De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

J. A.Wormser Sr. (1807-1862)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

J. A.Wormser Sr. (1807-1862)

7 minuten leestijd

HET RÉVEIL 36

IV.

Worden in deze overwegingen Wormsers gedachten over de Kerk ons als enigszins duidelijk, er valt ook niet te ontkennen, dat bij hem in deze zaak van een zekere ontwikkeling sprake is. In 1844 schreef Wormser aan Capadose, „dat het zijn wensch zou zijn, niet dat de geloovigen zich zouden afscheiden, dat is, zich bij het bestaande ligchaam der Afgescheidenen zouden voegen; maar dat zij ook aan het Hervormde Kerkgenootschap niet zouden meenen genoeg te hebben; dat zij zich, dit is mijne bedoeling, als Christenen zijnde, ook als Christenen zouden gedragen; elkander erkennen; zich te zamen vereenigen door geloof en liefde, door bidden en zingen, door te zamen te vergaderen, door het onderzoeken van Gods Woord."

„De Kerk", zo schreef hij aan Groen, „is eene geestelijke zaak, wij gelooven haar. Het wordt dus altoos weder, en wat ons land aangaat, weder van nieuws af aan, een strijd van beginselen; waarbij de geloovigen, tot dusverre, veelal verzuimen wat 't naast voor de hand ligt, en ook door de Zendelingen in onchristelijke landen dadelijk wordt aangewend: de geestelijke Constitutie der Kerk, door vereeniging der geloovigen."

Al waardeerde Wormser voor zichzelf de Belijdenisschriften hoog, aan anderen wilde hij ze niet als voorwaarde voor vereniging gesteld zien. „De overeenstemming der geloovigen in naar buiten tredenden vorm", zo schreef hij 20 juni 1845, „moet nog, en weder opnieuw geboren worden." Door een gemeenschappelijke werkzaamheid overeenkomstig het Evangelie, en door een rustige ontwikkeling van het innerlijk verlangen der gelovigen, om waardiglijk hum roeping te wandelen, zou het als vanzelf komen tot het ontstaan van gemeenten. En daarmee zou uiteraard afscheiding gepaard gaan.

„Als de vorm der kerk", zo lezen we in een andere brief aan Groen, „door geloovigen daaraan gegeven, als in de wereld zijnde veroudert en onder de hand verbreekt, moeten wij dien loslaten en aan het wezen des Christendoms vasthouden."

Deze beschouwingen, door Wormser tot in 1845 ten beste gegeven, verraden de invloed van Scholte met zijn toenemende geringschatting van de belijdenis en de kerkvorm. Ook is Wormser, blijkens zijn herhaald beroep op bepaalde onderdelen van het boekje Liturgie und Predigt" van Michael Baumgarten (1843), enigszins onder de bekoring gekomen van de eigenaardigheden van dezen theoloog, die sterke nadruk legde op de vrijheid en de innerlijkheid van het geloof, een tegenstander was van alle vaste normen en alleen aan „die Geistesmacht der Predigt" gezag toekende.

Aan Groen van Prinsterer, die 't pleit voerde voor een verlevendiging van de kerk door een „historisch" voortbouwen, die daarom de Confessie overal als regel en middelpunt voor gemeenschappelijke werkzaamheden wilde aangenomen zien, gaf Wormser zich niet dadelijk gewonnen. Wel erkende hij, langzamerhand de indruk te hebben gekregen, dat de meeste werkzaamheden der christenen in allerlei verenigingen eigenlijk in de lucht hingen, omdat men het kerkelijk terrein hoe langer hoe meer verliet. Maar de Confessie overal als verenigingspunt van gelovigen te stellen, achtte hij onhoudbaar vanwege de bezwaren daartegen van velen, die zich toch als broeders openbaarden. En hij opperde de mogelijkheid, dat voor wat het werkelijk leven van de vorm der Confessie betreft, de historie der kerk gesloten zou zijn, zodat er een nieuw tijdperk zou zijn aangebroken, waarin wel de waarheid, maar niet de vorm der Confessie gewaardeerd werd.

