EEN MERK WAARDIGE PASSAGE
Het historisch onderzoek heeft uitgewezen, dat het Romeinse rijk tijdens de regering van de keizer-wijsgeer Marcus Aurelius (161—180 na Chr.) met grote tegenslagen te kampen heeft gehad. Toen hij nog maar nauwelijks de troon bestegen had, braken er in Brittannië reeds verscheidene opstanden uit, vielen de Chatti het Romeinse gedeelte van Germanië binnen, en verklaarde de Parthische koning Vologaeses III Rome de oorlog. Later kwam daar nog een afschuwelijke pestepidemie bij, die de bevolking decimeerde en die vele plaatsen zó ontvolkte dat zij tot de staat van oerwoud of woestenij terugvielen. Bovendien hebben allerlei barbaarse stammen langs de Donau deze moeilijkheden aangegrepen als een goede gelegenheid om Noord-Italië binnen te dringen, waar zij brandschattend rondtrokken en de rijke akkers verwoestten.
In die chaotische tijd heeft een zekere Celsus naar de pen gegrepen om de christelijke kerk te bestrijden als één van de oorzaken, waarom het machtige Rome al meer en meer ineenstortte. Van zijn persoon en van zijn verdere levensomstandigheden is ons zo goed als niets bekend. Men heeft wel eens verondersteld, dat hij in Rome of in Alexandrië geleefd moet hebben. Zekerheid dienaangaande is er echter niet. Wij kunnen enkel vaststellen, dat Celsus in zijn denken nogal sterk door de Griekse filosoof Plato is beïnvloed en dat hij diepgaande studie heeft gemaakt van de bijbel en van de kerkelijke leerstukken, vóórdat hij zich in het strijdperk waagde. Omstreeks het jaar 178 na Christus gaf hij een geschrift uit, „Een waar woord" geheten, dat door de grote Duitse kerkhistoricus Adolf von Harnack „niets anders dan een politiek pamflet" is genoemd.
Helaas is het oorspronkelijk geschrift van Celsus verloren gegaan. Dat neemt evenwel niet weg, dat wij de inhoud voor negentig procent kunnen reconstrueren — voor een aanzienlijk deel zelfs woordelijk. Ruim zeventig jaar daarna, rond 248 na Christus, heeft de kerkvader Origenes namelijk gemeend alsnog met Celsus de strijd te moeten aanbinden. In een uitvoerige apologie heeft hij getracht de beweringen van deze heidense auteur te ontzenuwen. Daarbij is hij zeer zorgvuldig te werk gegaan. Vele gedeelten van het „Ware woord" heeft hij letterlijk overgeschreven. Daaraan is het te danken, dat wij thans nog in staat zijn ons een vrij duidelijke voorstelling te maken van de wijze, waarop Celsus het christelijk geloof als een absurditeit en als Oosterse waanzin aan de kaak heeft willen stellen.
Origenes heeft nu een passage uit het „Ware woord" overgeleverd, die in verband met onze kennis van het missionaire roepingsbesef van de oudchristelijke kerk van uitzonderlijk groot belang is. Celsus probeerde aan te tonen, dat de gehele christelijke propaganda slechts één pleidooi voor onredelijkheid was, waarbij menselijke wijsheid, beschaving en cultuur volkomen terzijde werden gesteld. Naar aanleiding hiervan gaf hij een beschrijving van de zendingsarbeid der oude - christenen, die nergens in de antieke literatuur haar weerga heeft. Hij schreef onder meer:
„(De christenen zeggen: ) Niemand nadere, die beschaafd, wijs of verstandig is. Want dat wordt bij ons slecht gevonden. Maar vrijmoedig kome een ongeletterde, domme, onbeschaafde, onnozele .... Wat is er echter tegen beschaafd te zijn en zich te bekommeren om een sluitend betoog en zijn verstand te gebruiken? Hoe zou dit de kennis van God kunnen belemmeren?
Standwerkers op de markt kunnen verstandige mensen niet lokken en wagen het niet bij hen hun kunsten te vertonen, maar zij dringen zich daarin en spelen daar mooi weer, waar zij een troep kleine jongens, slaven en domoren zien. Zie, zó ook zien wij in onze eigen huizen wolbewerkers, schoenlappers en wasbazen, kortom de onbeschaafdste en platste kerels, het niet wagen tegenover hun oudere en wijzere meesters het woord te nemen, maar zij nemen de kinderen van hun meesters apart, en bovendien 'n troepje vrouwen zonder verstand en dan zijn zij wonderbaarlijk welsprekend: de kinderen moeten geen acht slaan op hun vaders en leermeesters, maar zij moeten hun gehoorzaam zijn. Want de ouders kletsen maar wat en weten niets dat waarlijk goed is, omdat zij steeds in ijdel gezwets van vooringenomenheid blijk geven. Zij zélf (n.l. de christenen) weten echter alleen, hoe men moet leven. Als de kinderen naar hen luisteren, zullen zij gelukkig zijn en hun gezin gelukkig maken.
Maar als tijdens deze gesprekken één van de onderwijzers en verstandigere lieden, of ook de vader zélf voorbijkomt, maken de behoedzamen van hen zich uit de voeten, omdat zij bang worden; maar de brutaleren zetten de kinderen op om de teugels af te schudden en fluisteren hun toe, dat zij als vaders of onderwijzers in de buurt zijn de kinderen niets goeds kunnen bijbrengen De kinderen moeten echter, zo zij dat willen, hun vader en onderwijzer verlaten en met de vrouwen en hun speelmakkers meegaan naar de weverij, de leerwinkel, of de wasserij, om volmaaktheid te krijgen. En door dat te zeggen halen zij hen over".
