De Dordtse Leerregels
Want God, Die rijk is in barmhartigheid, neemt, naar het onveranderlijk voornemen der verkiezing, de Heilige Geest van de Zijnen, ook zelfs in hun droevig vallen, niet geheel weg, en laat hen zoverre niet vervallen, dat zij van de genade der aanneming of van de staat der rechtvaardigmaking uitvallen of dat zij zondigen ter dood of tegen de Heilige Geest, en, van Hem geheel verlaten zijnde, zichzelf in het eeuwige verderf storten.
L. VROEGINDEWEIJ
Hoofdstuk V.
Artikel 6.
DE ZONDE TEGEN DE HEILIGE GEEST.
Het komt vaak voor, dat men zegt: deze zonde wordt door een element van opzettelijkheid, bewuste vijandigheid, gekenmerkt. Daar zit wat in, maar het blazen van dreiging en moord, zoals Paulus deed, was toch ook wel opzettelijk en bewust vijandig. Er staat ook: alle zonde en lastering tegen de Zoon, zullen de mensen vergeven worden. Daar zat toch ook heel wat verharding in. Hiermee wil ik niet zeggen, dat deze zonde niet veel met moedwil te maken heeft, maar dan is het een bijzondere moedwil.
Het komt mij voor, dat Hebreeën 6 ons helpt om deze zonde goed te verstaan. Daar wordt gesproken van mensen, die bijzondere genade hebben ontvangen: zij zijn verlicht geweest en zij hebben de hemelse gave gesmaakt en zij zijn des Heiligen Geestes deelachtig geworden. Daarna vallen zij af. Dat is meer dan zondigen. Dat is een vreselijk ontkennen en bestrijden van de waarheid, die in Christus is. Het helpt ons wel, als we acht slaan op de personen, tegen wie de woorden van Christus bij Marcus en bij Mattheüs gericht zijn. Het zijn de Farizeeën, die door Jezus overwonnen zijn, wat Zijn wóndermacht betreft, maar toch niet toegeven. De bedoelde zonde wordt dus een ontkenning van de heerlijkheid van Christus tegen beter weten in. Het is dus zo gedacht. De Geest Gods komt het verstand verlichten. Dat hoeft nog geen wedergeboorte te zijn. Maar als tegen deze verlichting in, toch de Christus verworpen wordt, loopt men gevaar tegen Gods Geest te zondigen Zo is er ook in Hebr. 6 sprake van mensen, die verlicht zijn geweest. Zij hebben het door de genade des Geestes heel goed zien liggen. Maar toch verwerpen zij de Christus. Dat kan allerlei oorzaken hebben. Het kan voortkomen uit begeerte naar de ongerechtigheid, maar dan niet een zondigen uit zwakheid. Er is wel altijd bedoeld een moedwillig, opzettelijk, Christus verloochenen, nadat men verlicht is geweest. Ik zou een voorbeeld willen zien in Judas. Hij is - neem ik aan - verlicht geweest en heeft de hemelse gaven gesmaakt. Maar hij wilde niet de weg van Christus. Misschien dat bij hem de eigengerechtigheid in de weg stond. Karl Barth wil in de werkheiligheid de eigenlijke zonde tegen de H. Geest zien. Dat gaat m.i. te ver, doch wél, dat deze zonde (alleen) voorkomt bij een eigengerechtigd persoon. Niet bij Petrus, die uit zwakheid viel, wèl bij Judas, die in zijn hardigheid voortholde. Het is een vreselijk iets om uit verharding en eigengerechtigheid in de zonde te vallen, die niet meer vergeven wordt. Zover ik zien kan wordt deze vergeving ook niet meer gevraagd, hoe moeilijk het ook wordt. Judas, Simon de tovenaar, Ezau, het zijn wel voorbeelden van wat hier bedoeld is. Ik dacht, dat ook een volk in z'n geheel op de grens van deze zonde kan komen en zo in een staat van onbekeerlijkheid leven. Wie de Geest Gods versmaadt, heeft een vreselijk oordeel te wachten. De zonde tegen de H. Geest is dus de afval van Christus en God, nadat men verlicht is geweest en nadat men inzicht in de waarheid heeft gekregen. Terwijl Gods kind voor de weg der genade wordt ingewonnen, verliest de ander alle smaak daarin.
Zou deze zonde vaak voorkomen? Mij dunkt van wel. Hele streken, hele landen, globaal genomen, die verlicht zijn geweest en de geestelijke gaven gesmaakt hebben, wenden zich af van de prediking der waarheid. Zij dolen meest rond in eigengerechtigheid, als er nog enige godsdienst overblijft, maar zijn niet meer tot bekering te brengen. Dit geldt soms ook van gezinnen of enkelingen, die het heel goed geleerd hebben en zich toch tegen het ware evangelie verharden. Ik geloof, dat deze bijzondere zonde vaak voorkomt en dat 't gevaar ervan zeer dreigend is, vooral in onze tijd.
