KANTTEKENINGEN BIJ EEN CONCILIE (4)
Ging het de vorige keer 't meest over de „conservatieven", dit keer iets meer over de „progressieven".
Maar juist hier kunnen we niet meer dan slechts een paar „kanttekeningen" maken. Om te beginnen, de naam „progressieven" is al omstreden. Wat is eigenlijk progressief? Moet en kan een christen progressief, vooruitstrevend zijn? En hoe staat het met de kerk? En waar ligt de grens tussen progressie en revolutie? Aan de andere kant: conservatisme is ook aanvechtbaar. Bewaren is toch niet de enige opdracht der kerk! En God is toch ook de God der geschiedenis, derhalve ook de God die de kerk heden geplaatst heeft in de 20e eeuw, en wil dat zij in deze eeuw haar opdracht vervult.
Dergelijke overwegingen kunnen ertoe leiden dat we heel de onderscheiding conservatieven—progressieven verwerpen, en naar andere woorden zoeken voor de houding die hier bij de ene groep of de andere in het geding is. Ook in de R.K.-kerk zijn er die de term „progressief" verwerpen evengoed als de term „conservatief" of beide slechts met grote reserves gebruiken.
Om aan te duiden wat men bedoelt met „progressief" gebruikt men ook wel de term „open vleugel" (zo b.v. Schillebeeckx). Er zouden dan in de R.K.-kerk twee vleugels zijn: een open en een gesloten vleugel; een meer naar binnen en een meer naar buiten gekeerde groep. Ook dit is maar een onderscheiding die gebrekkig is; dat bewijst wel het meest het feit dat de grens zo moeilijk te trekken is. De mannen van de gesloten vleugel zijn zeer beslist niet enkel en alleen maar naar binnen gekeerd; ook zij zijn voorstanders van missie en dragen daar het hunne toe bij, alleen uit andere veronderstellingen dan de mannen van de „open vleugel". En dat niet alleen, maar het concilie heeft te zien gegeven, dat op bepaalde momenten de grens tussen beide groepen dermate vervaagde dat alle terminologie ten enenmale tekortschoot.
We noemen enkele punten. Toen het in de aula ging over de collegialiteitsgedachte, dat wil zeggen: over een herwaardering van het bisschopsambt tegenover het pausschap was een overgrote meerderheid „progressief". Maar toen de leer van Maria ter sprake kwam en het de vraag was of deze leer geïncorporeerd zou worden in de leer der kerk, en niet in een zelfstandig schema zou worden ondergebracht, stemde een groot deel van de „progressieven" conservatief; want de meerderheid voor opname van de mariologie in de ecclesiologie (leer der kerk) was aanzienlijk minder dan de meerderheid die voor de collegialiteitsgedachte stemde.
Nog een voorbeeld. Over het algemeen kunnen de oosterse rooms-katholieke patriarchen en bisschoppen gerekend worden tot de „open vleugel". Maar toen de Jodenverklaring op het concilie ter sprake kwam stonden ze geheel aan de kant der „conservatieven", om politieke redenen.
Dit laatste moeten we even vasthouden: om politieke redenen.
Ook de kwestie van de politiek speelt een rol op het concilie. En heus niet enkel inzake de Jodenverklaring. Zo is de houding van het Italiaanse episcopaat voor een niet gering gedeelte te verklaren uit de politieke situatie waarin hun land verkeert; Italië is voor 25 pct communistisch, en de kerk was er steeds fel anti-communistisch, wars van alle heroriëntatie. Er zijn echter niet alleen politieke redenen die van invloed zijn op de al of niet progressieve houding der concilievaders, ook redenen van geestelijke, met name devotionele aard. Daarvan hebben we een voorbeeld in wat we constateerden ten aanzien van het Maria-schema, dat met een slechts krappe meerderheid opgenomen werd in het kerk-schema. De angst ook maar iets tekort te doen aan de eer en verering die men Maria acht verschuldigd te zijn, was de oorzaak dat vele vaders er niet toe konden besluiten het aparte Maria-schema weg te stemmen.
