J.A. Wormser Sr. (1807-1862)
Het Reveil
HET RÉVEIL
VI.
Wij weten, dat Wormser pas vier jaar later zijn pogen met goede uitslag zag bekroond: in 1849 werd de eerste Bijzondere Christelijke School te Amsterdam geopend in een gehuurd lokaal, met 40 kinderen. Graag zouden we nog wat meer laten horen uit deze strijd des geloofs, maar de ruimte ontbreekt ons. Wij vermelden nog slechts, dat Groen met Wormser aanvankelijk streefden naar splitsing van de Openbare School in gezindheidsscholen, voor Protestanten, Rooms-Katholieken en Israëlieten. Maar zij vonden geen gehoor bij de regering. Want toen in 1857 het ministerie Van der Brugghen eindelijk de schoolkwestie zou regelen, kwam er iets uit de bus, wat de strijders voor het Christelijk onderwijs op geen enkele manier kon bevredigen en hen bitter teleurstelde. Groen bedankte toen als lid van de Tweede Kamer, uit protest tegen deze wet.
In 1860 werd de Vereeniging voor Christelijk-Nationaal Schoolonderwijs opgericht. Wormser zat niet in het bestuur, maar was wel de man achter de schermen, als adviseur op Groen's uitdrukkelijk verzoek. Groen noemde hem in deze verhouding zijn „Geheimraad". Teleurgesteld in Van der Brugghen, zocht Wormser naar nieuwe mogelijkheden. Op schoolgebied wilde hij van geen opgeven weten. Hij had indertijd aan Groen geschreven (in 1847): „In de jeugd, op de school, ontvangt men doorgaans de grondslagen en beginselen, die ons ganse leven regelen en besturen, en die, zoo zij valsch geweest zijn, er niet dan met de grootste moeite weder uitgedreven kunnen worden. Deze overweging heeft mij versterkt in het besluit om, bij de vele werkzaamheden, waartoe de gelovigen elkander tegenwoordig opwekken, mijn geringe krachten hoofdzakelijk aan de bevordering van het schoolwezen te blijven toewijden, en die niet te zeer tusschen verschillende werkzaamheden te verdeelen". Zo heeft hij ook gewerkt en geleden, maar niet zonder vrucht. Twee jaar vóór zijn dood sloeg de pas opgerichte Vereeniging een beslist kerkelijke richting in, tot zijn grote vreugde. Wormser sprak nu van, wat hij noemde: Kerkgemeentelijke scholen. ‘Men zou moeten trachten, stil en bedaard, welgezinde kerkelijke-gemeenten in staat te stellen, op blijvende wijze, uitgaande van de gemeente, eene school te stichten voor die gemeente, maar waarop ook kinderen van andere Protestanten worden toegelaten. Die school zou dan behoren aan die gemeente, en haar volgen, hetzij ten goede, of ten kwade. Zij zou deelen in den afwisselenden toestand van insluimering of opwekking, waaraan de gemeente zelve onderworpen is. Daardoor zouden wij, dunkt mij, eene poging doen om eindelijk eens bevrijd te worden van 't vele kunstmatige en illusoir-vrome op geestelijk en kerkelijk gebied, dat op den duur voor de Kerk en voor het individueel geestelijk leven zoo schadelijk is. Zoo wordt de bevordering van Christelijk schoolonderwijs ook een onderwerp van prediking en opwekking door den leeraar".
Wormsers strijd tegen de onkerkelijkheid van het Réveil.
In zijn brief van 18 juni 1845 maakt Groen melding van een circulaire van ds. O. G. Heldring, die hij aan Wormser toezendt. Daarin riep Heldring op tot samenbundeling van de activiteiten der Réveil-mannen. Wormser was zeer verheugd en betuigde zijn instemming, maar had toch nog wel het een en ander aan te merken en te vragen. Deze brief van ds. Heldring is de directe aanleiding geweest tot het oprichten van de vereniging der Christelijke Vrienden. De leden van deze vereniging kwamen eens in het halfjaar bijeen, om plannen te maken voor allerlei christelijke arbeid. De notulen van hun bijeenkomsten verschenen in het tijdschrift De Vereeniging: Christelijke Stemmen dat het volgend jaar uitkwam. Groen presideerde de vergaderingen.