DE UITLEG DER VADEREN.
Vanzelfsprekend hebben ook de ouden hun gedachten over deze zonde laten gaan. Augustinus duidde deze zonde aan als finale onbekeerlijkheid. Dit is echter niet helemaal bevredigend, want, vanuit ons stenen hart gedacht, zijn we allemaal ten uiterste onbekeerlijk. Calvijn maakt onderscheid tussen moedwillig zondigen zonder meer, en na de verlichting des Geestes geheel afvallen. Deze zonde is een weerstand van het hart tegen Gods waarheid, die men goed kent, maar haat. „Ik zeg derhalve, dat tegen de Heilige Geest zondigen, diegenen, die de Goddelijke waarheid, door wier glans en klaarheid zij alzo beschenen worden, dat ze geen onwetendheid voor kunnen wenden, nochtans met voorbedachte boosheid wederstaan, alleenlijk opdat ze dezelve wederstaan zouden". Daar zijn mensen, die zich aan de waarheid stoten, die hun in wezen onbekend is, die in onwetendheid Christus vloeken. Saulus van Tarsen is een voorbeeld. „Alzo zijn er vele hedendaags, die de leer van het Evangelie zeer boos vervloeken, dewelke zij van ganser harte eren zouden, indien zij wisten, dat het de leer van het Evangelie was". Daar zijn ook vervloekers, die in hun geweten overtuigd zijn. „Maar degene, die in hun geweten overtuigd zijn, dat het Gods Woord is, hetwelk zij verwerpen en bestrijden, en evenwel niet ophouden dat te bevechten, die worden gezegd té lasteren tegen de Geest, overmits zij worstelen tegen de verlichting, die een werk is van de H. Geest". Dit laatste is dan niet meer de zonde tegen de Vader en de Zoon, maar ook tegen de Geest. Voorbeeld: Joden rondom Stefanus, de Farizeeën in Matth. 12. Het is niet een bepaalde zondigheid of grote zonde, maar een algemene afval. Deze zonde bestaat in een verwerpen van de Christus der Schriften, in een verwerpen der genade, met voordacht en opzet, d.w.z. na de verlichting des Geestes.
Een vraag: als de Schrift zegt; dat zij niet tot vernieuwing bekeerd kunnen worden, betekent dat, dat hun vergiffenis geweigerd zou worden, als zij zich tot God wenden met smeking en geween? Neen. „Het zou immers vreemd zijn, dat de vergeving aan enige mensen geweigerd zou worden, die zich begeven om Gods barmhartigheid te zoeken. Daar is geen sprake van, want dan zou God tegen zichzelf strijden, waar Hij door de profeet uitroept, dat Hij genadig zal zijn, zodra de zondaar zich bekeerd heeft". In de oude Kerk zijn wel mannen geweest, die de zonden van afval uit zwakheid, moord, hoererij tot zonden tegen de Heilige Geest wilden verklaren met beroep op de besproken teksten. Calvijn wijst dit af. „Het is zonder twijfel, dat God lichtelijk zal vergeven degenen, die zich oprecht en van harte bekeren, dewijl Zijn goedertierenheid zich ook uitstrekt tot de onwaardigen, wanneer zij maar enig mishagen bewijzen".
Van deze zonde tot de dood zegt artikel 6, dat de Heere er Zijn uitverkorenen voor bewaard. Dit is een bestrijding van de remonstranten, die stelden dat „de ware gelovigen en wedergeborenen kunnen zondigen tot de dood of tegen de H. Geest". De gelovigen kunnen alle zonden bedrijven, tot de gruwelijkste toe, en vergeving vinden. Maar deze ene kunnen zij niet bedrijven.
Dat is geen grond voor valse rust. Juist voor de gelovigen is geschreven: „Bedroeft de Heilige Geest niet". (Ef. 4 : 30) en „Blust de Geest niet uit" (1 Thess. 5 : 19). Wij moeten zover mogelijk wegblijven van de grens waarachter het land van de onveranderbare onbekeerlijkheid na ontvangen genade en de onvergeeflijke zonde ligt. Prof. Wisse heeft deze zonde genoemd: „de zonde onzer eeuw". Het is altijd moeilijk een bepaalde tijd te kenschetsen. Maar ieders hart zij overtuigd van de ernst van de waarschuwingen der Schrift. Daar is een weg van de genade naar de hel, n.l. voor degenen, die aanvankelijk hemelse gaven hebben gesmaakt en toch weer zijn afgedwaald, zich moedwillig hebben afgewend.
