De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

J. A. Wormser Sr. (1807-1862)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

J. A. Wormser Sr. (1807-1862)

HET REVEIL

8 minuten leestijd

HET RÉVEIL 35

III.

De animo om meerdere artikelen aan De Reformatie te leveren werd bij Wormser dan ook gedurig minder. Te meer daar Scholte hoe langer hoe vaker zijn eigen geliefkoosde ideeën in de vorm van artikelen publiceerde. Zo vinden wij een groot deel van de laatste jaargangen gevuld met onderzoek van de profeten met het oog op de wederkomst van Christus, waarin Scholte sterk leefde. Op 27 dec. 1845 schreef Wormser aan Groen: „het wordt tijd dat De Reformatie worde vervangen. Vooral de laatste nommers zijn mij slecht bevallen en ik heb daarover aan ds. Scholte onbewimpeld geschreven. De inhoud van die nommers heeft mij ook meer bereid gemaakt om, hoewel ik mij de bezwaren daaraan verbonden niet ontveins, te beproeven of wij de Belijdenisschriften der Gereformeerde kerk niet tot grondslag onzer vergaderingen kunnen leggen. De overeenstemming der geloovigen op de waarheid is een grote zegen, vol zalving en verkwikking, en ik kan ds. Scholte noch iemand anders het regt toekennen om voortdurend en herhaaldelijk in de gemoederen eene soort van spanning te verwekken, die in den grond niets anders is dan disharmonie met vleselijk vernuft omkleed. Mijne ziel verlangt naar de rustige overeenstemming der kinderen Gods, gebouwd op het fondament der waarheid tegenover de wereld, en ik ben zeer moede de herhaalde nietige vitterijen, welke De Reformatie zich omtrent de leer der Gereformeerde kerk veroorlooft". Onder „vitterijen" zal Wormser verstaan hebben uitdrukkingen als: „degenen, die zeggen de regtzinnige leer vast te houden en zich daartoe met angstvalligheid hechten aan de vroegere gedenkstukken der Nederlandsche kerken Men zegt wel over het algemeen, overtuigd te zijn, dat de belijdenisschriften der kerk overeenkomstig zijn met Gods Woord; doch indien men werkelijk die overtuiging had, dan zou men tegenover de kettersche menschen zich evengoed kunnen verweren met dat Woord".

Maar vooral zal Wormser het oog gehad hebben op de bewering van Scholte, dat de „publieke geschriften der Gereformeerde kerk" en met name de Heidelbergsche Catechismus, den mensch in zijn „oorspronkelijken staat en natuur" te hoog verheffen en de erfschuld verkeerd verstaan.

TUSSEN TWEE KERKEN.

Wormser spreekt in de hiervoor aangehaalde brief over „onze vergaderingen". Hij bedoelt de bijeenkomsten van zijn vriendenkring, waaraan ook door leden van de Hervormde kerk werd deelgenomen. Want werkeloos zijn, dat was er voor Wormser niet bij. Heel kenmerkend schrijft hij in zijn eerste brief aan Groen: „De tweespalt in de Amsterdamsche gemeente, heeft mij, zonder het te willen, in veelzijdige gelegenheid gesteld, om onderscheidene mijner vroegere overdenkingen in praktijk te brengen. Ten gevolge dier tweespalt, hebben wij vereeniging van geloovigen op den voorgrond gesteld; zoodat hier thans een kring van geloovigen bestaat, waarvan niemand tot Afscheiding gehouden is. De Gereformeerde Belijdenisschriften liggen ten grondslag, maar voor het overige is ieder voor zich Hervormd of Afgescheiden genaamd. Deze leden worden bestuurd, — maar zoo, dat het besturen bestaat in voorgaan en leiden. Bij hen openbaart zich Christelijke werkzaamheid en deelneming aan alles, wat zulks eenigszins verdient; er is eene ongedwongenheid in bewegingen, die tevens door gehele overeenstemming, liefde en vrede gekenmerkt wordt. Verre weg de meeste leden behooren tot den ambachtsstand; en nogtans wordt in al de behoeften der armen rijkelijk voorzien. Onze kas is altoos bijna, maar nooit geheel ledig. Bovendien ontwikkelt zich te midden van hen, door het gedurig en uitsluitend gebruik des Bijbels in alle zamenkomsten, en door het onderzoeken van de beste wetenschappelijke werken in hunne huizen, en het rondgaan van alle belangrijke brochures, eene zuivere en welgegronde kennis der waarheid, die men anders bij geloovigen uit mindere standen zelden aantreft". (1 jan. 1843). Een welhaast ideaal konventikel! De leiding van de vergadering berustte veelal bij Wormser, die bijzondere gaven bezat, ook voor een heldere, leerzame, eenvoudige uitlegging der Heilige Schrift, getuige zijn artikelen in De Reformatie.

Wormser en zijn vrienden voelden wel, dat hun kring, bij alle goeds, toch iets zeer wezenlijks miste. Zij begeerden de Dienst des Woords en de bediening van de Sacramenten, maar daarmee zat men dan ook midden in de moeilijkheden. Sommige dienaren des Woords van Afgescheiden gemeenten (anderen werden niet bereid gevonden!) preekten daarom zo nu en dan voor de kring en bedienden ook de Doop en het Heilig Avondmaal.

