De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE PERS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE PERS

14 minuten leestijd

Doordat in verband met de vakanties deze rubriek een keer is uitgevallen zijn er enkele artikelen blijven liggen, waarvoor we ditmaal uw aandacht vragen. Al zijn deze artikelen dus al in juli verschenen, we menen toch dat de inhoud van dien aard is dat het de moeite waard is enkele gedeelten over te nemen.

Nieuwe wegen in het lectuurwerk in Afrika.

In het zendingsblad van de Ned. Herv. Kerk verscheen in het juli-aug. nummer een boeiend artikel van drs. H. van 't Veld. Hij wijst er op hoe men met he't bouwen van boekwinkels, waar de lectuur keurig achter de etalages ligt uitgestald niet klaar is in Afrika. Slechts de élite komt naar de winkels om een bijbel of boek te kopen. Het merendeel van de arme plattelandsbevolking komt nooit naar de stad en zal zeker niet zomaar een winkel binnen lopen. Daarom zal een andere weg gevolgd moeten worden.

Wij geloven, dat we in Afrika een heel andere weg opmoeten dan de tot nu toe vaak gevolgde. Als het Boek en het boek niet door de mensen wordt afgehaald, zal het de mensen moeten opzoeken. In plaats van de statische distributie is een meer mobiele dringend nodig. Naast de bakkers hebben de bakkersknechten een grote taak. Vroeger deed in Afrika, om op het grote belang van christelijke lectuur te wijzen, de leus wel de ronde: „Verkoop ziekenhuizen en sticht kranten." Nu zouden we een nieuwe willen lanceren: „Sluit veel boekwinkels en trek er op uit". Beperk u niet tot een etalage die zegt waar het brood verkrijgbaar is, maar breng het rond! En dan zal meer en meer In Niles' definitie voor „zendeling" het woord „iedere Afrikaanse christen" gelezen moeten worden. Brood voor het hart moet geen blank avontuur in Afrika zijn, maar een Afrikaans avontuur. Een Afrikaanse kerk die de opdracht heeft gehoord en verstaan, en die nu, hoe arm en onbemiddeld ook, toch in geloofsgehoorzaamheid op weg' gaat, het avontuur tegemoet, naar een toekomst die God haar wijzen zal.

Er ligt hier een grote taak voor de Afrikaanse christenen. Nodig is dat de terreinen verdeeld worden en dat elke kerk een colportage-organisatie opzet. Niet de volgepropte etalage is het belangrijkste, maar het gesprek met de koper: „Verstaat ge ook wat ge leest? " Daarom moet men naar de huizen en hutten toe. Drs. van 't Veld illustreert een en ander aan het lectuurwerk in Kenya. Veel is hier al op dit gebied gebeurd. Het East-African Literature Bureau heeft in de loop der jaren maar liefst in 28 talen publicaties afgeleverd. Het is de moeite waard te vernemen wat er thans op dit gebied in Kenya alzo gebeurt.

Maar wel zagen we het als onze taak — en we hebben er anderen de ogen voor trachten te openen om te zorgen voor wat pittiger uitgaven: Een concordantie, commentaren, een bijbels woordenboek, (hoe, geliefd is elke „dictionary"!) een kerkgeschiedenis, boeken op het gebied van ethiek en oriëntatie t.a.v. het moderne leven, De dekolonialisatie voltrekt zich traag. Werkloosheid, gebruik van het land, loonpolitiek, geboorteregeling enzi. zijn grote problemen, ten aanzien waarvan de Afrikaan een eigen houding za' moeten vinden. Ook dit is een Afrikaans avontuur, waarbij zijn onderdanig „Yes sir" tegen de blanke zal moeten wijken voor een gelovig „Yes Lord" tegen Christus. Alleen van deze, soort lectuur kan de Afrikaan begrijpen dat het verkocht wordt, de rest kan volgens hem wel gratis gegeven worden.

Een verdere taak ligt ook hier in de distributie. De geloofszendingen beperken zich meestal tot de stationaire boekwinkel-verkoop die men tracht te rechtvaardigen met leuzen als: „Als iemsind echt christen is, komt hij heus wel naar mijn winkel." Alsof de bijbel en het christelijl! boek niet missionair actief moeten zijn! Twintig evangelisten werden tot colporteur aangesteld in een gebied van Haarlem tot Heerènveen en van Soest tot Sittard. Verder verschillende onder-

wijzers en ook de ziekenverplegers verkopen boeken in de dispensaries.

Elke evangelist verkoopt voornamelijk in zijn eigen werkgebied en kan daardoor de nodige nazorg geven. Hij weet aan de hand van zijn verkoop, waar er begeerte naar het ware Brood is ontstaan, of waar er nog afkeer van is. Hij kan aan deze gevallen al zijn pastorale zorg wijden.

