieuwe zekerheid te komen door bezinning op de geschiedenis. Soms leidt dit tot een „geloof" in de geschiedenis van Israël. In de plaats van het geloof in de levende, zich openbarende God, treedt dan het geloof in het geloof van de voorgeslachten. Dit is een zeer bedenkelijk verschijnsel, dat thans zowel Joden als Christenen bedreigt. In bepaalde sectoren van de christelijke theologie verschijnen immers boeken over de „theologie van het O.T." of die van het N.T., waarin het geloof van oud-Israël of het geloof van de oude christenheid de maatstaf wordt voor de waarheid. De Godsopenbaring wordt dan vervangen door de menselijke reactie op die openbaring, het geloof. Het gevolg daarvan is, dat de theologie, de leer van God, ontaardt in antropologie, de leer van de mens.

We menen dat de auteur hier zeer terecht de vinger legt bij een veelvoorkomend verschijnsel. De verwisseling van openbaring en geloof doet ons verzanden in een heilloos subjectivisme, waarin voor de prediking van de heilsfeiten als dat wat objectief buiten ons en zonder ons, en nochtans vóór ons geschied is, geen plaats meer is.

Dr. Boertien wijst erop hoe juist daar waar men geen houvast meer vindt in de traditionele vormen van de godsdienst der vaderen, men op zoek is naar nieuwe zekerheden. Terwijl op de Israëlische orthodox-joodse scholen 't O.T. tegelijk met de klassiek-joodse commentaren bestudeerd wordt, vormt het O.T. op de niet-godsdienstige staatsscholen een bron van geschiedenis. Men kent daar als nieuw studievak het vak: Joods bewustzijn. Door vertellingen over beroemde rabbi's, godsdienstwijsgeren etc. probeert men de schooljeugd de betekenis van het jood-zijn bij te brengen.

Echter de vraag blijft klemmen: Waar kwam het geloof van deze rabbi's vandaan en waaruit leefden zij. Dr. Boertien herinnert aan Psalm 77. Daar gedenkt de dichter de daden van ouds. Wanneer hij dit doet ontmoet hij niet het „religieuze genie van Israël, maar Hem, Die. Zijn volk leidde". Het gaat in Israëls geschiedenis niet om de prestaties van de voorgeslachten, maar om het verkiezend handelen van de God van Israël. Zo alleen behoort het O.T. gelezen te worden. Zo kan het ook een bron van troost zijn. Dr. Boertien besluit zijn artikel met de behartigenswaardige woorden die ook ons als Chr. Kerk veel te zeggen hebben:

Niet van religieuze verering van de voorvaderen, maar van de ontmoeting leeft het geloof. Van de ontmoeting met Hem die het geloof schept door Zijn grote daden.

„Ik zou u niet zoeken als Gij mij niet reeds gevonden had", schreef Augustinus. God geve, dat de vele jonge, zoekende mensen, in Nederland en in Israël, dezelfde ontdekking zullen doen die Augustinus eens deed. Dan zal, ook hier in Israël, de grote wending komen, wonderlijk als de opstanding uit de doden. Israëls geschiedenis wijst erop, dat zó Gods weg is. Die geschiedenis vindt haar hoogtepunt in dat wat de God van Israël deed in het kruis en de opstanding van Jezus Christus. Hardnekkiger dan Hij heeft niemand ons liefgehad. In Israël vieren wij het paasfeest te midden van mensen die door vele onzekerheden en bedreigingen gaan, en pogen, nieuwe zekerheden te vinden in een bezinning op het verleden. Moge deze bezinning ertoe leiden, dat zij Hem ontmoeten die in de geschiedenis van Israël gisteren en heden dezelfde is.

Wanneer de volkeren der wereld met de „uitgeleiden des HEEREN" in aanraking komen, zien zij slechts een volk. Van de voetstappen, die dit volk begeleiden, hebben zij geen weet. Het volk zelf echter heeft telkens opnieuw Hem ontmoet wiens voetstappen niet worden gekend. Wie waarlijk paasfeest viert, spreekt niet meer als de volkeren, die de „voetstappen van Gods gezalfde smaden" (Ps. 89 : 52), maar laat zich leiden door het levende Woord van Hem die Zijn volk leidt. Zijn eeuwig rijk tegemoet.