Het behoeft geen betoog, dat Celsus hier een opzettelijk vertekend beeld geeft van de manier waarop men in de kerk van Christus aan het einde van de tweede eeuw zich van zijn missionaire taak gekweten heeft. Het ligt er dik bovenop, dat hij er haar eigenlijk van heeft willen beschuldigen, dat zij de jeugd bedierf. Hoe gevoelig men daarvoor destijds was, blijkt wel uit het proces, dat de Athener Anytus de wijsgeer Socrates heeft aangedaan. Socrates werd uiteindelijk ter dood veroordeeld, omdat hij o.a. een slechte invloed uitoefende op de jonge mensen. Wij verwijzen naar wat dr. Is. van Dijk in zijn „Socrates" daarvan uitvoeriger zegt.
Hoe dit ook zij, tóch komt van onder de karikatuur ook het échte beeld nog enigermate naar boven. Het is duidelijk, dat men in de oude kerk begrepen heeft, dat er van Christuswege een onontkoombare opdracht was om zelf missionair bezig te zijn, en dat men daarom in alle eenvoud ook alle kansen benut heeft om het Evangelie uit te dragen. Dat daarbij speciale aandacht aan de jeugd gegeven werd, is een verschijnsel dat ons bijzonder treft. Dezer dagen hebben de beide Toradja's, die op uitnodiging van de G.Z.B, een bezoek aan Nederland brengen, met het hoofdbestuur een bespreking gehad, waarin zij mededeling deden van de stand van zaken op Celebes. Merkwaardig was het, te horen dat op de tiende synode van de Toradja-kerk, die dit jaar gehouden werd, vooral ook het plaatselijk zondagsschool-werk van groot gewicht geacht werd en men bepaalde adviezen heeft gedaan ten aanzien van de verantwoordelijkheid en de taak van de ambtsdragers in dezen. Dit ligt in het verlengde van hetgeen Celsus heeft waargenomen van de activiteit der christenen onder de heidense jongeren.
Wij moeten stellen, dat de kerk ten tijde van Celsus wellicht méér verstaan heeft van het missionair karakter van de christelijke gemeente dan in onze kringen menigmaal het geval is. In zijn dissertatie, waarin hij deze zaak in de brieven van Paulus en Petrus nauwkeurig heeft onderzocht, komt dr. Van Swigchem tot de conclusie, dat het missionair element één aspect van het wezen der kerk in deze bedeling dient te zijn. Daarnaast zijn er óók andere. Hebben wij dit niet al te vaak uit het oog verloren? Beschouwen wij de roeping tot zendingsarbeid over het algemeen niet meer als een opdracht voor enkelen, terwijl zij volgens het Nieuwe Testament allen aangaat?
Er is vandaag aan de dag een zeer sterke stroming, die de missionaire roeping tot het wezen van de kerk verklaart. Prof. Van Ruler schreef in 1947 in “De vervulling van de wet": (de kerk) is er terwille van de anderen en van al het andere. Zij is apostolisch. Haar wezen is het apostolaat. Met het evangelie des koninkrijks is zij in de wereld gezet, opdat zij kèrugmatisch zou uitgaan tot de volkeren der aarde om hen te dopen in de naam van de drie-enige God en om hen te leren onderhouden het hele recht Gods. En om nog een voorbeeld te noemen: Prof. Hoekendijk is van mening dat de gehele huidige kerk binnenste buiten gekeerd moet worden, omdat zij enkel een functie van het apostolaat zou zijn. Men leze slechts de bloemlezing uit zijn oeuvre, die enkelen van zijn leerlingen in de Carillonserie 't licht hebben doen zien. Hoe eenzijdig deze visie is en hoe onhoudbaar zij tegenover de Bijbelse gegevens blijkt te zijn, komt wel naar voren uit wat iemand als Prof. Berkhof de laatste tijd herhaaldelijk heeft betoogd over organische èn functionele ecclesiologie, die alle twee in het Nieuwe Testament te vinden zijn.
Het wordt echter de hoogste tijd, dat ook onder ons er de ogen voor open gaan, dat het missionaire aspect in het gemeente-van-Christus-zijn geen bijkomstigheid is, die door ons volslagen ongeïnteresseerd aan de belangstelling van enkele zendingsarbeiders kan worden overgelaten, maar dat het een wezenlijk onderdeel daarvan vormt. Hoezeer wij ons ook te hoeden hebben voor een theologie die de kerk geheel en al laat opgaan in het apostolaat, er haar zelfs helemaal in wil laten verdwijnen, tóch valt het niet te ontkennen, dat naar het getuigenis der Schriften de gemeente des Heeren in haar geheel geroepen wordt tot actieve deelneming aan de verbreiding van het Evangelie van Jezus Christus. In de praktijk ontbreekt het daar veelal nog aan! Celsus' mededelingen zijn in dit opzicht voor ons beschamend. Dat wij dan bedenken hoe het bij de wapenrusting van ieder christen behoort, dat de voeten geschoeid zijn met de bereidvaardigheid van het Evangelie des vredes. (Efeze 6 : 15) !
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 september 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 september 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's