UIT DE PERS
Crisis in de Geref. Kerken.
Onder deze titel heeft dr. M. J. Arntzen, Geref. Predikant van 's-Gravendeel, een brochure het licht doen zien, waarin hij de geref. kerken in gebreke stelt op het punt van de handhaving van de belijdenis. Arntzen ziet in deze kerken openlijk kritiek geleverd op de leer van verkiezing en verwerping, op de kwestie van de absolute onfeilbaarheid van de bijbel. Deze ondermijning van het belijden der kerk maakt z.i. de kerken krachteloos en karakterloos. Dr. Arntzen aarzelt niet de dingen bij de naam te noemen. Figuren van naam zoals prof. Berkouwer en dr. Kuitert worden scherp aangevallen. De schrijver meent dat de kerkelijke vergaderingen in deze een taak hebben. Laten zij opkomen voor het belijdend karakter van de kerk. Arntzen schrijft op blz. 16 van zijn brochure onder meer: „Het is opmerkelijk dat de kerkelijke vergaderingen, de kerkeraden en de classes niet meer in beweging komen, nu door zulke invloedrijke personen in onze kerken aan de fundamenten van het belijden wordt gewrikt. Dit wijst op een ingezonken toestand. Er is een zekere leerstellige onverschilligheid, misschien is men ook zo geschrokken van de dogmatische twisten uit de dertiger en veertiger jaren over verbond en doop, over algemene en bijzondere genade, dat men nu niet meer in beweging komt als de meest ernstige dwalingen verkondigd worden".
Op dood spoor ?
Het laat zich verstaan dat de reacties niet uitblijven. Het blad „Waarheid en Eenheid" dat in welhaast elk nimmer zijn verontrusting uitspreekt over de gang van zaken in de geref. kerken is met de brochure van dr. Arntzen erg ingenomen. In het nummer van 30 juli j.l. schrijft ds. J. B. van Mechelen in de rubriek „Kerkelijk leven":
Hoe men het ook wendt of keert, het verschijnen van deze brochure is een ernstige zaak die reactie zal moeten opwekken.
Een van degenen, die wordt aangevallen is dr. H. M. Kuitert. Van hem schreef dr. J. M. van Minnen juist in het nummer van „Gemeentetoerusting" (3 juli): „ik sta in dit geding (niet de brochure A; van M.) onvoorwaardelijk achter de paladijnen der orthodoxie, zoals dr. Kuitert en prof. Van Niftrik". De combinatie van deze twee geeft reeds stof tot nadenken. „Trouw", dat reeds vaker een opvallende kleur bekende, vertrouwde aan deze paladijn der orthodoxie „H. M. K." de recensie van Arntzens brochure toe. Die kon er niet veel waardering voor opbrengen en stelde meteen Arntzens wetenschappelijke kwaliteiten in twijfel, zonder enig bewijs overigens. Het is hetzelfde verhaal als bij prof. Zuidema. Tegenover een breed betoog stelt men kreten, in dit geval zelfs van een rechter in eigen zaak. Laat ons toezien of dit weer het voorteken is van de manier waarop de discussie vermoord gaat worden. Deze kwestie hangt natuurlijk nauw samen met de vragen aangaande de belijdenis, die aan de orde gesteld worden.
Of men het standpunt van dr. A. deelt of niet, men zal zich niet door „Trouw"-kreten moeten laten afschrikken van kennisname van deze ernstig in staat van beschuldiging stellende, maar tevens toch vrij van hatelijkheid of venijn geschreven brochure. Veel rustiger recensie gaf b.v. de Geref. Kerkbode der classis Barendrecht en Dordrecht, dus van de ressorten, waarin dr. A. leeft en werkt. Voor verder nieuws zal een der andere redacteuren u van dienst zijn. Uiteraard heeft een dergelijke brochure onze grote aandacht, want niet alleen binnen de Gereformeerde kerken staan hier grote belangen op het spel; de visie op deze zaken raakt toch ook weer „de oecumene". '...Een nogal emotioneel geladen aankondiging die er niet om liegt. De auteur in „Waarheid en Eenheid" vreest dat de zaak op dood spoor gerangeerd wordt of met enkele kreten wordt afgedaan. Of deze vrees gewettigd is zal de toekomst uitmaken. In ieder geval lopen de reacties nogal uiteen.
Geen paniek-stemming.