Gebrek aan blijdschap.

Hoe komt het dat in het leven van velen die zich christen noemen de blijdschap zo weinig doorstraalt? Op die vraag gaat ds. J. H. Velema in, in het nummer van 2 juli van het orgaan der chr. geref. kerken „De Wekker". Hij somt verschillende factoren op, die dit gebrek aan blijdschap moeten verklaren. Daar zijn de volksaard en de karaktertrekken van elk mens. Daar zijn de tijdsomstandigheden en de levensgang van de mensen. Maar bijbels bezien is de voornaamste factor nog niet genoemd. Bepalend is namelijk onze verhouding tegenover God en Zijn Woord. De tijdsomstandigheden en de levensgang zijn niet minder factoren van betekenis, maar ook deze zijn, bijbels gezien, niet doorslaggevend.

Bepalend is uiteindelijk hoe een mens staat tegenover God en Zijn Evangelie. Het kan niet ontkend worden dat nu andere factoren aan bod komen: factoren buiten ons en factoren in ons.

Wat de factoren buiten ons betreft - de mogelijkheid bestaat dat we een verwrongen kijk hebben op God, Die de bron van vreugde is, dankzij allerlei voorstellingen, die ons bewust of onbewust, uit allerlei achtergronden zijn bijgebracht.

We kunnen van de God des Verbonds een harde voorstelling hebben alsof Hij in wezen een souverein Despoot is. Die grillig met mensenzielen en mensentoekomst omgaat. We kunnen menen dat het tot de ware dienst van God behoort in klagen door onze dagen te gaan; in sombere ernst het leven te bezien en voor te stellen; de mogelijkheid tot zalig worden praktisch als een loterijkwestie te beschouwen. In dit klimaat zal er van geen echte blijdschap sprake zijn. Trouwens ook daar niet, waar deze voorstellingen misschien wel vierkant worden afgewezen, maar waar een andere hardheid beheersend is geworden: de hardheid van de wet; de verduistering van het Evangelie van vrije genade. Als de zweep van de wet gelegd wordt over de mensen, worden op de een of andere manier fanatiekelingen gekweekt. Er zijn heel wat verbonds-, bevindings- en kerkfanatiekelingen, die nooit de echte blijdschap zullen vinden. Alleen Gods genade maakt blijde mensen. Want die genade maakt vrij, brengt tot overgave en doet beantwoorden aan onze bestemming.

Overal waar zo de godsdienstige opvoeding is gegeven, waar zo de kinderen geestelijk worden „gebakerd", komt een karikatuur-opvatting het leven beheersen; deze opvatting snijdt er diep in, heeft een taai leven en richt veel geestelijke schade aan, ontrooft de blijdschap.

Er zijn ook factoren bij onszelf, die dit gebrek aan blijdschap kunnen verklaren. Wie innerlijk niet recht staat tegenover God, ook al geeft hij uiterlijk de indruk en heeft hij de naam dat het wèl zo is, zal geen ware blijdschap kennen.

Dit alles verdient terdege onze aandacht. Velema stelt niet alleen de diagnose. Hij wijst ook de therapie aan: Een radicale en dagelijkse bekering tot God, een bekering over de hele linie van ons leven. En hij wijst daarbij ook op de prediking. Terecht, naar ons voorkomt. De echte blijdschap is vrucht van Gods Geest, niet van onze geforceerde pogingen. Die wetenschap zal ons ervoor bewaren een bepaalde stemming aan te kweken. Er is het gevaar van geforceerde blijdschap. Maar laat ons niet vergeten dat Gods Geest het geloof — en dus ook de geloofsblijdschap werkt door de prediking van het Woord. Wanneer wij een gebrek aan blijdschap constateren, dan komt deze constatering terstond tot ons terug in de vorm van een vraag: Wordt de bron van alle blijdschap, de vergevende genade Gods in Christus voor verloren zondaars wel voldoende aangewezen en aangeprezen. Ook hier is prediking naar de Schrift een eerste eis.

