De uittocht 4
„Maar Farao zeide: Wie is de Heere, Wiens stem ik gehoorzamen zou, om Israël te laten trekken? Ik ken de Heere niet, en ik zal ook Israël niet laten trekken". Exodus 5 vs. 2.
Farao geeft zich niet gewonnen. Zodra het woord des Heeren, dat over de uittocht spreekt, tot hem komt, zet hij een grote roeper aan zijn mond en het schettert heel de geschiedenis door: Wie is de Heere, Wiens stem ik gehoorzamen zou, ik ken de Heere niet. Maar vergissen wij ons niet. Het zijn niet alleen de wereldmachten, die dit schreeuwen. Farao geeft uiting aan een algemeen gevoel van onbehagen, dat zich van ons meester maakt, wanneer de Heere het woord neemt. Wij herkennen in hem de natuurlijke mens, wij herkennen onszelf. Liever niet, denkt u, liever geen Farao, het is hem immers erg slecht vergaan. Hoe zal het ons vergaan, indien we het God niet gewonnen geven?
Farao, een man uit overoude tijden. De moderne mens, die zich ergert aan het: zo zegt de Heere. Met welk recht stelt de Heere, mij de wet. Wie is Hij, dat Zijn woord het te zeggen zou hebben in mijn leven. De mens van vandaag noemt zich geen god, maar hij gedraagt zich als een god. Hij moet zijn eigen levensontwerp, zijn eigen levensopgave verwerkelijken, zo goed en zo kwaad als dat gaat. Laat mij mijn gang maar gaan, ploeteren, stumperen desnoods. Maar ik duld geen inmenging van buiten, dat in geen geval. Wie is de Heere? En wanneer een bisschop nog wel — hij heet Robinson, maar dat mag u gerust vergeten — daarop haastig en geruststellend ingaat: De Heere, God, dat is niet Iemand boven ons of buiten ons, dat is helemaal geen Iemand, dat is de diepste laag van ons mens-zijn, enz. dan slaat hij daarom de plank zo deerlijk mis, omdat hij noch God, noch de mens ernstig neemt. De mens, die zich tegen God keert.
Zo zegt de Heere. Dat is het eind van alle tegenspraak. Dat dacht u maar. Nu klinkt het protest pas luid op: Wie is de Heere? En wie goed luistert, hoort het dicht bij huis; hoort het in zijn eigen gedachten, in zijn eigen hart. Om van te schrikken. Want het bedenken des vleses is vijandschap tegen God.
Een hard woord: vijandschap, doch het blijkt waar want het onderwerpt zich niet aan de wet en het woord des Heeren, en het kan ook niet. Het vlees — uw en mijn bestaan van nature — zoekt zich krampachtig te handhaven in eigenmachtigheid en eigengerechtigheid. Hebt u dat nooit gemerkt? Dan staat u niet zover van Farao af, en van al die mensen, die soms ruwweg verklaren: Ik ken de Heere niet. Wie is de Heere? Een ernstige vraag. Ik ken de Heere niet. Een ernstige nood. Hier is het echter geen vraag en geen nood. Het is een wrevelig verweer. Wat heb ik met deze God te maken, Die zo maar binnenvalt in mijn leven, met een naam — u werd toch in Zijn naam gedoopt, maar daar had u niet om gevraagd! — met Zijn Woord, met Zijn wet? Wiens stem ik gehoorzamen zou. Ik ken de Heere niet. Ik ben niet van zins mij iets van Zijn bevelen aan te trekken.
Het ongeloof is in de grond ongehoorzaamheid. De vaak verborgen onwil om ons aan, God gewonnen te geven. Het is niet zozeer een gebrek aan kennis, al verzucht menigeen: Kreeg ik er maar eens volledige inlichtingen over, en doorslaggevende bewijzen. Het is ongehoorzaamheid, opstandigheid. Een weerzin, omdat wij liever baas in eigen huis blijven. Wie is de Heere? Ik ken de Heere niet! Daarom behoud ik mij de vrijheid voor, om te doen wat mij goeddunkt en niet wat Hij goedkeurt. Uit zulke diepten stijgen de woorden van godvergetenheid en godverveeldheid omhoog, die ons verwarren kunnen. Alzo zegt de Heere! Dat moesten wij zo langzamerhand het zwijgen maar eens opleggen; dat slaat nergens meer op, in deze twintigste eeuw, met zijn mondige mens. Het gezaghebbende woord des Heeren zal meer en meer terzijde gelegd worden. Want wie is de Heere? Wat het einde van alle tegenspraak moest zijn, kan niet eens meer dienen als begin van een gesprek. Ik ken de Heere niet.
