De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De Dordtse Leerregels

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Dordtse Leerregels

DE ONVERGEEFLIJKE ZONDE.

7 minuten leestijd

Want God, Die rijk is in barmhartigheid, neemt, naar het onveranderlijk voornemen der verkiezing, de Heilige Geest van de Zijnen, ook zelfs in hun droevig vallen, niet geheel weg, en laat hen zoverre niet vervallen, dat zij van de genade der aanneming of van de staat der rechtvaardigmaking uitvallen of dat zij zondigen ter dood of tegen de Heilige Geest, en, van Hem geheel verlaten zijnde, zichzelf in het eeuwige verderf storten.

L. VROEGINDEWEIj

Hoofdstuk V.

Artikel 6.

DE ONVERGEEFLIJKE ZONDE.

In Mattheüs 12 : 31, 32 lezen we: „Daarom zeg Ik u: Alle zonde en lastering zal de mensen vergeven worden; maar de lastering tegen de Geest zal de mensen niet vergeven worden. En zo wie enig woord gesproken zal hebben tegen de Zoon des mensen, het zal hem vergeven worden; maar zo wie tegen de Heilige Geest zal gesproken hebben, het zal hem niet vergeven worden, noch in deze eeuw, noch in de toekomende".

Marcus 3 : 28, 29 waarschuwt tegen deze zonde met de woorden: „Voorwaar Ik zeg u, dat al de zonden de kinderen der mensen zullen vergeven worden, en allerlei lasteringen, waarmee zij zullen gelasterd hebben, maar zo wie gelasterd zal hebben tegen de Heilige Geest, die heeft geen vergeving in der eeuwigheid, maar hij is schuldig des eeuwigen oordeels".

Van dezelfde zonde wordt verder niet alleen in Lucas 12 : 10 gesproken, doch ook in 1 Joh. 5 : 16: „Indien iemand zijn broeder ziet zondigen een zonde niet tot de dood, die zal God bidden en Hij zal hem het leven geven, degenen, zeg ik, die zondigen niet tot de dood. Er is een zonde tot de dood; voor dezelve zonde zeg ik niet, dat hij zal bidden".

Voorts is daar Hebr. 10 : 26—29 : „Want zo wij willens zondigen, nadat wij de kennis der waarheid ontvangen hebben, zo blijft er geen slachtoffer meer over voor de zonden Hoeveel te zwaarder straf, meent gij, zal hij waardig geacht worden, die de Zoon van God vertreden heeft, en het bloed des testaments onrein geacht heeft, waardoor hij geheiligd was, en de Geest der genade smaadheid heeft aangedaan".

Dan is er nog Hebr. 6 : 4—6 : „Want het is onmogelijk, degenen, die eens verlicht zijn geweest, en de hemelse gave gesmaakt hebben, en des Heiligen Geestes deelachtig geworden zijn. En gesmaakt hebben het goede Woord Gods, en de krachten der toekomende eeuw. En afvallig worden, die, zeg ik, wederom te vernieuwen tot bekering, als welke zichzelf de Zoon van God we­derom kruisigen en openlijk te schande maken".

In Mattheüs, Marcus en Lucas wordt een duidelijk onderscheid gemaakt tussen de zonde tegen de Zoon des mensen en de zonde tegen de Geest. In Hebreeën wordt wel over de Geest Gods gesproken, doch niet een bepaald onderscheid gemaakt met de zonde tegen de Christus.

WELKE ZONDE IS NIET BEDOELD?

Reeds menigeen is door de angst bevangen geworden dat hij of zij de zonde tegen de H. Geest had bedreven. Bij sommigen ging dat zo ver, dat zij stellig overtuigd waren voor eeuwig buiten de zaligheid gesloten te zijn. Maar als men probeert te omschrijven, waarin deze zonde bestaat, raakt men vast. Is het een speciale zonde, een uit de vele overtredingen, die wij allen kennen? In de Heidelberger staat bij de uitleg van het derde gebod, dat er geen groter zonde is, noch die God meer vertoornt, dan de lastering van Zijn Naam. Voor sommigen was deze zonde de aanleiding, dat zij vreesden tegen de Geest Gods gezondigd te hebben. Het gebeurt immers wel, dat de vloeken en godslasteringen met zo'n kracht in de mens opkomen, dat hij door de overmacht daarvan verschrikt wordt. Het lijkt wel of een boze geest bezit van hem of haar heeft genomen. De vloeken moeten er uit en het kost de grootste moeite ze binnen te houden. En dat gebeurt dan niet bij mannen of vrouwen, die licht geneigd zijn tot het misbruiken van Gods naam, maar juist bij hen, die een deugdelijke opvoeding hebben genoten. Zulken menen zich dan van God verlaten. Ook denken zij: ik heb het zo goed geweten en toch doe ik zo: dat is de zonde tegen de Heilige Geest.