De dogmatiek der 17e eeuw, neergelegd in de Synopsis of overzicht van de zuiverste theologie, geeft deze omschrijving: „Onvergeeflijke zonde is de zonde tegen de Heilige Geest. Want ofschoon ook uiteindelijke onboetvaardigheid niet vergeven wordt, geschiedt dit uit 't 'bijkomstige, niet omdat de overige zonden, waarover geen boete gedaan wordt, op zichzelf onvergeeflijk zijn, maar omdat hun loop door geloof en berouw niet onderbroken wordt. Wij omschrijven dan de zonde tegen de H. Geest als kwaadwillige verachting en bestrijding van Christus, en van de Evangelische genade door het uitwendig horen van het Woord gekend en door de Heilige Geest inwendig overtuigd; hetzij ze is in degenen, die de leer van Christus nog niet beleden hebben, zoals de Farizeeën geweest zijn, Mt. 12, hetzij ze beleden hebben en er van afgevallen zijn, over welke Hebr. 6 en 10. En dit is de ergste graad van zonde, voor welke Christus door een bijzondere barhartigheid de waarlijk gelovigen en wedergeborenen bewaart: 1 Joh. 5 : 18: „Want wij weten, dat al wie uit God geboren is niet zondigt (n.l. met de zonde tot de dood, voor de vergeving waarvan men niet moet bidden, gelijk hij in de voorafgaande verzen uitgesproken heeft), maar wie uit God geboren is, bewaart zichzelf, en de boze vat hem niet".
In het woordenboek, genoemd naar G. Kittel, wordt deze verklaring gegeven: „Deze zonde bestaat daarin, dat de mens zich, hoewel hij erkent, dat Jezus door de Geest gezonden is, nochtans koppig tegen deze zending in verzet komt en haar vervloekt". (Deel I, blz. 307).
Ten laatste nog een pastorale beschouwing: „Nu zijn er onder Gods kinderen, die zeggen: die zonde heb ik begaan. Zij hebben voor hun bekering grote en schrikkelijke zonden gedaan onder verzwarende omstandigheden. En dan zegt de duivel: „gij hebt de onvergeeflijke zonde begaan". Dat kost menigeen vlees en bloed, 't doet hem zeer. Maar om het u met één woord te zeggen: had gij ze begaan, het zou u nooit berouwen, gij zoudt er niet ontsteld over zijn, maar blij. Is dat geen groot verschil?
Wij hebben u drie mannen voor te stellen, daar gij het aan kunt weten: Judas, Petrus en Paulus. Judas verloochende wetens en willens zijn Meester. Hij heeft geen echt berouw gehad. Petrus verloochende zijn Meester wel wetens, doch niet willens. Hij deed het uit vrees voor de dood. Hij heeft ook een waar berouw getoond. Paulus, die zo schrikkelijk woelde, dat hij er zijn vermaak in had de mensen te dwingen de naam van de Heere Jezus te lasteren. Hij deed het willens, maar niet wetens. Had hij het geweten, dan had hij de onvergeeflijke zonde, de zonde tegen de H. Geest begaan. Nu niet. Hij zegt: „Ik heb het in mijn onwetendheid gedaan".
Een ander geeft deze omschrijving, die men in hoofdzaak tegenwoordig ook algemeen vindt: Deze onvergeeflijke zonde tegen de Heilige Geest is een zonde, waardoor men het Evangelie der genade, de Waarheid en de Godzaligheid, van welke men door een inwendig licht en overtuiging van de Heilige Geest verzekerd is, wetende meer dan gemeen dat dit Gods zaak en Gods volk is, ik zeg, dat men dit boosaardig verwerpt en tegenloopt, dat volk haat, vervolgt en zoekt uit te roeien, uit haat tegen de Heere, en zulks buiten sterke verzoeking van levensgevaar, zware dreigementen of vleiïng. Deze zonde wordt niet vergeven omdat het een onberouwelijke zonde is, daar de ziel geen berouw van hebben wil, terwijl God het niet geven wil, met deze zonde houdt de betrokkene nooit op. Het is een hardnekkige, God bespottende, zielsverhardende zonde tegen het laatste en uiterste middel der bekering, tegen de Heilige Geest en tegen Zijn zaligmakende werkingen en dus tegen allen, daar God Zijn werk in werkt". Voor deze zonde wordt Gods volk bewaard en daarmee voor het eeuwig verderf. Want er is een zonde tot de dood. Laat ieder God zoeken, die gaarne vergeeft, opdat wij Zijn genade niet tevergeefs ontvangen hebben.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 augustus 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 augustus 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's