De Gereformeerde gezindte.

Al mogen we dankbaar zijn over het groeiend contact binnen de geref. gezindte, we moeten anderzijds onze ogen niet sluiten voor het feit, dat de verschillende kerken soms gevaarlijk ver uit elkander gegroeid zijn. Het blad „Waarheid en eenheid" signaleert dit verschijnsel b.v. ten aanzien van de Gereformeerde Kerken en de Geref. gemeenten. Naar we menen niet ten onrechte. We wijzen ter illustratie op de felle kritiek van ds. Rijksen van Rotterdam in het orgaan der Geref. Gemeente „De Saambinder" (van donderdag 1 juli j.l.) op de geruchtmakende toespraak van zijn gereformeerde naamgenoot ds. G. W. Rijksen, gehouden op de jubileumconferentie van de Chr. Sportunie naar aanleiding van de sport en de zondag. Zoals u wellicht weet heeft deze gereformeerde predikant daar een lans gebroken voor de sport als deel der liturgie op de zondag. Onder het opschrift „Is dat ook nog gereformeerd? " schrijft de hoofdredacteur van „De Saambinder":

Moeten wij onze ogen niet uitwrijven, bij het lezen hiervan? Gaat zulk een beweren, en dat door een gereformeerd predikant, niet alle perken te buiten? Blijft bij zulk een verdediging van de sport nog iets over voor de handhaving van de inzettingen en rechten des Heeren? Is dit niet een terugkeer tot het heidendom in z.g. christelijke vorm en in flagrante strijd met de heilige eis des Heeren: „Wees dan volmaakt, gelijk uw Vader in de hemel volmaakt is"? Wordt door zó te spreken als ds. R. deed, Gods heilig Woord niet op de meest vleselijke wijze verdraaid en verminkt? Werd Israël niet zwaar gestraft omdat ze de heidense afgodendienst met alle vermaak, dat daaraan verbonden was, aankleefden en weigerden deze te verlaten? Moesten de profeten niet optreden met het oordeel Gods aan te kondigen tegen het goddeloze volk dat wel trouw hun offeranden bracht in de tempel en de feesten des Heeren onderhield, doch tegelijk het hart verpandde aan de vleselijke afgodendienst in allerlei vorm? Denk eens aan Achaz, hoe het oordeel Gods hem vervolgde en deed verzinken, toen hij het altaar des Heeren opzij zette voor het altaar van de god van Damaskus! Hoe benadrukt Paulus in het Nieuwe Testament niet het ontvluchten van de dienst des vleses, met ziel en lichaam, uitroepende: „Stelt uw lichamen tot een levende, heilige en God welbehagelijke offerande, welke is uw redelijke godsdienst. En wordt deze wereld niet gelijkvormig, maar wordt veranderd door de vernieuwing uws gemoeds, opdat gij moogt beproeven welke de goede en welbehagelijke en volmaakte wil van God zij". Rom. 12 vs. 1, 2. Ook getuigde hij: „Stelt uw leden niet der zonde tot wapens der ongerechtigheid, maar stelt uzelf Gode, als uit de doden levend geworden zijnde, en stelt uw leden Gode tot wapens der gerechtigheid", Rom. 6 : 13. Zou dat op het sportveld zijn? Moet het geen heiligschennis genoemd worden, het „heilig spelen Gods", waarvan in Spreuken 8 gehandeld wordt, als voorbeeld te durven stellen voor het verdorven ijdel spelen in sport en spel van het van God zich losgescheurd hebbende schepsel? Het gaat ons in dit verband niet om de vragen rondom de sport als zodanig.