Hebben zij gelijk? Neen, zij hebben ongelijk. De onvergeeflijke zonde is niet een kwestie van overmacht of van innerlijke dwang, maar van vrijwilligheid en opzet.

Behalve aan het derde gebod heeft men ook meermalen aan het zevende gebod gedacht. Ook dit is begrijpelijk. De onreine begeerten en voorstellingen zijn menigmaal zo sterk, dat ook zij aan overmacht doen denken en dat maakt angstig. De personen in kwestie weten ook beter. Hun zondigen lijkt daarom erg opzettelijk. En daar zij zich zo ingesloten vinden en vaak bidden en goede voornemens en worstelen niets helpt, komen ze gemakkelijk tot de gedachte, dat ze van God verlaten zijn. Waarom? Omdat zij tegen de H. Geest gezondigd hebben, menen zij. Dan is er nog iets, dat deze gedachte versterkt. De Catechismus zegt, dat er geen groter zonde is dan de lastering van Gods naam. Maar in de zonde tegen het zevende gebod is ook iets specifieks. Dat schijnt de Bijbel duidelijk te zeggen. De apostel Paulus wijst het aan in 1 Cor. 6 : 18 : „Vliedt de hoererij. Alle zonde die de mens doet, is buiten het lichaam, maar die hoererij bedrijft, zondigt tegen zijn eigen lichaam". Mij voegt er een argument uit de H. Geest bij: „Of weet gijlieden niet, dat ulieder lichaam een tempel is van de H. Geest, Die in u is. Die gij van God hebt".

Met nog veel meer woorden heeft de apostel gewaarschuwd tegen de hoererij. Dat is des te opvallender, omdat de Grieken, en de hele rest, heel vrije verhoudingen voorstonden. In 1 Cor. 6 : 10 plaatst hij de geslachtszonden naast de hoofdzonde van de afgodendienst als zonden, die buiten het Koninkrijk Gods stellen: „Dwaalt niet, noch hoereerders (alle soorten van overtreders van het zevende gebod), noch afgodendienaars, noch overspelers (echtbrekers in bepaalde zin), noch ontuchtigen (mannen die zich door mannen laten gebruiken), noch die bij mannen liggen (actieve bedrijvers van homosexuele zonde), noch dieven, noch gierigaards (inhaligen, die er steeds op uit zijn, wat hun niet toekomt, aan zich te trekken, al is het niet altijd voluit stelen) zullen het Koninkrijk Gods beërven". In 1 Cor. 10 onderstreept Paulus de hoererij in de woestijn als een voorbeeld voor de christenen, dat hen moet afschrikken. Als de gemeente een hoereerder in haar midden duldt, komt de hele gemeente schuldig te staan. (1 Cor. 5).

Dat kan haar ondergang zijn. Daarom moet de gemeente een onboetvaardige hoereerder uitstoten. De apostel wil reine gemeenten voor Christus gewinnen. God wil de heiligmaking en zonder heiligmaking zal niemand God zien. Dat betuigt de apostel met veel nadruk tegenover Grieken en lossere godsdiensten. De hoererij was voor de Grieken een onbeduidende zaak, doch voor Paulus een intense verontreiniging van ziel en lichaam. Hij weet, dat niet ieder de gave der onthouding heeft en daarom moet ieder zoveel mogelijk om de zonde der ontucht tegen te gaan, de weg bewandelen, die God gewezen heeft, n.l. een wettig huwelijk. Maar hoezeer de apostel de hoererij en alle onreinheid afwijst, hij twijfelt er niet aan of ook voor deze zonden is vergeving. Midden in 1 Cor. 6 staat: „En dit waart gij sommigen; maar gij zijt afgewassen, maar gij zijt geheiligd, maar gij zijt gerechtvaardigd, in de naam van de Heere Jezus, en door de Geest onzes Gods".

Het is moeilijk om een bepaald gebod te vinden, waarvan de overtreding niet valt onder de genade der vergeving. Het aanbod van genade is immers zo ruim: „Al waren uw zonden als scharlaken, ze zullen worden wit als sneeuw; al waren ze rood als karmozijn, ze zullen worden als witte wol". Het kenmerk van de Goddelijke vergeving lijkt wel haar onbegrensdheid. Weliswaar sprak Kaïn: „Mijn zonde is groter dan dat zij vergeven worde", maar Paulus weet, dat het een getrouw woord is en aller aanneming waardig, dat zelfs voor de voornaamste der zondaren bij God barmhartigheid is. En was Paulus niet een godslasteraar? (1 Tim. 1 : 13).

De gevolgtrekking is dat wij, bij de zonde tegen de H. Geest niet denken moeten aan een bepaalde zonde, tegen één van Gods geboden. Het moet wel een bijzonder iets zijn; want alle zonde en lastering zal de mens vergeven worden. Wat is het dan, dat niet vergeven wordt?

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 juli 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

De Dordtse Leerregels

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 juli 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's