J. A. Wormser Sr. (1807-1862)
Het Reveil 39
HET RÉVEIL 39
VII.
Wij geven nu het een en ander weer uit dit hoofdwerk van Wormser.
„De natie was oorspronkelijk heidensch, en als zoodanig behoorde het Christendom niet tot hare geschiedenis. Als door eene aan haar vreemde magt, werd zij door het Evangelie als eene kracht Gods tot zaligheid aangetast, bewerkt, overwonnen, en gebragt onder de gehoorzaamheid des geloofs. Sedert dien tijd behoort het Christendom tot hare geschiedenis; is bij haar het Christendom nationaal. Maar eene andere, op hare beurt vreemde, magt, aan Evangelie en Christendom vijandig; de magt van het liberalisme, heeft haar vooral sedert de vorige eeuw, aangetast en haar vele wonden toegebragt, doch tot dusverre niet overwonnen. Wij ontkennen dus niet, dat het revolutionaire tijdvak, door welks beginselen zoo vele Nederlanders besmet zijn, tot onze historie behoort; maar wij beweren, dat het pleit op verre na niet beslist is, of de natie, gelijk zij vroeger haar heidensch karakter voor een christelijke verwisselde, thans geneigd zal zijn haar christelijk karakter voor een atheïstisch te verruilen".
„Over de ongelukkige uitdrukking van: gedoopte Heidenen, toegepast op de overgroote meerderheid onzer natie van wege haren afval van het Christendom in leer en wandel, verwondert zich bijna niemand meer. Men heeft zich nu eenmaal aangewend, in strijd met zijne eigenen handelingen ten aanzien van de doop, het Christendom te beperken tot hen, die kennelijk tot den Heer bekeerd zijn; — men heeft zich gewend aan de voorstelling, dat iemands betrekking tot het Christendom begint met zijne bekeering. Maar wat was hij dan gedurende den tijd, die er verliep tusschen den doop, dien hij als kind ontving, en zijne bekeering? Een Jood? Een Heiden? En waarom laat gij uwe kinderen doopen, alvorens gij van hen de belijdenis hunner bekeering verneemt ? Is het opdat zij gedoopte Heidenen zouden zijn? Stelt gij daarin zulk een uitstekend belang? Waart gijzelf Heiden tot dat ge u tot den Heer bekeerdet? Was uw doop u niets, ook geen getuigenis tegen uwe afkeerigheid van den Heer, van Zijne genade en Zijne dienst? Zijn uwe kinderen inderdaad Heidenen, is hun doop hun niets? Is onze natie nog eene heidensche natie, ofschoon in haar geheel gedoopt? Is haar doop haar niets, ook geen getuigenis tegen haren afkeer van de haar in het Evangelie toegebrachte genade? Worden dan in ons land de Heidenen bij voorbaat in massa gedoopt of misschien sommigen hunner later bekeerd zullen worden?
Een weinig nadenken zal ons spoedig overtuigen, dat vele godvruchtigen, meer dan zij vermoeden, in eene labadistische en baptistische rigting verkeeren, en dat het fiksche, krachtige en onbekrompen standpunt van de oude Gereformeerde Kerk bij velen plaats heeft gemaakt voor een ziekelijke, enghartige getrouwheid, waardoor men onbekwaam wordt om aan Gods waarheid en instellingen vrije beweging en werking te laten, en ieder terrein lijdelijk aan dwaling en ongeregtigheid overgeeft, indien men zelf maar retireeren mag ten einde zich schijnbaar niet te bezondigen. Dit retireeren van de godvruchtigen van tusschen de gedoopten is eene van de grootste aanleidingen tot verderf van Kerk en Staat, en geeft het bestaan aan eene zonderlinge praktikale dwaling, vooral in onzen tijd. Omtrent alle klassen van eigenlijke Heidenen, omtrent kannibalen zelfs, zal men dikwijls een soort van welwillend medelijden gevoelen en somtijds zelfs geneigd zijn mede te werken om hen door zendelingsarbeid met het Evangelie bekend te maken. Maar omtrent gedoopte stamgenooten, die van de kennis des Heeren vervreemd zijn, gevoelt men dikwijls niets dan afkeer en haat, en openbaart zich meermalen de neiging om hen over te laten aan hun lot. Over deze zoogenaamde gedoopte Heidenen wordt dikwijls met minder barmhartigheid dan over de eigenlijke Heidenen gedacht. En nogtans waren hunne voorouders misschien blinkender geloovigen dan gijzelven zijt, en kan de doop als zegel des genadeverbonds van Gods zijde niet verbroken worden. En nogtans zullen uwe eigene nakomelingen, misschien reeds spoedig, het getal dezer gedoopte Heidenen vergrooten. Ook daarom is het vooral noodzakelijk in het oog te houden, dat, zoo wij wenschen, dat onze kinderen en verdere afstammelingen den Heere geheiligd mogen zijn, het niet genoeg is ons te bepalen tot een thans reeds moeijelijk genoeg geworden godvruchtige opvoeding van ons eigen het eerst ons volgend geslacht; maar dat het bovendien volstrekt noodzakelijk is, dat onze nationale omgeving, dat onze nationale instellingen christelijk zijn; dat het openbare gezigt der goddelijke waarheid en de middelen der genade overal rondom ons gehandhaafd en bewaard blijven".
