De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

J, A. Wormser Sr. (1807-1862)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

J, A. Wormser Sr. (1807-1862)

Het Reveil, 37

7 minuten leestijd

HET RÉVEIL 37

V.

STRIJDER VOOR HET CHRISTELIJK ONDERWIJS.

Wij mogen wel aannemen dat Wormser's belangstelling voor het Christelijk onderwijs van heel vroege datum is. Zelf was hij immers kwekeling geweest aan de Stads-Armenschool in zijn woonplaats, en de band die daar ontstond werd eigenlijk nooit verbroken, al is Wormser geen onderwijzer geworden.

Van nabij wist hij dus wat het onderwijs was en zijn leven lang bleef hij als catecheet vertrouwd met de problemen ervan. Wij merken trouwens steeds weer dat bij alles waarmee hij door lectuur in aanraking kwam, hij zich steeds afvroeg: hoe kan ik deze dingen doorgeven, verduidelijken en mogelijk dienstbaar maken aan de zaak waar het om gaat? Daarover gaat het al in zijn eerste brief aan Groen, van 3 april 1840. Het betreft de oprichting van een Chr. bibliotheek, strekkend: „om onder de geloovigen, ook uit de mindere standen, kennis te verbreiden, in eenige mate althans, van wetenschappen, welke, zelve verlevendigd en bezield, door haar dienstbaar te maken aan het Evangelie, de kennis van Gods Woord, en de beoefening der godsvrucht, in de verschillende betrekkingen, waarin de Heere zijne kinderen plaatst, op zulk eene weldadige wijze bevorderen.... In ons midden zijn onderscheidene per­sonen, die eene beschaafde en eenigermate wetenschappelijke opvoeding ontvangen hebben, doch wien de middelen ontbreken om met de van tijd tot tijd uitkomende goede geschriften bekend te, worden. Onze bekendheid met de geloovigen, ook uit de mindere standen, heeft ons bovendien de nuttigheid doen inzien, om bij hen vaderlandsch-godsdienstige gevoelens of te bewaren, óf te bevorderen, door hen op eene gemakkelijke en kostelooze wijze toegang te verschaffen tot degelijke en doorwrochte werken. Bekrompenheid en onkunde, een gevolg van het overlaten der behoeftige geloovigen aan zichzelven, maken vele anders zeer achtingswaardige lieden onder hen in sommige gevallen bijna onhandelbaar, en zijn niet weinig hinderlijk aan het wezenlijk en levend Christendom". Dat is ondubbelzinnige taal: voor Wormser is kennis broodnodig, maar zij is middel, geen doel. Het doel is: levend Christendom.

Wij vinden in deze eerste brieven tevens enkele opmerkingen over de eigenschappen die een Christelijk onderwijzer, volgens Wormser, behoorde te bezitten: „Het schoolwezen heeft thans behoefte aan Christenen, die zich daaraan toewijden met die belangelooze overgegevenheid van zichzelven, die wij in ware Zendelingen van het Evangelie vooronderstellen. Ik heb deze zaak meermalen overdacht, en ben tot het resultaat gekomen dat in onze dagen in schoolonderwijzers, die aan ware reformatie inderdaad bevorderlijk zullen zijn, ten minste zoo bijzondere en delicate gaven worden vereischt als in een predikant". — „Ik heb bevonden, dat, wat het middellijke aangaat, de onderwijzer zelf de ziel van het onderwijs moet wezen; dat hij zijne leerlingen moet leiden tot de waarheid zelve in al hare kracht, en dat hij daarbij, door toespraak en inlichting, de bezwaren en hindernissen in hunne bevatting en oordeel moet uit de weg ruimen".

In de eerste jaren van hun briefwisseling horen we steeds weer van de ongelooflijke moeite en geduld, nodig om te komen tot de oprichting van Bijzondere Christelijke Scholen. Groen is daarvoor bezig in 's-Gravenhage en Wormser in Amsterdam. Hoe het hun daarbij vergaat, mag het volgende enigszins illustreren: (Groen) „Wij hebben dezer dagen een afwijzende dispositie van de Stedelijke Regering ontvangen; zeer gemotiveerd, en waarin onder anderen stoutweg beweerd wordt dat de wet van 1806, de strekking heeft om overigens in alle volksscholen een onderwijs te doen geven, waaraan kinderen van alle kerkgenootschappen deel kunnen nemen. Met dit systeem worden dus op eens alle pogingen om, nevens de openbare scholen, hier en daar een meer christelijk onderwijs te hebben, veroordeeld als tegen de wet. Ik ben verlangend hierover, bij gelegenheid, uw oordeel te vernemen. Mij dunkt, zoo ver is men in het stelsel van monopoliseren nog niet gegaan". (Wormser).