In het Geref. Weekblad (Uitgave Kok, Kampen) van 30 juli geeft prof. dr. H. N. Ridderbos ook enige aandacht aan Arntzen's brochure, op de vlotte journalistieke wijze, die we van de Kamper hoogleraar gewend zijn. Ridderbos waarschuwt voor grote woorden, die alleen maar paniek zaaien. Hoe moeilijk het intussen gemaakt wordt in deze dagen nog iets goeds te denken en te verspreiden over de ontwikkeling in onze geref. kerken, kan ook weer blijken uit een pas verschenen brochure van dr. Arntzen, onder de nogal paniek-achtige titel: „De crisis in de Gereformeerde kerken". Daarin worden verschillende leidende figuren in ons midden scherp aangevallen en wordt o.m. geschreven, dat „de meest centrale waarheden van het gereformeerde belijden worden aangetast".
Nu zijn we op het gebied van geruchtmakende titels niet geheel zonder ervaring. Er is, ruim 25 jaar geleden, ook al over „Dreigende Deformatie" geschreven, om van jongere pennevruchten maar te zwijgen. Ik mag niet verhelen, dat ik bij het opkomen van een nieuwe bui niet terstond de schuilkelder in vlucht. Wèl zou ik willen, dat de mensen, die het zo goed met ons menen, zich wat gematigder uitdrukten. Dat geeft ook meer kans — ik zeg niet om gelezen, maar wel om geloofd te worden en in ieder geval om iets te bereiken. Intussen is het vakantietijd, zij het óók in de natuur, met veel donder en opkomende buien. Het is, wat mij althans aangaat, geen tijd voor zware discussies, als het niet absoluut nodig is en ik dacht, dat het met de crisis ook nog wel kon wachten, tot we allen het hoofd weer wat bij het werk hebben. Ik bedoel de zaak daarmee niet te bagatelliseren. Zij moet behandeld worden en dan liefst zonder donderkoppen in de krant. Ik dacht ook, dat erover en weer wel enige opheldering nodig was en ook gegeven kon worden. Enerzijds is er in enkele bepaalde (en beperkte) opzichten wellicht een wat duidelijker beeld nodig van wat binding aan de belijdenis betekent; anderzijds ook een beter inzicht, welke bijdrage mensen als b.v. dr. Arntzen zouden kunnen leveren bij de oplossing van bepaalde onontwijkbare vragen. Zij kunnen zich er toch niet toe beperken anderen de kastanjes uit het vuur te laten halen en zelf alleen „brand" te roepen. Doch, zoals gezegd, dit alles zal alleen op een vruchtbare wijze kunnen geschieden, als wij ons niet overgeven aan een sfeer van wantrouwen en paniek. Als het reeds zó erg zou zijn, moet men ook niet alleen, zoals dr. Arntzen doet, „brand!" roepen, maar liever de brand- weer opbellen. U merkt: Wel een geheel andere beoordeling dan die van ds. v. Mechelen. „Waarheid en Eenheid" spreekt van een „rustige wijze" waarop de dingen aan de orde gesteld worden. Prof. Ridderbos noemt de titel paniek-achtig. Hij citeert in dit verband een artikel van ds. Y. Vellinga in het Geref. Kerkblad voor Drenthe en Overijssel. Ook deze waarschuwt voor het onheilige vuur van een verhitte discussie. Hij schrijft onder meer:
„Ik houd niet van dit soort brochures. We hebben er de laatste tijd meer van gehad. Het zijn gewoonlijk persoonlijke bezorgdheidsontboezemingen over ons kerkelijk leven. Ik zeg niet, dat er voor bezorgdheid geen reden is. Ik weet het niet precies. Maar wel vraag ik mij telkens af wat voor zin het heeft weer zo'n asla over onze hoofden uit te storten. We gaan er allemaal van niezen en de buitenwacht zegt: moet je zien hoe smerig dat volk er uitziet. Maar wat moeten we er mee? Ik dacht, dat het naar de veelgeprezen en zelden bewandelde „kerkelijke weg" is, dat, als je op goede grond meent te vinden, dat een broeder het gezag van de Bijbel of de belijdenis aantast, je naar hem toegaat om daarover met hem te praten en dat je, als hij je niet weerleggen kan en bij zijn mening blijft, bij de raad van de kerk, waarvan hij lidmaat is, een bezwaarschrift indient tegen zijn uiting of uitingen. Dat is de goede, broederlijke, kerkelijke weg.
Ik trek de goede bedoelingen van de brochureschrijvers niet in twijfel. Ze hoeven mij niet stuk voor stuk te verzekeren, dat onze kerken hun zeer lief zijn. Ook zonder hun betuigingen geloof ik dat wel. Maar de liefde tot de kerk uit zich onder meer in het zich houden aan haar weg, de weg van het broederlijk verkeer met elkaar, gelijk zij die heeft aangewezen. Daarmee is het legen van de asla over aller hoofden in strijd".
