GODS ZONEN EN DE DOCHTEREN DER MENSEN
Dit zesde hoofdstuk van Genesis heeft enige moeilijkheden, waarover een enkele opmerking vooraf.
Ten eerste de in ons hoofdstuk genoemde termen: Gods zonen en de dochteren der mensen.
Het is heel erg vreemd, maar er zijn uitleggers, die met de uitdrukking „Gods zonen" aan engelen denken en in het zesde hoofdstuk aan huwelijken tussen engelen en de dochteren der mensen. En als dit eenmaal wordt aanvaard, wordt Genesis 6, althans het eerste deel, tot een mythe. Het is nauwelijks nodig de godvruchtige Bijbellezer op te merken, dat dit helemaal mis is. De engelen hebben geen geslacht. Er zijn geen manlijke en vrouwelijke engelen. En daarom is er niet de minste aanleiding voor zulk een verklaring, die totaal misplaatst en ongegrond is.
De Heilige Schrift wijst ons een betere weg. Letten wij op Ps. 75 : 15, dan zien we, dat de psalmist daar spreekt van „Gods kinderen" en daarmede bedoelt hij mensen. In Johannes 1 : 12 spreekt de Christus al heel duidelijk: „Maar zovelen Hem aangenomen hebben, die heeft Hij macht gegeven „kinderen Gods" te worden, namelijk, die in Zijn Naam geloven, welke niet uit den bloede, noch uit de wil des vleses, noch uit de wil des mans, maar uit God geboren zijn". (Joh. 1 : 12 en 13).
Moeilijker is het derde vers. De Statenvertaling heeft: „Mijn Geest zal niet eeuwiglijk twisten met de mens, dewijl hij ook vlees is". Dr. Aalders vertaalt: „Mijn Geest zal niet voor altoos in de mens blijven, nu zij zich misgaan". De nieuwe vertaling heeft: „Mijn Geest zal niet altoos in de mens blijven, nu zij zich misgaan hebben".
Deze vertaling verschilt niet zozeer van die van Aalders. Prof. Aalders heeft derhalve steun met zijn vertaling, hoewel de zin der vertaling niet klaar en duidelijk kan heten. Hij zelf keurt de Statenvertaling twisten af en volgt onder andere de Septuaginta: „Ik zal mijn Geest, die 's mensen levensgeest is, aan hem onttrekken. Ik zal aan het menselijk leven op aarde een einde maken". Er is nog wel iets op te merken, maar dat gaan we maar voorbij. De 120 jaar, die genoemd worden, bedoelen niet, dat de dagen van de menselijke leeftijd verkort worden, maar wijzen op de termijn, die de toenmalige wereld nog scheidde van het oordeel. Ze hebben nog 120 jaar.
Het zesde hoofdstuk leidt ons in, in een tijdvak van toenemende bevolking en van toenemend verval. Het geslacht van Kaïn ging het klaarblijkelijk wel naar den vleze. En het geslacht van Seth, dat evenals dat van Kaïn sterk was uitgebreid, wordt door de tekst nog wel onderscheiden met de eretitel „Gods zonen", maar het blijkt, dat een periode van verval reeds was ingetreden. Het werd duidelijk, dat zij de afgezonderde leefwijze van het geslacht van Seth begonnen te verlaten voor een leven in de wereldse genoegens, die zij in de kringen der Kaïnieten aantroffen. Steeds levendiger werd het verkeer tussen de beide volksgroepen. Het werd de lieden van Seth aantrekkelijk in gezelschap der Kaïnietische families en eindelijk werd het gewoonte zich te verzwageren met het geslacht van Kaïn. Zie vs. 2 uit hoofdstuk 6.
Gods zonen zagen de dochteren der mensen aan, dat zij schoon waren, en zij namen zich vrouwen uit allen, die zij verkozen hadden. Zij hadden dus geen godsdienstige bezwaren meer. De eredienst des Heeren deed het niet meer of liever, zij deden het niet meer. Zij hadden nog wel de naam en zij worden zelfs in deze geschiedenis van hun afval nog met de eretitel genoemd, „Gods zonen". Het was een futloos versiersel, hun godsdienst. Het echte, het leven was eruit. En de titel „Gods zonen", wordt ze tot een oordeel, dat ze delen met het geslacht van Kaïn. Dat oordeel moeten we uit dat moeilijke derde vers lezen.
De tijd is voorbij. Nog honderd en twintig jaren en dan zal het geschieden, (vs. 3). Sommigen hebben gedacht, dat de 120 jaren van het 3e vers op de leeftijd van het na-zondvloedse geslacht betrekking had. Wel is de leeftijd van de mens allengs verkort, maar de honderd twintig jaren van Genesis 6 : 3 zien op de tijd, die het levende geslacht nog scheidde van de vloed.
De leeftijd van de mensen na de vloed is wel niet zo hoog meer als vóór de vloed, maar toch nog aanmerkelijk hoog. (Genesis 11 : 10 en vervolgens). Allengs is de leeftijd van de mens geringer geworden. Psalm 90 : 10 spreekt van 70, zo wij zeer sterk zijn, 80 jaren. Wel zijn er enkele mensen, die ouder worden, b.v. 90, soms 100 jaar, maar dat zijn slechts uitzonderingen.
De Heere deelt ons nog iets mede omtrent dat eerste geslacht, de directe nazaten van Adam. In die dagen waren er reuzen op aarde. Het mensengeslacht was een reuzengeslacht, en dat bleef ook zo, na de vermenging van de kinderen van Seth met de Kaïnieten. (Zie VS. 4).
Het mensengeslacht van vóór de zondvloed was een reuzengeslacht. Geen zwakke verzinsels van allerlei menselijke onderstellingen, die ons door een would-be-wetenschap van onze eeuw worden voorgespiegeld, vormen onze voorouders of wat men daarvoor houdt, maar een krachtig geslacht van mannen, die zes eeuwen oud werden en dienovereenkomstig van grootte en lichaamskracht. De mens is een schepsel Gods niet alleen, maar de mens is naar Gods beeld geschapen. Die mens had geen overlast van de dieren. Van de planteneters niet en van de vleeseters niet. Die mens is zich bewust geweest van zijn kracht. En zoals het met het bewustzijn van zijn kracht was, was het met zijn zelfbewustzijn en heerschappij.
Het zesde hoofdstuk van Genesis spreekt van hen op duidelijke wijze: deze zijn de geweldigen, die vanouds geweest zijn, mannen van naam. Maar een ding ontbrak. De ware dienst, de dienst van God, de Schepper. Dat was eigenlijk het hart der zonde. De mens moest een stuur in zijn leven hebben en dat was hem in beginsel reeds in zijn schepping gegeven, want hij was naar het beeld van zijn Schepper geschapen.
Maar dat was geen zaak, die los stond van zijn bestaan, van zijn onderrichting, van zijn ontwikkeling, van zijn roeping, want het ging daarbij om de voortdurende leiding Gods.
De schepping naar Gods beeld vraagt de voortdurende leiding Gods om dat beeld te voltooien en tot zijn bestemming te leiden, de heerschappij over de werken Gods en dus het bezig zijn in de werken Gods. Daarom werkt de mens aan een mislukking, als hij zijn eigen wereld wil bouwen en zijn gaven in eigen dienst wil gebruiken. De eerste wereld heeft dat gedaan en is in de vloedgolf verzonken en verdronken.
Noach is gespaard en een nieuw geslacht is uit hem voortgekomen, maar de mens is van zijn zonde niet genezen. Dat is een werk Gods in Christus.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 september 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 september 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's