De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Voorgeschiedenis van het Doopoformulier VII (SLOT)

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Voorgeschiedenis van het Doopoformulier VII (SLOT)

7 minuten leestijd

Nu volgt in 't onderwijzend gedeelte van Datheen's formulier de motivering van de Kinderdoop, al weer wat uitvoeriger dan in het onze. Maar de uitgebreidheid doet misschien juist het uittreksel, dat wij gebruiken, des te beter verstaan.

„En al is het, dat onze kinderen deze gemelde oorzaken en verborgenheden nog niet begrijpen en nog veel minder kunnen belijden, zo mogen zij nochtans van de H. Doop geenszins uitgesloten worden, aangezien zij door God tot Zijn verbond geroepen zijn, dat Hij met Abraham, die een vader aller gelovigen is, en zijn zaad en alzo ook met ons en onze kinderen gemaakt heeft. Ik wil, spreekt de Heere, Mijn verbond oprichten tussen Mij en u en uw zaad na u bij uw nakomelingen, dat het een eeuwig verbond zij, alzo dat Ik uw God ben en van uw zaad na u.

Nu is onze Here Jezus Christus in de wereld gekomen niet om die genade Zijns hemelsen Vaders te verminderen, maar veel meer dat verbond der genade (dat hier voorheen binnen het volk Israels besloten was) door de ganse wereld uit te breiden en heeft in de plaats der besnijdenis de H. Doop tot een waar teken en zegel van dit verbond voor ons en onze kinderen ingesteld, zoals de heilige apostel Petrus zulks uitdrukkelijk leert, Hand. 2, zeggende : Doet boete en een iegelijk late zich dopen in de Naam van Jezus Christus tot vergeving der zonden, zo zult gij de gave des H. Geestes ontvangen, want van u en uwe kinderen is deze belofte en van al degenen, die nog verre zijn. welke God onze Here ook daartoe roepen zal.

Alzo beveelt ook de Here Christus Zelf de onmondige kinderen tot Hem te brengen en belooft hun met woorden en werken het hemelrijk, zoals Marcus in het 10de hoofdstuk schrijft: te dier tijd brachten zij kinderen tot Jezus, opdat Hij ze aanraken zou. En de jongeren bestraften degenen, die ze brachten. Toen Jezus dat zag, nam Hij het onwaardelijk (= kwalijk) en sprak tot hen: laat de kinderen tot Mij komen en verhindert hun dat niet, want zulken is het rijk Gods. Voorwaar Ik zeg u, wie het rijk Gods niet ontvangt gelijk een kindeke, die zal daar niet inkomen. En Hij omving ze in Zijn armen en legde de handen op hen en zegende hen.

Uit deze woorden is het openbaar, dat ook onze kinderen in Gods rijk en verbond zijn en daarom ook de Doop als het zegel des verbonds behoren te ontvangen, al is het, dat zij de verborgenheid des H. Doops door jeugdigheid van jaren nog niet verstaan, evengelijk ook de kinderen door Jezus Christus Zelf met woorden en werken gezegend zijn. En gelijk zij in de oude Kerk ten achtsten dage besneden werden, hoewel zij noch de zegen des Heren, noch de verborgenheid der besnijdenis konden verstaan of begrijpen".

Enkele opmerkingen weer bij de vergelijking van het formulier van Datheen met het onze.

Weer treft ons het volgen van dezelfde lijn, het citeren van dezelfde Schriftgedeelten (in een vertaling van vóór de Statenvertaling).

Toch zijn er ook enkele opvallende verschillen. In het algemeen kunnen we zeggen, dat óns formulier hier korter, maar ook krachtiger is dan het voorbeeld van Datheen.

Vooreerst last ons formulier de parallel in tussen Adam en Christus. U kent die uit Romeinen 5 en 1 Cor 15.

Het gaat hier echter speciaal over de positie van de kleine kinderen. De Doperse stromingen willen alle nadruk altijd in de eerste plaats leggen op de bewuste persoonlijke toeëigening van het heil, dat in Christus is. Dan kan de met bewustheid ondergane Doopsbediening volgens hen alleen zin hebben en troost bieden.

Hiertegenover hebben onze Vaderen de objectieve geldigheid van het Woord van God gesteld.

De „staat" van het kind is niet afhankelijk van de eigen bewustzijnsinhoud, maar van de verklaring, die God er over uitspreekt in Zijn Woord. Die verklaring is, wat dat kind als zondaarskind aangaat, vernietigend. Het kind ligt onder het oordeel van God over de zonde, ook over de erfzonde. „Het is der verdoemenis in Adam deelachtig". En dat , , zonder zijn weten".