„— Het berigt wegens de ontvangene afwijzende dispositie heeft mij meer getroffen dan behoefde; daar ik niets beters verwacht heb. Ons licht en onze sterkte tegenover de wereld zijn in onzen Heer, die onze Zaligmaker is, en die zeker wederkomen zal. De werkzaamheden van hen, die zijne kennis ongelukkig versmaden, zullen eenmaal minder dan ijdelheid bevonden worden: onze arbeid is niet ijdel in den Heer. In Hem zijn wij meer dan overwinnaars. Het was mij dan ook tot blijdschap, uit uw brief te zien dat de heeren voornemens zijn in hooger beroep te komen. Wij zijn verschuldigd de middelen aan te wenden, en als de tijd vol is, geeft de Heer ons naar ons heilig verlangen, somtijds zelfs door onze wederpartijders. Wisseling van gedachten kan somwijlen nuttig zijn; daarom geef ik aan de heeren in overweging, om zoo ook de autorisatie door Gedeputeerde Staten mogt geweigerd worden, standvastig en telkens opnieuw te handelen overeenkomstig het voorbeeld, dat ons tot hooger opleiding, maar toch uit het dagelijks leven ontleend, wordt voorgesteld Lukas 19 : 2 (In den regter, die God niet vreesde en geen mensch ontzag)."

„Het gevoel dat ik ondervind, bij het vernemen van iedere afwijzende dispositie, is tamelijk vreemd. Ik wensch niets liever dan dat uwe pogingen eindelijk met een gewenschten uitslag mogten bekroond worden. — Dit alles verhindert niet dat ik met blijdschap berust in de handeling van den Heere in deze omstandigheden. Daarom zeide ik dat mijn gevoel tamelijk vreemd werkt. Mij dunkt, wanneer ik al mijne gewaarwordingen en overdenkingen zamentrek, dat ze dan in dit resumé zouden vervat zijn: „ik hoop dat de strijd nog lange mag duren, en dat wij er niet te gemakkelijk doorkomen". Met dit alles heb ik geen behagen in de genoegens van den krijg; - ik wensch niets liever dan een stil en godzalig leven; een leven van liefde en vrede. Maar, het ontbreekt den Christenen in het algemeen, vooral in ons land, aan een geloof in God, dat veerkracht heeft; het is te week, te slap, te aangeleerd; men heeft te veel vergeten dat men leeft op eene wereld van strijd. Daarom zie ik uit gemakkelijk verkregen vrijheid van Christelijk onderwijs, spoedigen ondergang van het Christelijk onderwijs tegemoet; door voortdurenden tegenstand verwacht ik dat het getal voorstanders vermeerderen zal; ja, de tegenwoordige opwekking en werkzaamheid der geloovigen beschouw ik als eene vrucht van Gods genade, die langzaam ontwikkelt en rijpt. Onze toestand, wel overdacht, vordert, dunkt mij, deze langzame ontwikkeling. Vooreerst, om den slappen toestand van vele geloovigen: — het geloof wil geoefend worden, het heeft tegenstand nodig om te overwinnen. Maar daarbij, om ons gebrek aan onderwijzers en schoolboeken Mij dunkt, ik moet nog sterker spreken: zoo wij op de eerste aanvrage autorisatie ontvingen, zou het Christelijk schoolonderwijs bijna te gronde gerigt worden, door het misbruik, dat daarvan door vele onbevoegden (ofschoon behoorlijk geëxamineerden) zou gemaakt worden; vele opterigtene scholen zouden kweekscholen worden van doode regtzinnigheid en domheid. De tegenstand dwingt zelfs de Christenen tot onderzoek; de Wrijving veroorzaakt leven, gevoel en Christelijke beschaving; — waarlijk God dwingt onze tegenstanders, door zijn onnaspeurlijk Albestuur, ons gewigtige diensten te bewijzen. Ik wensch te deelen in ulieder lasten en teleurstellingen. Van de door u daar te stellen school zou ik groote verwachtingen hebben. Ik hoop genoegzaam bekend te zijn om niet van vleijerij verdacht te worden, wanneer ik zeg dat hetgeen van u, van uwe geleerdheid, stand, betrekkingen, door wandel, door handelingen, door geschriften bekend is, alleszins grond geeft om die verwachtingen te koesteren. Daarom verlang ik zeer dat uwe school geopend worde; maar ik ben ook blijde dat juist gijl. een goed deel van den tegenstand moet ondervinden. In anderen zou misschien, maar in Ul. kan niet bestreden worden, wat men noemt onkunde, dwaasheid, doode orthodoxie, dweepzucht, en alles wat men in deze meer ongunstigs te berde brengt: het Christendom, het Christelijk Schoolonderwijs, wordt in Ul. bestreden; en dit is juist wat wij noodig hebben, om de oogen van vele Christenen te openen. Bovendien, door Ui. strijd, en door de wijze waarop gijl. dien voert, worden andere Christelijke strijders gevormd; uwe schriften worden gelezen, overdacht, besproken: de zaak wordt eene zaak des Heeren, des geloofs, des gebeds; alle Christenen worden erin betrokken, door schaamte, door berouw, door betrekking, door liefde, door ijver, en wanneer wij op den Heer en zijne handelingen zien, ontvangt Hij de eer voor zijne genade en trouw. Daarom bid ik Ui., gelijk ik trouwens verwacht, laat de school niet varen; laat hare daarstelling een bepaald onderwerp van uw wil en begeeren in den Heere zijn; wij krijgen stellig en onmisbaar godsdienstig Schoolonderwijs, zoo wij op Hem vertrouwen; en de vruchten van Ui. volharding zijn thans reeds onberekenbaar".

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 augustus 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

J, A. Wormser Sr. (1807-1862)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 augustus 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's