Niemand zal de gevaren van de perspolemiek kunnen ontkennen. Maar al te dikwijls worden de kwesties waarom het gaat op een emotionele en daardoor onzakelijke en onzuivere wijze besproken. En het pleidooi van prof. Ridderbos en ds. Vellenga voor het bewandelen van de kerkelijke weg zal ieders instemming kunnen en moeten hebben. Maar is dat niet juist de bedoeling van dr. Arntzen? Als ik hem goed begrijp komt de verontrusting van deze predikant juist voort uit het feit dat dit niet gebeurt. Er is de vrees dat allerlei nieuwe theologoumena die in strijd zijn met de belijdenis min of meer geruisloos de kerk en de gemeentes ingedragen worden, waardoor de binding aan de belijdenis tot een wassen neus wordt. Arntzen's bezwaren cirkelen om deze vraag: Functioneren de reformatorische belijdenisgeschriften nog wel in de prediking der geref. kerken? Hoe men ook over deze vraag moge denken, ze verdient in ieder geval een antwoord. Een kerkelijk antwoord. En het zou jammer zijn — en de zaak waar het om gaat: de koers van de geref. kerken in het geheel van de oecumene, ook niet dienen — wanneer zijn bezwaren op een vlotte wijze weggewerkt werden door een luchtig gesteld artikel in de trant van „Kom, kom, het zal wel meevallen".
Statisch of dynamisch
Wie de discussies in de geref. pers over de vragen rondom de belijdenis der kerk volgt, ontkomt niet aan de indruk dat zich hier herhaalt wat nu in de herv. kerk al enige decennia aan de gang is: De roep om een nieuw belijden. Het zijn de vragen: Is de waarheid Gods statisch of dynamisch? Moeten we spreken over de belijdenis of over de weg van het belijden?
Ter adstructie zouden we willen wijzen op de uitlatingen van ds. E. Pijlman, geref. predikant in Wassenaar die in 't blad „Gemeentetoerusting" de plaats en de functie van de belijdenis aan de orde stelt. Ter wille van de prediking in de wereld waarin we leven en in deze tijd hebben we behoefte aan een nieuwe formulering van de belijdenis, aldus Pijlman. We citeren uit het verslag in „De Rotterdammer" van 4 aug.: Maar het gaat om de adequate prediking van de kerk. Een belijdenisgeschrift heeft nog niet zozeer te maken met wat de kerk gelooft, als wel met wat de kerk moet preken. Volgens de Wassenaarse pastor hebben de belijdenisgeschriften geen andere betekenis, dan dat zij een bepaalde verwoording zijn van wat de kerk ziet als haar predikingsopdracht. Dat kan niet in woorden en begrippen, die het eeuwen geleden deden, maar die de mensen van vandaag niets meer te zeggen hebben. „Wat wij nu doen bijvoorbeeld met de catechismusprediking is vaak ongeveer het volgende: we lichten de gemeente een beetje in over wat de opstellers van de catechismus op het oog gehad hebben, om dan gauw naar onze eigentijdse problematiek te gaan in het licht van Gods Woord, waarbij de „kern" (er schiet me niet zo gauw een ander woord te binnen) van de betreffende zondag wel bewaard blijft, maar gelukkig voor de gemeente, afgezien wordt van een uitvoerig college in de zestiende-eeuwse theologie", aldus ds. Pijlman.
Aannemende dat dit dagbladverslag een getrouwe weergave is van Pijlman's artikel zouden we de vraag willen stellen: Is dit niet een oud geluid dat in onze eigen kerk al jaren gehoord wordt? We herinneren slechts aan de discussies bij de invoering van de nieuwe kerkorde over artikel 10 der kerkorde (Van het belijden der Kerk). We schrijven dit niet om daarmee te suggereren, dat de Geref. Kerken dus een aantal jaren achter lopen, maar uiteindelijk toch in het midden-orthodoxe kielzog varen. Met verdachtmakingen en generaliserende beoordelingen is niemand gebaat. Maar wel mogen we vragen: Laten de geref. kerken ter zake van de vraag naar de functionering van de belijdenisgeschriften in prediking en catechese, kortom in de kerkelijke praktijk letten op de ontwikkeling van het hervormd kerkelijk leven sinds de invoering van de nieuwe kerkorde. Laat men niet alleen luisteren naar dr. Kuitert en ds. Pijlman, maar ook naar het appèl van dr. Arntzen. Arntzen heeft een aantal concrete vragen gesteld. Er zijn namen genoemd (Berkouwer, Kuitert) en feiten op tafel gelegd (Onfeilbaarheid van de Schrift, Verkiezing en verwerping). Die vragen verdienen een antwoord. Zijn de verschillen tussen b.v. Arntzen en Berkouwer alleen 'n kwestie van verschillend-interpreteren der belijdenis? Is hier een misverstand in het spel? Of wordt de belijdenis losgelaten door de nieuwe formulering.