„De gedoopte wordt in zijn doop aan alle zijden met de verzekeringen van Gods genade omringd; hij wordt er mede overgoten. En de Gereformeerde Kerk wil dat de gedoopte hiervan in het opwassen breeder zal worden onderwezen. Dit onderwijs blijft echter veelal achterwege. Zelfs geven vele geloovigen aan hunne kinderen en aan andere gedoopten een tegenovergesteld onderwijs, en spannen aan zichzelven en aan anderen strikken, door, ook met betrekking tot de Kerk, bedenkelijk en angstvallig te onderzoeken voor wie CHRISTUS al, voor wie Hij niet zal gestorven zijn, en door velerlei Godonteerende vragen omtrent een welmeenend of niet-welmeenend aanbod van genade. En toch doopt men; en toch brengt men zijn kroost geregeld tot den kinderdoop; en toch erkent men de doopsbediening van al de gezindheden, en dus den doop aan de gansche natie toegediend. Als de kinderen slechts weinige dagen oud zijn, worden zij gedoopt, telkens met de betuiging, of op grond, dat de Heer niet minder voor hen, dan voor de volwassenen Zijn bloed vergoten heeft. Maar als diezelfde kinderen volwassen zijn, en als zij als mannen en vrouwen de gemeente uitmaken, durft men die betuiging, over hen als zuigelingen uitgesproken, en welke men nog voortdurend over de kinderen uitspreekt, niet langer volhouden; en wordt niet zelden ook de beste predikatie als algemeen veroordeeld, omdat de predikant aan de volwassenen zegt wat hij of zijn voorganger hun reeds als bewustelooze kinderen, twintig of dertig jaar vroeger, bij den Doop gezegd heeft: dat wij in CHRISTUS hebben de afwassching onzer zonden! En niet alleen dit; maar ook zij, die van wege hunne zonden bekommerd, naar den Heere zoeken en vragen, worden dikwijls stelselmatig gepijnigd en in het onzekere gehouden, door het ten minste bedenkelijk en twijfelachtig te stellen, of CHRISTUS' verdiensten ook hun ten goede komen, of Hij ook voor hen gestorven is; terwijl men diezelfde menschen, reeds dadelijk na hunne geboorte, toen zij niet naar den Heer vroegen of konden vragen, met het teeken van Gods genade overgoot, en him een aandeel in CHRISTUS' dood en opstanding verzegelde in den doop! Wanneer de mensch, nog kind zijnde, om niets vraagt of vragen kan en zichzelven niet bewust is, is men omtrent hem zeer mild en ruim, en wordt hij op de meest volledige wijze op den grondslag van alle noodige genade geplaatst; maar als hij, nu volwassen zijnde, aan die genade behoefte gevoelt, wordt men omtrent hem zeer bekrompen, trekt men een bedenkelijk gezigt, en weet men niet of CHRISTUS voor hem wel gestorven is. En toch gaat men voort met de kinderen, en ook de kinderen van hen die alzoo worden opgehouden, te doopen, omdat zij 'in CHRISTUS tot genade aangenomen worden', en 'erfgenamen des Rijks Gods en Zijns verbonds' zijn. In plaats dus van de kinderen naarmate zij opwassen in de leere des doops te onderwijzen, keert men de zaak om, en leert men hen hun doop in zijne betekenis en kracht betwijfelen, en de genade van God in CHRISTUS geheel en al onzeker stellen. Wat bij hunnen doop zeker was, wordt, naarmate zij opwassen, onzeker!"
„Velen meenen dat zij geloovigen zijn, wanneer of omdat zij gelooven mogen dat zij geloovigen zijn. Dit is in zichzelven, in het onderwerp, gelooven; terwijl wij geroepen worden te gelooven in den drieëenigen God, het voorwerp des geloofs. De doop, het zij die aan bejaarden of aan kinderen bediend wordt, verzegelt ons dan ook nooit dat wij geloovigen zijn, maar wat wij in God hebben. Of wij gelooven, of wij God liefhebben, wordt ons nooit door den Heer gezegd; maar de Heer verlangt dat wij het aan Hem zullen zeggen en belijden. Hij zegt en verzegelt wat Hij voor ons wil zijn, — en wacht langmoedig op ons antwoord. Daarom is het gevoelen der baptisten, wanneer zij door den doop onderwerpelijke genade verzegelen en daarom alleen bejaarden doopen willen, verkeerd; vermits niemand dan de bejaarde zelf weten kan of hij genade bezit en gelooft. De omstanders wachten tot dat hij het hun zegt, en nemen zijn belijdenis ter goedertrouw aan. Wanneer hij op grond van onderwerpelijke genade zich doopen laat, ontvangt hij geen zegel van God, maar verzegelt hij zichzelven. Dat zegel zal dan ook ten hoogste onzeker zijn, en zou eigenlijk dikwijls moeten herhaald worden, omdat het zijn grond heeft in en afhankelijk is van de wisselbare gemoedsgestalten en overtuigingen van den gedoopte omtrent zijn genadestaat, en niet vast is in de vrije en onwankelbare genade en trouw van God. De doop dan, het zij die aan kinderen, of aan bejaarden, welke nog niet tot de Kerk behooren, wordt toegediend, verzegelt nooit hetgeen de mensch reeds in zichzelven bezit, maar altoos hetgeen hij in God hebben kan en heeft. En het geloof bestaat niet in een zien op het eerste, maar in een zien op het laatste. Juist daardoor heeft de doop het karakter van een zegel en onderpand, en is hij het beginsel en de aanvang van de verbondsbetrekking tusschen God en den mensch, en van een leven, dat zijn grond heeft in den dood en de opstanding van CHRISTUS. Daardoor is het voorwerp des geloofs vast en onwrikbaar; en bestaat er mogelijkheid dat de onderwerpen, de individuen, de kerken en volken, zich door het geloof in het voorwerp, uit de grenzelooze verwarringen van gemoeds- en verstandsberoeringen ontwikkelen tot christelijke zelfbewustheid".
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 september 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 september 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's