·       Op 23 maart 1844 schreef Wormser aan Groen: „Onze Vereeniging in Amsterdam neemt steeds toe in leden, door de aansluiting (zonder Afscheiding) van Hervormden. Wij hebben in de laatste weken ook het genoegen gehad, dat eenige bij ons bekende geloovigen, meer aanzienlijk naar de wereld, onze eenvoudige Godsdienstoefeningen kwamen bijwonen, ten einde belangstellend te onderzoeken hoedanig bij ons de stand van zaken is. Zij hebben ons, ten gevolge hiervan, te kennen gegeven, dat wij, ingeval wij ondersteuning van onze armen behoefden, gerust bij hen konden aankloppen. Dit is echter tot dusverre onnodig, daar onze vrienden het in waarheid met den dienst des Heeren meenen. Doch ons lokaal, het huis van een der onzen, wordt meer en meer te klein, en ik heb daarom dankzeggend geantwoord met de vraag: of wij, zoo wij uit eigen middelenreen deftig kerkgebouw aanschaffen, en met hunne medewerking, een predikant beroepen, om het Evangelie, zonder onderscheid van Secten, doch waarlijk het Evangelie van onzen Heer, te verkondigen, evenzeer op hunne ondersteuning van dien openbaren dienst, tot stichting van alle geloovigen van welken naam ook, en tot uitbreiding van Gods Koninkrijk konden rekenen? — Men moest zich op die vraag bedenken". Groen's antwoord is terughoudend. Hij acht Wormser's plannen in hun wijze van uitvoering speculatief, hoewel hij de goede bedoeling waardeert. „Ik vat ook nog niet regt", zo schrijft hij, „welke eigenlijk de relatie tot de kerk wezen zou". Wormser schreef daarop het volgende: „Ik ben gansch niet los van hetgeen men nationale kerk, nationale scholen, instellingen en karakter noemt. De herinnering aan het geen God in Zijn genade, in ons land gedaan heeft, en aan de openbare instellingen, die tengevolge daarvan zich gevormd hebben en ontstaan zijn, heeft voor mij steeds veel dierbaars en aantrekkelijks. En toch zie ik twee zaken, die mijne opmerkzaamheid trekken en mij voorzigtig doen zijn. De Heer werkt krachtdadig ter verlevendiging van Zijne geloovigen, en er hebben vele bekeeringen plaats; doch alle pogingen om goede oude instellingen weder te reformeren en in het leven te roepen, breken glad af. De Afscheiding kon het standpunt om de oude nationale Gereformeerde kerk te vertegenwoordigen niet houden. Het lag, wat de diepte der zaak betreft, niet aan de Afgescheidenen; want ook de geloovigen, die in de Hervormde kerk gebleven zijn, kunnen, zelfs om geringe zaken, niet tot eenheid komen. En toch is er leven, beweging, werkzaamheid allerwege en in alles. Ten einde geen nieuwe wijn in oude ledere zakken te doen, komt het mij eenvoudig voor, dat ieder geloovige, uit aanmerking van zijn personelen pligt, moet beginnen daarnaar te handelen; gemeenschap der heiligen is daarvan het dadelijke gevolg. Afziende van de herstelling van oude instellingen, wordt de zaak eenvoudiger en geleidelijker; de weg duidelijker; het geloof helderder, en het gemoed meer verruimd in de onnaspeurlijke wegen des Heeren; die naar het mij toeschijnt, de leden van zijn ligchaam, en daardoor het geheel in dezen tijd van crisis, tot meer individuele vastheid en zelfstandigheid ontwikkelt, door ons de gedaante der Godzaligheid, die de vorige instellingen zoo gemakkelijk konden bewaren, te ontnemen".

Wilde Wormser tóch een nieuwe afscheiding? Zelf zegt hij daarover: „Geen Afscheiding waardoor men zijn regten afstaat en zich van de Kerk verwijdert, — maar tijdelijke afzondering, waardoor men bij de Kerk blijft en op handhaving van zijne regten aandringt, . . — Thans strijden de Afgescheidenen meer tegen de Hervormde Kerk, dan tegen verkeerdheden; dit moet ophou­ den, en men behoort weder tot het besef te komen dat (ik spreek als Afgescheidene) de Afscheiding een noodzakelijk KWAAD is geweest; dat dit kwaad moet ophouden, en hersteld worden, zodra er verbetering komt in de Hervormde Kerk".

Indertijd hadden Wormser en zijn vrienden het Adres aan de Koning tot aanvrage van erkenning van de Amsterdamse gemeente dan ook niet getekend. Op 30 aug. 1844 schreef hij aan Groen: “Ik kan mij geen bevel van den Heer herinneren, dat ook slechts van verre, aanleiding zou geven om aan de Regering te vragen, of de Kerk van Christus er zijn mag, of om de Overheid te verzoeken dat de geloovigen hunne onderlinge bijeenkomsten mogen waarnemen. Integendeel, op vele plaatsen dringt de Heer aan, om hen, die de magt hebben het Iigchaam te doden, niet te vreezen in de belijdenis zijns Naams, om zich zijner niet te schamen. Zoo de Christenen openbaar maken en te kennen geven, dat zij er zijn, en zoo zij openbaar vergaderen, staat het aan de Regering, op haar eigen risico, hen te vervolgen of hen te beschermen".

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 juli 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

J. A. Wormser Sr. (1807-1862)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 juli 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's