Het zijn vragen die niet alleen de geref. kerken raken, maar ook onze eigen kerk. „Hervormd Nederland" van 7 augustus geeft een uitvoerig verslag van een gesprek tussen enkele redactieleden van dit blad en ds. Tukker. Ook in dit gesprek kwam uiteraard de belijdenis der kerk ter sprake. We citeren uit „Hervormd Nederland": Waarom toch zouden de dingen des geloofs in 1618/19 zó markant, zó trefzeker zijn gezegd, dat men 1618/19 slechts hoeft te repeteren? Alsof de H. Geest daarna nimmer meer de oude fundamentele zaken in menselijke woorden zou hebben laten uitdrukken èn ook niet nieuwe schatten uit de Schrift zou hebben opgediept: de sterke gerichtheid van het evangelie op de „laatste dingen", de plaats en de zegen van Israël, de ambten — allemaal zaken die in de 16e en 17e eeuw niet of nauwelijks aan de orde kwamen.
Ds. Tukker reageert: „ik ben me wel bewust van het relatieve, het betrekkelijke van de geloofsformulering. In de kring van de Bond is er óók een nieuwe visie groeiende op Israël, op de eschatologie. Maar wij willen graag dicht bij de bron blijven, het fundament van apostelen en profeten dat vastligt. Wij zijn bevreesd dat met veel nieuwe formuleringen het wezenlijke verdwijnt. Principieel zijn wij niet tegen het nieuwe. Als het maar bijbels is".
Statisch of dynamisch? De vraag is ook aan de orde in een artikel van prof. dr. G. C. van Niftrik, getiteld Leertucht (in het Hervormd Weekblad, de Geref. Kerk van 15 juli). In antwoord op vragen van ds. v. d. Krift, die van mening is dat v. Niftrik de ketterij enigszins de hand boven het hoofd houdt, schrijft de Amsterdamse hoogleraar: In nauw verband met het voorafgaande, kan ik nu ook ingaan op het volgende bezwaar van ''is. Van der Krift: Hij vindt, dat ik de ketterij een beetje de hand boven het hoofd houd. Bewijs: ik spreek wel over een „verdraaide" waarheid, maar toch een waarheid. Daartegenover zou ik willen zeggen: mensen, die er een statisch waarheidsbegrip op nahouden, willen ook altijd de grenzen der kerk fixeren. Zij kunnen de mensen immers meten aan de waarheid en weten dus ook wie binnen horen en wie buiten. Nu versta men mij goed, want anders moet ik over een paar weken wéér een verklarend artikel schrijven. Ik verdedig geen relativisme, maar een dynamisch waarheidsbegrip. En dat is werkelijk niet hetzelfde. Ik belijd Jezus Christus als de volstrekte Waarheid. Maar daaruit volgt voor mij niet, dat zelfs de orthodoxe leer over Jezus Christus de waarheid is, waaraan ik mensen meten moet en kan. Ik ben bereid de orthodoxe christologie te vuur en te zwaard te verdedigen (voor mijzelf denk ik daarover helemaal niet relativistisch), maar ik ben niet bereid mensen een proces aan te doen als zij de kerkelijke christologie niet delen. Mits ik ervan overtuigd ben, dat het hun om de Waarheid, die Jezus Christus is, te doen is — wezenlijk, existentieel te doen is. Dan komen ze misschien aanzetten met een christologie, waarvoor ik huiver en die ik ook met alle kracht bestrijden zal. Maar ik zal niet proberen hen uit de kerk te verwijderen zolang het hun existentieel om het evangelie van Jezus Christus gaat. Ik weet geen betere christologie dan de kerkelijke-orthodoxe, maar ik weiger haar met Christus zelf te identificeren. De ruimte ontbreekt om hier diep op in te gaan. We zouden anders nog wel eens wat door kunnen praten over de vraag, of het N.T. zelf niet statischer over de waarheid spreekt dan velen willen. Ik denk aan teksten als 1 Tim. 6 : 20 (het pand u toevertrouwd); Judas: 3 (het geloof, dat eenmaal de heiligen is overgeleverd). En wat houdt het in als in Openb. 2 en 3 enkele malen vermaand wordt vast te houden wat ge hebt? In een onlangs verschenen dissertatie van een Amerikaanse theoloog, gepromoveerd aan de V.U., wordt naar het ons voorkomt op overtuigende wijze aangetoond dat datgene wat vastgehouden moet worden de overgeleverde leer is. We menen dat met de uitdrukking: “een dynamisch waarheidsbegrip" lang niet alles gezegd is. Er zitten aan de kwestie: Statisch of dynamisch zoveel kanten, dat met een eenvoudig of-of niet volstaan kan worden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 augustus 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 augustus 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's