De uittocht 3
„En daarna gingen Mozes en Aaron heen, en zeiden tot Farao: Alzo zegt de Heere, de God van Israël: Laat Mijn volk trekken, dat het Mij een feest houde in de woestijn. Maar Farao zeide: Wie is de Heere, Wiens stem ik gehoorzamen zou, om Israël te laten trekken? Ik ken de Heere niet, en ik zal ook Israël niet laten trekken". Exodus 5 vs. 1 en 2.
De uittocht uit Egypte heeft blijkbaar nogal wat voeten in de aarde gehad; wij zijn reeds in het vijfde hoofdstuk van het desbetreffende boek aan het lezen, en nog zit er niet veel schot in. Dat is overigens niet zo verwonderlijk. De uittocht uit Egypte, is de openbaring van Gods heerlijke naam en het kort begrip van Zijn grote daden. Daar komt alles aan te pas, daar komt alles tegenop, hemel en aarde raken in beweging. God wordt met ontferming bewogen over Zijn volk Israël. Hij kijkt naar hen. Hij denkt aan hen, Hij kent hen. Zij zijn immers het volk des verbonds, zij behoren Hem toe, en Hij is hun God.
Hoe zal de Heere hen verlossen? Zo maar, rechtstreeks? Neen, het is naar de orde van Gods reddende daden, dat Hij daarbij mensen gebruikt. Hij redt door de hand van Mozes. Deze wordt geroepen en gezonden. Hij is er niet één, twee, drie voor te vinden, hoewel de leiding van zijn leven en de vorming, die hem ten deel viel, op deze roeping uitliepen. Eerst durft hij niet, dan kan hij niet, dan wil hij niet. De Heere moet hem er voor inwinnen. Aaron wordt hem, als woordvoerder, toegevoegd.
En nu komt het woord Gods tot Farao, die de alleenheerschappij over Egypte voerde. Farao, die door zijn onderdanen vereerd wordt als een god, tegen wiens beslissingen geen hoger beroep mogelijk is, de opperheer van gans Egypte. Tot hem komen de twee dienaren des Heeren, Mozes en Aaron. Zij komen hier, waar de Farao open hof houdt, om wensen en klachten aan te horen en zo nodig recht te spreken, zo maar binnenstappen. Mozes zal nog wel eens rondgekeken hebben; in een van deze paleizen speelde hij als kind, en in al die pracht en praal is hij groot geworden. Hij deed er afstand van om met het volk van God kwalijk behandeld te worden. Vreemde keuze, onberouwelijke keuze. De rollen in zijn leven zijn nu omgekeerd. Hij is niet de Egyptische prins. Hij is de pleitbezorger van Israël!
Farao neemt hen op, van het hoofd tot de voeten. Israëlieten, mensen uit het volk, dat door hem verdrukt wordt. Hij kijkt wat geringschattend naar de beide broers. Zodra de een echter zijn mond opendoet, betrekt zijn gezicht. Zij brengen hem een boodschap Gods over: Zo zegt de Heere, de God van Israël. Waar halen ze dat zo gauw vandaan? Maar dat was de opdracht en de volmacht, waarmee God hen tot Farao gezonden had. In Zijn naam en met Zijn woord komen zij, en Hij is met hen. God richt zich nadrukkelijk tot Farao: Laat Mijn volk trekken, dat het Mij een feest houde in de woestijn. Hij eist de kinderen Israels op voor Zijn dienst. Niet hier, maar even buiten de grenzen van het land, in de woestijn, zullen ze tot Zijn eer een offerfeest vieren.
De uittocht: dat is de bevrijding, zij trekken de vrijheid in. Wat voor vrijheid? De vrijheid om de Heere te dienen, daar gaat het over. Hier is niet zozeer de vrijheid van godsdienst aan de orde, maar de vrijheid om de Heere te dienen! Zal Farao deze vrijheid erkennen, dan moet hij het volk laten gaan. Hij moet zijn gevangenen loslaten. Het een hangt met 't ander samen. Die gunst heeft God Zijn volk bewezen, opdat het altoos Hem zou vrezen. De vrijheid die de God des verbonds voor Zijn volk eist is déze vrijheid. Trouwens, de ware vrijheid hangt altijd ten nauwste samen met de dienst des Heeren. Er wordt nogal veel met het woord vrijheid gesold. Vrijheid, het is één van de leuzen, die het doen in deze tijd. Wordt dit woord in het vaandel geschreven, dan scharen zich lieden van allerlei soort en slag daar omheen, en marcheren naar het doel. Welk doel? Heeft de vrijheid een doel, heeft ze een inhoud?