Op deze wijze en door de aard onzer publikaties wordt er goed verkocht. Er kwam een 3 taliy liedboek, met o.a. 25 berijmde psalmen. Vooral ook omdat één dezer talen Engels is, zijn de scholen zeer geïnteresseerd. Een verduidelijkte Swahili vertaling van de Heidelberger vindt be langstelling bij en zijn weg in andere kerken en hun leerboeken.

• Nu de scholen in gouvernementshanden overgaan en de kerken alleen nog een taak houden t.a.v. het godsdienstonderwijs op de scholen, zijn boeken voor godsdienstonderwijs van groot belang. Wij hebben plannen het SwahiH-gebied van de kinderbijbel te voorzien.

Het moge ons aller belangstelling wel hebben. Telkens weer worden we getroffen door de mogelijkheden die God geeft voor de verbreiding van Zijn evangelie. Methoden kunnen daarbij wisselen, maar het gaat om dit ene, dat de hongerigen brood voor het hart ontvangen. „En bij dit alles geldt dat het goede brood niet beschimmeld op de planken in de winkels mag blijven liggen, maar werkelijk het Afrikaanse hoofd en hart bereikt", aldus de schrijver.

De zending in het tijdperk van de auto.

Dat is de titel van een openingscollege gehouden door prof. dr. E. Jansen Schoonhoven en gepubliceerd in het zendingstijdschrift „De Heerbaan" van juli- augustus 1965.

Ieder die enigermate op de hoogte is van het zendingswerk weet dat men gewoon is om de tijd na de tweede wereldoorlog aan te duiden als een nieuw tijdperk voor de zending. Men kan dit nieuwe tijdperk op allerlei wijzen karakteriseren. B.v. zending in het tijdperk van de nieuwe gedekoloniseerde staten, zending in het tijdperk van de ontwikkelingshulp, zending in het oecumenisch tijdperk etc. Prof. Jansen Schoonhoven noemt hierbij een kenmerk dat ons mogelijk wat onbeduidend voorkomt: Zending in het tijdperk van de auto. Zoals overal heeft uiteraard ook in het zendingswerk de auto zijn intrede gedaan. Daar blijken bij nadere beschouwing nogal enkele problemen aan vast te zitten, die wij ons vaak ternauwernood realiseren.

Prof. Jansen Schoonhoven somt de volgende bezwaren op:

1. Het verschil tussen de westerse en niet-westerse levenswijze wordt door het veelvuldig gebruik van de auto in de zending geaccentueerd. De overgrote meerderheid der Afrikanen moet de afstanden lopend afleggen. Dat schept verwijding van de kloof tussen levensstijl en levensgevoel.

2. De contacten met de mensen worden geringer en vluchtiger. De zendingsarbeider kan zich per auto snel verplaatsen. Hij kan 's avonds weer thuis komen op zijn bezoekreizên. Vroeger was men soms dagenlang van huis; men trok met de mensen van het land op. En er was een diepgaand contact. Het gevaar bestaat dat men door de auto wel veel werk verzet, maar toch naast de mensen van het land komt te staan, en langs hen heenleeft.

3. Waar de zendingspredikanten wel, maar hun collega's uit het land zelf geen auto bezitten dreigen scheve verhoudingen te ontstaan. De auto geeft aan de blanke zendingsarbeider een zekere status. Dat kan spanningen opleveren in de verhouding tot de inheemse predikanten.

4. De beleving van de tijd en de ruimte is een totaal andere dan die van de mensen waarvoor men gekomen is. 5. Door dit alles wordt het rnoeilijk door te dringen tot de eigenlijke gevoels-, gedachten- en leefwereld van de mensen tot wie men gezonden wordt.

Men zal eerlijk moeten erkennen dat deze bezwaren serieuze overwegingen verdienen. Zending in een technocratisch tijdperk brengt zo zijn eigen problematiek nfiet zich mee. We menen alleen, dat het niet zozeer de auto op zichzelf is, die het bezwaar oplevert — immers niet alleen de blanke maakt ervan gebruik, ook vele inheemse regeringspersonen, zakenlieden, ambtenaren etc. — alswel de botsing van twee culturen, waar de zendeling tussen verkeert. Prof. Jansen Schoonhoven is uiteraard nuchter genoeg om te beseffen dat we de klok niet terug kunnen zetten. Men kan ook in het zendingswerk niet zonder de auto. Denk alleen maar aan het werk van zendingsartsen en verpleegsters. Maar het gaat wel om het rechte gebruik.