We willen maar zeggen: de grens tussen conservatief en progressief is vloeiend. Men moet niet zonder meer aan twee blokken denken; er is meer mee bedoeld een bepaalde instelling, een bepaalde houding, die in meerdere of mindere mate te vinden is bij elke concilievader. Het is dus eerder een kwestie van meer of minder dan een absolute tegenstelling. Vandaar ook dat de progressieve instelling zo duidelijk aan de winnende hand kan zijn; en dat zich zelfs gevallen voordoen waarin een geheid conservatief man ineens omkeert als een blad aan de boom — een geval dat zich voorgedaan heeft bij mgr. Parente, lid van het Heilig Officie, waar Ottaviani secretaris van is.
Er zouden heel wat factoren genoemd moeten worden als we ons grondig gingen verdiepen in de herkomst van de meer vooruitstrevende, progressieve houding van de meerderheid van het episcopaat.
Er zijn theologische factoren voor aan te wijzen. We denken aan de Nieuwe Theologie van na de Tweede wereldoorlog. Waarschijnlijk moeten we ook denken aan het wel officieel veroordeelde maar daarom nog niet overwonnen Modernisme aan het begin van deze eeuw. Zo gezien is het verzet van conservatieven als Ottaviani, Ruffini, pater Browne en pater Tromp niet zo geheel onbegrijpelijk.
Er zijn ook zuiver kerkelijke factoren. De R.K. liturgische beweging heeft het een en ander op gang gebracht. Al was het alleen maar een critischer houding tegenover allerlei „devoties".
Maar nog belangrijker zijn waarschijnlijk de niet-theologische factoren. De enorme verschuivingen die zich hebben voorgedaan in heel onze moderne cultuur lieten niet na hun invloed te doen gelden ook op de R.K.-kerk. Dat verklaart dat het vooral de leken zijn die in vooruitstrevendheid vooropgaan. Het episcopaat volgt menigmaal schoorvoetend, maar het volgt.
Enorme gevaren zijn hieraan verbonden voor de R.K.-kerk in haar geheel. Ze staat momenteel op een kruising van vele wegen. De richting die ze zal inslaan is nog niet duidelijk. Ze wil het oude behouden en toch nieuwe wegen gaan. Dat is een opdracht die bijzonder zwaar is. De reformatorische kerken hebben al sinds geruime tijd hieraan getild, maar het is de vraag of ze het wel voldoende gedaan hebben, en nog meer of ze een oplossing hebben gevonden.
Wie alleen maar let op de dogma's der R.K.-kerk ziet niet veel verandering; er is nog niet één dogma ooit herroepen, en dat zal ook wel niet zo gauw gebeuren. Desalniettemin kan een kerk aan verandering onderhevig zijn. Er is ook nog zoiets als een „functioneren" van het dogma. Het is mogelijk dat in de toekomst vele rooms-katholieken het dogma het dogma laten en intussen toch min of meer in theologie en praktijk eigen weg gaan.
Ten aanzien van de structuur der R.K.-kerk hebben we al dergelijke geluiden opgevangen, n.l. toen de vorige zitting van het concilie eindigde in de z.g. „zwarte week". Teleurgesteld keerden sommigen zich van heel de strijd om een andere, nieuwe structuur der kerk af, ze zeiden openlijk: we gaan toch onze eigen gang.
We kunnen dit niet ideaal noemen. Als reformatorische christenen zouden we liever zien, dat men met nieuwe oren ging luisteren naar het evangelie. Het gaat ons om de overwinning van het evangelie, ook in de R.K.-kerk. Maar dan moet het ook heerschappij hebben bij onszelf! Ons past geen farizeïsme, al of niet anti-papistisch gekleurd. Het evangelie is meer dan wij, ook meer dan onze kerken. Christus moge Koning zijn over allen die in Zijn Naam gedoopt zijn!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 augustus 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 augustus 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's