Anders is het een holle, een loze leuze. Niet slechts vrijheid van, maar vrijheid vóór. Bevrijd van, om dat het Mij een feest houde in de woestijn. De dienst des Heeren is een feest tot Zijn eer. Zozeer is de dienst op Hem betrokken, dat die hier als een offerfeest aangekondigd wordt. De eerste tafel krijgt van meetaf aan de voorrang. Zo wordt het verbond bevestigd bij de berg Gods, bij Horeb. Daarom moet Farao Israël laten trekken. Hen vasthouden betekent, hen van die dienst terughouden. En dat mag niet! De Heere heeft recht op dit volk. Farao mag zijn macht over dit volk niet misbruiken om hen te verhinderen de Heere te dienen. Zoals onze vaderen eens gevochten hebben tegen de macht van Philips, opdat zij God naar Zijn Woord zouden mogen dienen. Of zijn hun kinderen dat al lang vergeten? Alleen waar de rechten Gods geëerbiedigd worden, is de vrijheid gewaarborgd. Anders wordt ze een oorzaak voor het vlees, en draagt ze de kiem der ontbinding al in zich.
Alzo zegt de Heere, de God van Israël. De zaak wordt duidelijk en scherp gesteld. Farao fronst de wenkbrauwen. Hij is niet gewend zo aangesproken te worden. Aangenomen dat er een Heere, een God van Israël is - dan heeft die niets over Farao te zeggen. Hier is Farao zelf god. Hem moet iedereen in het land van de Nijl gehoorzamen; bij hem zweert men als bij een god. Hij staaf in rechtstreekse verbinding met de goden; hij raadpleegt hen, als een der hunnen. Daarom voelt hij zich meteen aangetast in zijn waardigheid. Hij antwoordt dan ook laatdunkend: Wie is de Heere? Nooit van gehoord. En indien Hij er is, wat heeft Hij over mij te vertellen: Wiens stem ik gehoorzamen zou om Israël te laten trekken.
Wie is de Heere? Hij verlangt heus geen nadere verklaring. Hij vindt het belachelijk, meer nog, beledigend, dat deze mannen zulke hoogdravende woorden gebruiken. Ik ken de Heere niet. Farao bedoelt: ik heb niets met Hem te maken; hier in Egypte ben ik de baas. Het is opvallend, dat zijn opzichters straks tot de kinderen Israëls spreken: zo zegt Farao! Zij gebruiken dezelfde formule. Wat Farao zegt, geldt in Egypte. Wat de Heere zegt legt geen gewicht in de schaal. Farao heeft trouwens geen hoge dunk van een God, die Zijn volk zo in de steek heeft gelaten. Israël moet hem dienen: Ik zal ook Israël niet laten trekken. Ik denk er eenvoudig niet aan. Om politieke redenen niet: Ik houd dit volk liever onder mijn toezicht! En om economische redenen niet: er mag geen arbeidstijd verloren gaan, geen dag en geen uur. Zoals de dienst des Heeren altijd in het politiek en economisch gedrang komt!
God staat op om Israël te helpen. Hij vindt Farao tegenover Zich, Hij vindt de wereldmacht tegenover Zich. Wanneer Hij hem Zijn Woord toespeelt, speelt Farao het meteen terug. Och, het is immers geen spel, het is bittere ernst; het gaat hard tegen hard. Ik ken de Heere niet. Nu, Farao zal kennis met Hem maken. Farao zal merken dat er met de Heere niet te spotten valt en dat men met Hem geen vergelijk kan treffen. Het is buigen of breken. Want, de Heere gaat voor Farao niet opzij. Hij zal Zijn voornemen, om Israël te bevrijden, uitvoeren, ondanks de toornige en taaie tegenstand van Farao.
Eeuwen zijn sindsdien voorbijgegaan. De wereldmacht is echter niet veranderd. Door heel de geschiedenis heen, stelt zij zich op tegen de Heere, tegen Zijn Christus, tegen Israël, tegen de gemeente. Zij wil het heilsplan des Heeren verijdelen, omdat het niet strookt met haar plannen. Lag het aan de wereldmacht, dan had God geen gemeente meer, die Hem dient naar Zijn Woord. Dan was Israël in Egypte gebleven, dan was het in Kanaän onder de voet gelopen, dan zat het nog in de ballingschap, dan was Christus niet geboren, dan had Rome de gemeente uitgeroeid, dan ... Want de rechten Gods worden niet erkend. Zij maken inbreuk op het recht en de macht van deze wereld. Wie zich zo hoog waant, ziet de hoogheid des Heeren niet aan.
Zo zegt de Heere, de God Israëls. Dan roept het hele koor: Wie is de Heere, Wiens stem ik gehoorzamen zou. Door de tijden heen, en van alle kanten klinkt de kreet, die Farao hier slaakt: Een kreet, die niets goeds voor Israël, voor het volk Gods voorspelt. Zij worden niet geduld. Lang leve de vrijheid; maar de vrijheid, die het Woord Gods schept en de dienst Gods eist, wordt geweigerd en geweerd. Dat dienen wij ook vandaag te bedenken, zelfs in ons goede vaderland, waar God ons nog altijd vrijheid geeft om Hem naar Zijn Woord te dienen. Maar waar de staat toch niet veel anders verklaart, dan Farao hier doet: Ik ken de Heere niet; ik ben neutraal.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 augustus 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 augustus 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's