In dit verband schrijft prof. Jansen Schoonhoven:

„Er zijn nog gebieden, ik denk b.v. aan West- Irian of Borneo, waar men door het ontbreken van een wegennet aan een auto niets heeft. De daar werkende zendingsarbeiders mogen zich over het gemis van dit hulpmiddel troosten met de overweging, dat zij daardoor ook van de problemen die ik noemde zijn vrijgesteld. De anderen echter, die wel een auto te hunner beschikking krijgen, wil ik opwekken tot een critische houding tegenover dit fascinerende instrument. De apostel Paulus zegt in 1 Cor. 7: „Laten zij die van de wereld gebruik maken, zijn als zouden ze haar niet ten einde toe gebruiken." De Willebrord-vertaling geeft deze tekst eenvoudiger weer; „Kortom, zij die met het aardse omgaan, moeten er niet in opgaan." Van de auto gebruik maken, maar haar niet „ten einde toe gebruiken", anders uitgedrukt: „er niet in opgaan", Dat is moeilijker dan het lijkt, want ik noemde de auto reeds een fascinerend instrument. Evenwel, zoals men; uitgaande van de taak in de huidige situatie, vóór de auto zal kiezen, zo zal men, eveneens uitgaande van de taak in het heden, middelen beramen om aan de gevaren, die ik schetste te ontkomen. Kort geleden reed ik met een jonge „fraternal worker" door Noord- Afrika. Bij het passeren van Berber-tenten zei hij: „Ik zou eigenlijk eens_ een maand met zo'n herder moeten meetrekken in zijn tent." Hij begreep, dat hij er met zijn auto alleen niet kwam.

Het gaat erom critisch te blijven tegenover zichzelf en, het koste wat het kost, de weg tot het werkelijke leven van de mensen te vinden. Men zal dus van zijn Europese tijdsindeling en werkprogrammering ook afstand moeten kunnen doen; men zal om tot werkelijk contact te komen, de tijd moeten nemen en de auto dan maar eens rustig moeten laten staan; men zal voor kortere afstanden ook eens te voet moeten gaan, of te paard of per ezel en men zal verbaasd staan over de winst die dit tijdverlies oplevert.

Dat het in dit alles om meer gaat dan om een technische kwestie, of een zaak van aanpassing aan de gewoonten van het land, illustreert deze hoogleraar ten slotte aan het woord van Paulus uit 1 Cor. 9: „Hun die zonder de wet zijn, ' ben ik geworden als zonder wet — hoewel niet zonder de wet van God, want ik sta onder de wet van Christus". Dat laatste is ook in de huidige zendingspractijk het criterium. Onder de wet van Christus staande zullen we alleen bewaard blijven voor het ten einde toe gebruiken van het aardse. Voor de verslaafdheid en de gebondenheid eraan. Want de wet van Christus is immers de wet der vrijheid.

Verschuivingen binnen de Geref. Bonds prediking.

We eindigen dicht bij huis. Zoals u wellicht weet heeft dr. C. Graafland een klein, maar inhoudsrijk boekje gepubliceerd over de prediking in Herv, Geref. kring. Graafland signaleert daarin allerlei verschuivingen, b.v. een herwaardering van het verbond, een meer directe en appellerende prediking; een accentueren van de practijk van het christelijk leven. Belangwekkend is ook het hoofdstuk over de verhouding vaii

Wet en Evangelie. Een pers-overzicht is niet de plaats om op de inhoud van dit boekje in te gaan. Het zij ieder ter lezing aanbevolen. De schrijver hoopt immers met zijn geschrift „een eerlijk en diepgaand gesprek op gang te brengen over onze prediking, die een prediking wil zijn naar Schrift en Belijdenis" (8).

Komt dit gesprek ook op gang? We hebben de indruk dat juist in eigen kring er nog weinig gereageerd is op dit geschrift. In de kerkelijke pers van de laatste maanden die ons onder ogen kwam treffen we een tweetal artikelen aan waarin op het boekje van dr. Graafland wordt ingegaan. In het blad „Woord en Dienst" bespreekt prof. dr. H. Berkhof dit boek. We geven uit dit artikel het volgende citaat:

Het gaat er nu om, wat we met dit appelleren de geschrift doen. Ik hoop, dat ook vele niet- Bonders het zullen lezen. Niét om farizees to zeggen: „Zie je nu wel, dat heb ik ook altyd gezegd!"; want heel veel uit dit boekje is beslisl door hen niet of niet zó gezegd. Neen, ze moeten het lezen om beter te verstaan wat er elders in een krachtig deel van hun eigen kerk gaande is, om daarmee in voorbede, persoonlijke omgang en kerkelijk gesprek hun winst te kunnen doen. En ook en allermeest: om zich door deze gezonde reformatorische taal zelf tot de orde te laten roepen en te laten verkwikken.