Maar op den duur veranderde Wormsers standpunt. Wij hoorden al, hoe Scholtes ideeën hem toch niet konden bekoren. En het lijkt ons toe, dat hij van de weeromstuit tot Groens standpunt ging naderen en wilde proberen in het vervolg de samenwerking der gelovigen te bevorderen op de grondslag der Belijdenisschriften. In dit streven werd hij gesterkt door de reeks artikelen over „de Formulieren en het Regt der Hervormde gezindheid", door Groen einde 1847 begonnen in het tijdschrift „De Vereeniging: Christelijke Stemmen". De Grondwet van 't Koninkrijk der Nederlanden sprak van onderscheiden „kerkelijke gezindheden". Groen zag het onderscheid tussen deze gezindten in hun belijdenissen. Wie zich hielden aan de belijdenisschriften van de Kerk der Hervorming hier te lande, vormden samen de Hervormde gezindheid. Deze gezindheid had recht op de verkondiging en de handhaving van de haar kenmerkende leer in de Herv. kerk. De belijdenisgeschriften waren immers niet wettig afgeschaft. Die gezindheid had recht op zulk een regeling voor de lagere scholen, dat de kinderen der gemeente overeenkomstig haar belijdenis werden onderwezen. Die gezindheid had er ook recht op, dat aan de Rijksuniversiteiten door het Hoger Onderwijs in de Theologische Faculteiten aan de aanstaande leraars der Hervormde kerk de leer der kerk naar de belijdenis, niet werd onthouden of ontnomen. De leden der gezindheid waren verplicht van die, ook in de historie gewortelde, rechten gebruik te maken. Zij moesten, voorzover zij van elkaar verwijderd waren, zich herenigen en zich allen nauw aaneensluiten om de rechten, die de gehechtheid aan de belijdenis gaf, waarop echter zeer veel inbreuk werd gemaakt, in de praktijk weer tot gelding te brengen. Deze gedachtengang, nimmer door Groen tegelijk zo breed en zo bondig vertolkt, sprak Wormser met z'n sterk ontwikkeld rechtsgevoel en saamhorigheidsbesef bijzonder toe, ja overtuigde hem voorgoed.

Al dadelijk stond hem een bepaalde toepassing voor ogen. Zijn vroegere mening, dat de gelovigen in de Hervormde kerk langs de weg van samenwerking als vanzelf wel tot afscheiding moesten komen, werd uitdrukkelijk door hem prijsgegeven. 16 febr. 1848 schreef Wormser aan Groen: „Ik bedoel dat de geloovigen, op plaatsen, waar de predikanten gewoon zijn het Evangelie te bestrijden of te verzwijgen, vooral ook op den Rustdag, afzonderlijk behooren te vergaderen, zonder zich af te scheiden, ja zoo noodig, met uitdrukkelijk protest dat zij zich niet afscheiden. Door zoodanige vergaderingen zou, naar mijne gedachten, omdat zij tot de verpligtingen der geloovigen behooren, juist de Herv. gezindheid in het Hervormde kerkgenootschap openbaar, en een wettige strijd, die beslissende gevolgen zou hebben, geboren worden. Thans hebben onze niet-afgescheidene broeders ook hunne afzonderlijke vergaderingen, maar zonder uitwerking voor hen of voor de tegenstanders, omdat zij gehouden worden op een wijze, als of men zelf gevoelde dat men iets misdadigs verrigtte. De een houdt vergadering des avonds zeer laat, wanneer de Rustdag voorbij is, om geen afbreuk te doen aan eene openbare godsdienst, die men zelf niet bijwoont, en ^die men anderen afraadt bij te wonen; — een ander durft, om geen aanstoot te geven, op den Rustdag niet, wel op werkdagen vergadering te houden, ofschoon men zelf hoogelijk verklaart dat er op den Rustdag geen zielevoedsel wordt toegediend; — een derde durft niet gedoogen dat in de vergadering gezongen of iets verrigt worde, dat haar het aanzien eener kerkelijke vergadering zou geven. — Zoo de geloovigen binnen het kerkgenootschap, op den Rustdag, op de gewone uren, openbaar, als getuigenis tegen de afwijking, vergaderen; wanneer die vergaderingen door het gebed geheiligd, door het gezang verlevendigd worden; wanneer geloovige predikanten der Hervormde Kerk in die vergaderingen van tijd tot tijd de Sacramenten bedienen, zal de wettige strijd terstond op alle punten van het kerkgenootschap ontbranden; kerkelijke en politieke vervolging zal zich dadelijk openbaren; de geloovigen zullen hunne krachten niet langer nutteloos verspillen; en de kerkelijke twist zal gebragt worden tot een staat van rijpheid om door de regterlijke magistraat te worden beslist; 't Regt der Hervormde gezindheid, door u in zoo helder licht geplaatst, zal kunnen worden bepleit. De politieke en kerkelijke overheerschers van het Hervormde kerkgenootschap koesteren hoegenaamd geen vrees voor de woorden, de requesten, de vertoogen van de Herv. gezindheid; en eigenlijk op hun standpunt te regt, omdat er wel individuen zijn, maar geene gezindheid. Maar zoodra de woorden het teeken worden om een corps, een ligchaam, eene gezindheid te formeeren, dat regten inroept, dat regten doet gelden, zal zich de vrees openbaren, zoo mogelijk door geweld, anders door inschikkelijkheid."

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 augustus 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

J. A.Wormser Sr. (1807-1862)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 augustus 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's