Ook wij zijn met „De Saambinder" van mening dat wie de sport als deel van de liturgie wil zien, als een beleven van de christelijke vrijheid, deze vrijheid tot wel erg in het horizontale vlak trekt en bovendien de zondagsviering en de samenkomsten der gemeente op een gevaarlijke wijze laat beheersen door het spelmoment. Dat ds. Rijksen hier vanuit de Schrift bezwaar tegen heeft, laat zich verstaan. Wel rees bij lezing van zijn felle kritiek bij ons de vraag of hij zijn geref. collega in elk opzicht recht deed en of hij uit diens uitspraken niet meer haalde dan deze bedoeld heeft. Het is bovendien nogal gevaarlijk om voor een kritische beschouwing af te gaan op een dagbladverslag. Maar het bovenstaande vormt o.i. wel een bewijs dat de Geref. Kerken en de Geref. gemeenten ver uit elkaar gegroeid zijn. En het geldt niet alleen die twee kerkformaties. Opdat dit niet verder voortga is contact meer dan ooit geboden. Tenslotte is daar het Woord van God en de reformatorische belijdenis, die ons samen moeten binden, die ook een basis moeten vormen voor een open en eerlijk gesprek over de verschilpunten. 

In dit verband nemen we graag over wat ds. J. Overduin in een recensie van het boek van ds. Kersten, Meer dan overwinnaars hierover opmerkte. Ds. Overduin schreef dit in het „Centraal weekblad" en „Waarheid en Eenheid" (van 2 juli) nam dit over:

Ik heb deze dingen eens duidelijk geschreven, niet omdat ik „een vijand van Gods volk" ben, die de bevindelijke waarheid gram is, maar omdat ik deze bevindelijkheid en dit practicale niet bevindelijk en practicaal genoeg vind. Het is te weinig concreet, het is tijdloos en situatieloos. De verontrusting om het oordeel Gods te ontvlieden krijgt geen voldoende inhoud. De ellendekennis blijft te algemeen en wordt niet doorzichtig gemaakt. De verlossing door Christus blijft beperkt tot de vergeving van de schuld der zonde, maar het breken van de macht der zonde komt niet in het zicht.

Wanneer wij als gereformeerde gezindte elkaar een dienst willen bewijzen, dan moeten wij in alle duidelijkheid en liefde elkander terechtwijzen. Wij doen het tegelijk in ootmoed, omdat de oppervlakkigheid en wereldgelijkvormigheid in andere vormen ook bij ons te vinden zijn.

Wanneer men echter een beoordeling van dit boek van ds. G. H. Kersten vraagt, moet ik dit zo eerlijk mogelijk doen en mij er niet van afmaken met enkele algemeenheden. Gode zij dank zijn er bemoedigende symptomen in de ontwikkeling van de Gereformeerde Gemeenten te zien. Daar komt meer zicht op het volle evangelie, meer openheid naar de wereld, meer honger en dorst naar concrete antwoorden op de vragen van onze tijd. Ik denk vooral aan de sympathieke studentenorganisatie „Wapenveld" uit deze kringen. Telkens wanneer ik met deze jongelui contact heb, zeg ik bij mezelf en tot anderen: van hen kunnen onze studenten nog heel wat leren. We nemen dit niet over vanwege de recensie op zichzelf. Maar om u te laten zien hoe over en weer dringende en principiële vragen gesteld worden. Vragen van leer en leven. Van geloofspraktijk en levensstijl. Daarbij treft ons de sympathieke toon van de Veenendaalse predikant. „Elkander terechtwijzen in duidelijkheid en liefde". Dan blijft de kritiek niet achterwege, maar ze gaat gepaard met respect en liefde, met de bedoeling elkander vast te houden. Wij mogen elkander niet bij voorbaat afschrijven. Wij mogen zeker niet elkander lichtelijk en onverhoord veroordelen. Wij hebben als geref. gezindte de dure roeping dicht bij het Woord te blijven en vanuit dat Woord onze eigen inzichten en elkanders inzichten te beoordelen. Zo alleen zal de geref. gezindte tot zegen kunnen zijn in het geheel van het kerkelijk leven. Onder het geleide en onder de heerschappij van Gods Woord en Geest.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 juli 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE PERS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 juli 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's