Dat oordeel van God over het kind is geldig, onafhankelijk van de vraag of het kind zich daarvan al of niet bewust is.

En precies op dezelfde manier is nu de staat van het kind bepaald door de belofte van Gods verbond. De waarde daarvan wordt niet bepaald door hetgeen er in dat kind omgaat of gevonden wordt, maar door de souvereine verklaring van God. Hij neemt ze, zo klein als ze zijn, als het zaad Zijner gemeente in genade aan. Dat betekent niet een of andere vorm van ingegoten of ingeschapen „genade", maar een gemerkt-zijn door het teken van Gods goedertierenheid.

Het kind weet daar niet van.

Wel zal het daarvan, groot geworden, nioeten weten. Daarom eindigt in ons formulier dit gedeelte met de bij Datheen althans hier ontbrekende opdracht aan de ouders, volgens welke zij gehouden zullen zijn hun kinderen in het opwassen hiervan breder te onderwijzen.

Die vermaning is er ook aan toegevoegd, omdat als gronden voor de Kinderdoop veel meer uit de Schrift aan te voeren is dan de plaatsen uit Genesis 17, Handelingen 2 en het moment van de zegening der kinderen. Kort geleden is nog weer eens over- , vloedig exegetisch materiaal bijeengebracht door dr. De Ru in zijn proefschrift over De Kinderdoop.

De kinderzegening (uit Matth. 19 en Mrc. 10) heeft op Datheen blijkbaar bijzondere indruk gemaakt. Tot tweemaal toe merkt Datheen op dat Jezus Christus hier gehandeld en gesproken heeft „met woorden en met werken". In het omhelzen van de kinderen en de handoplegging leest Datheen de stellige en tastbare bekrachtiging van de belofte Gods aangaande de kleine kinderen der gemeente.

We merken hierbij nog op, dat het toch wel een bewijs is van grote oppervlakkigheid en van een blijven hangen aan de buitenkant, wanneer men denkt, dat met het ophouden van de besnijdenis als zegel des Verbonds, nu het hele Verbond weggevallen is. Het is duidelijk dat alleen de vorm van het verbondszegel veranderd is, in verband met de bloedstorting van de Here Jezus Christus, Die daarmede een einde gemaakt heeft aan alle schaduwen. De vorm is nu anders geworden. De zaak zelf is gebleven en is onder de Nieuwe Bedeling eer ruimer dan bekrompener.

Tenslotte onderstrepen we de krachtige uitdrukking, die in 1574 in het formulier is opgenomen, dat , , de kinderen erfgenamen zijn van het rijk Gods en van Zijn Verbond en daarom als zodanig behoren gedoopt te worden".

Bij ons is de uitdrukking „genade is geen erfgoed" zeer ingeburgerd. En in de zin, waarin men dit bedoelt, is dat ook waar. Denk maar aan Izaak en Ismaël, Jacob en Ezau.

Maar dat gezegde mag niet de kracht ontzenuwen van de qualificering van onze kinderen in het formulier als erfgenamen van het rijk Gods.

Zo worden in de Schrift de kinderen Israels „kinderen des Koninkrijks" genoemd. (Matth. 8 : 12). Het is mogelijk, dat zij buitengeworpen worden. Des te erger!

Maar God begint met onze kinderen de hoge titel te geven van „kinderen des Koninkrijks". En daarom ook erfgenamen. Die daarom een geschonken recht hebben op de erfenis, die in de beloften des Verbonds besloten ligt.

Hoe zullen wij ontvlieden, wanneer wij op zo grote zaligheid geen acht hebben ! Er zijn erfenissen, die men weigert te aanvaarden vanwege de nadelen, die daaruit zouden voortvloeien. De gedoopte, die weigert zich met waarachtig geloof tot God te bekeren, disqualificeert de schatten, die God in Zijn Verbond ons met klem aanbiedt. Jammer, dat men veelal de krachtige uitdrukking: erfgenamen van het rijk Gods en van Zijn Verbond niet aandurft. Ook al is er de mogelijkheid van misbruik, het misbruik heft het gebruik niet op.

Zo hebben we de onderwijzing van ons Doopsformulier duidelijker willen doen spreken door het te vergelijken met hetgeen daaraan is voorafgegaan.

We hopen hierna nog bijzondere aandacht te geven aan de vragen uit ons

Doopsformulier.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 augustus 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Voorgeschiedenis van het Doopoformulier VII (SLOT)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 augustus 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's