Wat zal de reactie in de „officiële kringen" van de Gereformeerde Bond zijn? Zal men er even benedenmaats op reageren als onlangs op het „Wereldgelijkvormigheidsnummer" van „Wapenveld"? Of zal men het in de doofpot stoppen? Dat zou het ergst zijn voor de Bond zelf. Want deze kritiek zal steeds dringender en luider worden. Juist het pastorale karakter van de G.B. prediking roept immers onafwendbaar deze vragen op.

De schrijver zelf hoopt met zijn boekje , .een eerlijk en diepgaand gesprek op gang te brengen". (8) Wij hopen het vurig met hem. Wij hopen het natuurlijk ook vóór hem, maar toch nog meer voor de G.B. en nóg meer voor de hele kerk en haar roeping in deze tijd. Want de G.B. bezit veel te veel waarheid en wijsheid om zo te zeggen: in de vorm van droge lijnkoeken, dat eenmaal vloeibaar gemaakt, vruchtbaar voedsel kan en moet worden voor heel de kerk en heel het volk.

Ook ds. Velema uit Apeldoorn zou het betreuren wanneer dit geschrift in de kringen van de Geref. Bond niet die aandacht zou krijgen die het verdient, maar min of meer doodgezwegen zou worden. In een sympathiek artikel in „De Wekker" (van 16 juli) schenkt de Apeldoornse predikant aandacht aan dit boekje, dat z.i. ook voor de chr. geref. kerken van belang is. Velema schrijft aan het slot van zijn artikel:

Wel willen we aan het slot van dit artikel onz» waardering uitspreken voor het feit dat collega Graafland dit onderwerp heeft behandeld en zijn geschrift heeft uitgegeven. In kort bestek heeft hij veel gegeven dat voortdurend aan de orde is.

Het is duidelijk dat deze zaken bij hem leven. Hij is er mee in aanraking geweest van jongs af. Zijn proefschrift over „De zekerheid des geloofs" heeft hem nog meer op deze materie gedrukt.

Het is een daad van moed om deze problematiek aanhangig te maken. Het zal hem niet door ieder in de Geref. Bond in dank worden afgenomen. Hij werpt heilige huisjes omver. En dat is nog altijd een riskant bedrijf. Niet ieder kan dit verdragen.

Daarom temeer zijn we blij dat dit boekje gekomen is als een teken dat er nagedacht wordt over allerlei problemen, waarmee we inzonderheid in de rechterflank van de Geref. Gezindte worstelen.

De vraag blijft alleen over: waar brengt ons dit? Hoe kunnen we het waardevolle dat er inzonderheid in de eerste periode van de Nadere Reformatie gewonnen is, bewaren? Hoe vervreemden we hen niet, die vastzitten in de oude schema's? Wat zegt de ontwikkeling, die b.v. in de Geref. kerken aan de gang is ook op het punt van de prediking, voor de hier aan de orde gestelde problematiek? Hoe kimnen we voluit reformatorisch prediken en leven zonder te vervallen tot de goedkope genade, die de vreze des Heeren verduistert? Deze vragen moeten ook beantwoord. Had dr. Graafland daar meer aandacht aan gegeven, dan was zijn geschrift m.i. nog waardevoller geworden.

Intussen onderschrijven we graag wat aan het slot van het hoofdstuk staat, waarin de vraag wordt behandeld: Zijn verschuivingen geoorloofd? : „PP straffe van de aansluiting op de mens van vandas^ te missen en als prediker te verstarren, zullen wij alle moeite er voor moeten doen om het Woord Gods naar vorm en inhoud te prediken als een boodschap voor en van deze tijd".

We menen dat dit mede behoort tot het gesprek waar dr. Graafland in het woord vooraf om vraagt. Men kan natuurlijk de tegenwerping maken, dat het vermoeiend is altijd maar weer te spreken over het gesprek. Daar zit veel waars in. Maar dit argument mag niet gebruikt worden, waar het gaat om zaken die het wezenlijke in de Kerk raken. En daartoe behoort zeker de vraag op welke wijze het klassieke Gereformeerde belijden in onze prediking vernieuwde geldigheid ontvangt. Het gaat dr. Graafland immers niet om nieuwlichterij, maar om een reformatorisch réveil. Om een terugkeer tot en een opnieuw verstaan van de Reformatie ze f. Het zou te betreuren zijn, wanneer uit een zekere vermoeidheid — of moeten we zeggen: gemakzucht? — juist in onze eigen kring de bezinning op deze zeer wezenlijke zaak achterwege blijft. Daarmee zouden we de Hervormd-Gereformeerde beweging een slechte dienst bewijzen. Immers juist deze bezinning behoort mede tot de verdediging en verbreiding van de Waarheid.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 augustus 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE PERS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 augustus 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's