In de briefwisseling van Wormser en Groen komt de activiteit van de Chr. Vrienden herhaaldelijk ter sprake. Voor wat Wormser betreft, beperkte zijn lidmaatschap van de kring zich tot medewerking aan het tijdschrift. Hij had immers zijn bezigheden elders: de Kerk en de Chr. School. Tot op zekere hoogte zouden wij Wormser het geweten van het Réveil kunnen noemen. Wij bedoelen zijn artikelen: over de Onkerkelijke Rigting.Wormser betoogt daarin, dat bij de grote bloei van velerlei christelijke arbeid, de opbouw der Kerk evenwel wordt vergeten. Maar men bedenke wel: alléén de Kerk wordt zalig! Deze Kerk openbaart zich plaatselijk en daarom mag men zich zeker niet van de noden der plaatselijke kerk afmaken, door op de Algemene Christelijke Kerk te wijzen. Om de eenheid der Christelijke belijders te bevorderen is het hoogst gevaarlijk het kerkelijk besef te verzwakken en de eigen belijdenis los te laten. Integendeel, men moet juist daaraan vasthouden! Blijkbaar heeft Wormser hier het oog vooral op de gelovigen in de Hervormde Kerk. Enerzijds zag hij daar een laatdunkende houding van vele intellectuelen tegenover het instituut en de confessie der kerk, anderzijds de mede ten gevolge van die houding welig tierende, ongezonde conventikelgeest der „Veluwsche en Huisser-rigting, - (die echter door het gansche Land hare lijders heeft)". Deze bekrompen rigting" vat immers de leer van Gods vrijmacht en genade op als noodlot en maakt de mensen steeds meer ongevoelig voor de roepstem Gods tot bekering en genade. Deze richting is meestal „het gevolg van de langdurige verwaarlozing en bestrijding der gemeenten door hare herders en leeraars". Deze onkerkelijke richtingen bevorderen het individualisme en subjectivisme, wanneer zij om samenwerking der gelovigen van verschillende kerken mogelijk te maken, dit wil bewerkstelligen buiten de Kerk om en zonder onderlinge kerkelijke gemeenschap van de belijders. Zo wordt uitputting van de bestaande Protestantse kerken in de hand gewerkt. De kerkvorm, uitgehold, valt aan het ongeloof ten prooi en wordt straks het wettig kerkelijk omhulsel voor de propaganda van afval en ontaarding. Evenals de Maatschappij tot Nut van het Algemeen, rust de tegenwoordige samenwerking der christenen veelszins op 'n onkerkelijke grondslag. „Gewis, ik stel den arbeid, de opofferingen en de zelfverloochening van dierbare broeders en zusters, die ten behoeve van vele godsdienstige en weldadige inrigtingen met Christelijke ijver werkzaam zijn, op hoogen prijs; maar ik moet tevens erkennen, dat de glans der tegenwoordige opgewektheid, zoo zij bij hare Christelijke rigting niet tevens een kerkelijk karakter aanneemt, niet in staat is voor mij de donkerheid te bedekken van de toekomst, die Kerk en Christendom beiden in ons vaderland, ook door haar, tegemoet gaan".
De bekrompen richting moet tegengegaan worden, door aan de Belijdenis en aan het kerkelijk standpunt vast te houden, door „een geheel boek van den Bijbel, kort, praktikaal en geregeld achter elkander te verklaren" en door de verspreiding van Bijbels en Testamenten, niet zoals de Bijbelgenootschappen doen, zonder verklaringen, maar met kanttekeningen en eenvoudige aantekeningen.
Tenslotte zegt Wormser: „Daarom wensch ik voor afzonderlijke en gemeenschappelijke werkzaamheid van geloovigen; voor buiten- en binnenlandsche Zending tot uitbreiding van het Koninkrijk Gods, het kerkelijk standpunt in Belijdenis en bewustheid aangenomen te zien ALS GRONDSLAG EN DOEL". Maar welke Kerk bedoelt hij nu? „De Gereformeerde gezindheid, door welke zich de Kerk van CHRISTUS, ik zeg niet uitsluitend, maar vooral heeft geopenbaard. Zij is en blijft in dit Land de Nationale Kerk. Niet omdat zij de gansche Natie omvat of ooit omvat heeft; niet omdat ik de Natie als wereld in de Kerk zou wenschen erkend te zien; maar omdat de Heere vooral in en door haar, bij deze Natie Zijne Kerk heeft geplant en bewaard".
In 1852 en 1853 verschenen de artikelen over De Kinderdoop. Daarin hamert Wormser op het zelfde aambeeld, alleen gaat hij nu min of meer systematisch uit van het Verbond. In zijn brief aan Groen van 31 mei 1850 zegt hij: „Ik voor mij zie geen heil dan in het genadeverbond, dat de gansche KERK omvat. Dan heeft de Kinderdoop, waarvan de wettigheid hier te Amsterdam door steeds meerderen betwijfeld wordt, kracht en betekenis, liefelijkheid en leven, ook als de grondslag van de huiselijke en de schoolopvoeding; dan ook eerst kan men dierbaarheid zien in Christen-staten en Christen-natiën, en erkennen dat de Heere regtvaardig is, wanneer Hij zijne oordeelen zendt over volken, die grotendeels uit verbondbrekers bestaan, en bij welke het verbreken des verbonds stelselmatig geleerd en verdedigd wordt".
In het voorbericht van de latere afzonderlijke uitgave van zijn artikelen begint Wormser aldus: „Dikwijls heeft het mijne opmerkzaamheid tot zich getrokken, dat velen uitermate bezorgd zijn, om de heiligheid der godsdienst onbesmet te bewaren door zich standvastig te verzetten tegen iedere poging, welke de strekking heeft om haar in verband en in aanraking te brengen met den mensch, gelijk hij zich op deze wereld, in iedere betrekking van het bijzondere en openbare leven, beweegt. Die zorgvuldigheid en ijver, om de heiligheid der godsdienst tegen onze onheiligheid in veiligheid te stellen, komen mij verdacht voor. Ik vrees dat men niet zozeer beducht is voor onzen besmettenden invloed omtrent haar als wel voor haren heiligenden invloed omtrent ons".
Wordt vervolgd
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 september 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 september 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's