Farao geeft Israël geen verlof, om de Heere te dienen, in de woestijn. Hij verzwaart de slavendienst in Egypte. Wanneer de Heere hem oproept: Laat mijn volk trekken, verzet zij zich met hand en tand: Ik zal ook Israël niet laten trekken. Hoe moet dat nu? Zal het heilsplan Gods tot mislukking gedoemd zijn, bij gebrek aan medewerking? Of is de tegenwerking in het heilsplan opgenomen, om aan de kaak gesteld te worden, wanneer God de Heere Zijn voornemen uitvoert. Inderdaad. Gods roem wordt er nog groter door. Maar wie ziet dat? En wie zucht niet vaak onder de overlast van mensen en machten, die de verlossing onmogelijk schijnen te maken.
De Heere ontmoet veel tegenwerking. Mozes werkte niet mee, en Israël al evenmin. Bij Farao is die tegenwerking het felst. Farao, welke is de duivel, lees ik in artikel 34 van onze Nederlandse geloofsbelijdenis. De vergelijking is niet uit de lucht gegrepen. Farao is hier een handlanger van de wereld en van. de duivel. Die geven immers nooit verlof om de Heere te dienen, om Hem een feest te houden. U moet er maar eens erg in krijgen. Horen wij het woord des Heeren, dan roept het ons op tot de dienst des Heeren. Wij worden vermaand en verplicht tot een nieuwe gehoorzaamheid, wij en onze kinderen. Maar we hebben het zo druk. Wij hebben welbeschouwd geen tijd voor de dienst van God. Wij kunnen er geen drie dagen uitbreken, de zaken laten het niet toe en het gezin. Wij kunnen niet één dag meer vrijmaken, die in bijzondere zin aan de dienst des Heeren gewijd is, en daarom een feestdag mag heten! Dat moet de kerk begrijpen. En de kerk, waarin het woord des Heeren geen gezag meer heeft, toont veel begrip voor de mens van vandaag; jammer dat het niet helpt!
Begrijpen wij dan niet, dat de wereld steeds meer beslag op ons legt, opdat de dienst des Heeren uit de wereld zou verdwijnen. Wapenen wij ons voldoende tegen de listige aanslagen op de dag en de dienst des Heeren? Nog geldt onder ons het krachtige woord: Laat mijn volk trekken, opdat het Mij een feest houde. U bent er met uw kinderen toe geroepen. Wat schreeuwen wij moord en brand, dat de wereld het niet toestaat. Farao stond het ook niet toe. Satan staat het nooit toe, hij wil er niets van horen. En hij heet niet voor niets, de overste dezer wereld.
Rekent er maar mee: als de Heere Zijn grote daden in ons leven gaat verheerlijken, doen wereld en duivel hun uiterste best dat te voorkomen. Als de roeping Gods krachtig in ons leven doorwerkt, komt alles er tegen op. De Heere dienen, geen sprake van! Er ontbrandt een hevige strijd. Waar we vroeger nauwelijks hinder van hadden, daar krijgen we nu zo'n last mee. Hoe sterk een keten is, weet u niet, zolang u hem alleen maar draagt, ook al zou hij u zwaar wegen. U merkt het pas, als u hem tracht te verbreken. Welnu, wat worden wij de macht der zonde gewaar wanneer de gehoorzaamheid aan Gods geboden ons wat waard wordt. Wat zit de wereld ons dwars, wanneer we lust krijgen de Heere te vrezen.
Vergeten wij onze eigen natuur niet. Menigeen leerde zichzelf pas echt en diep kennen, toen de Heere met hem sprak over Zijn goede dienst. Geen medewerking van ons eigen ik. En de vorst der duisternis gebruikt list en geweld om ons vast te houden. Hij raakt niet graag iemand aan God kwijt, en hij doet nooit iemand aan Hem over. Ik laat ze niet trekken. Dan hebben wij de strijd niet slechts tegen vlees en bloed, maar tegen de machten en de boosheden in de lucht.
Die strijd wordt ontketend door het woord des Heeren. Hoe hoopvol, voor allen die het bang te moede wordt: De Heere stelt de verlossing aan de orde. Zijn raad zal bestaan en Hij zal al Zijn welbehagen doen. Hij heeft Israël uit het diensthuis uitgeleid, ten spijt van Farao en al diens heirscharen. Hij heeft Zijn Zoon uit Eg3^te geroepen. De duivel riep: Houdt Hem vast, en de dood riep: Houdt Hem vast, en de hel riep: Houdt Hem vast. Maar ze moesten Hem loslaten. Toen werd het Pasen: Ontsluit, ontsluit voor mijne de poorten der gerechtigheid. schreden,
Bedenkt het tot uw vertroosting en bemoediging, in veel bestrijding en verzoeking. De Heere heeft het beloofd: Dit volk heb Ik Mij geformeerd, zij zullen Mijn lof vertellen. Mij het feest houden. Wat Hij beloofd heeft, kan niemand ongedaan maken. Zodat wij, als Farao zo zelfverzekerd spreekt: Ik zal ook Israël niet laten trekken, zacht voor ons heen mogen fluisteren, — maar waarom fluisteren, zouden wij het niet luide zingen: U is een beter lot bereid: Uw heilzon is aan 't dagen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 augustus 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 augustus 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's