PSALMEN EN GEZANGEN 2
De vorige maal werd getracht, de vragen rondom het al of niet liturgisch gebruik van gezangen te ontdoen van wat emotioneel onkruid. Nu zijn wij toe aan de vragen zelf.
Allereerst leggen wij de motieven van het wel en geen gezangen zingen naast elkaar.
Voorstanders van gezangen hebben als positief motief, dat men van Christus wil kunnen zingen; de heilshistorie kent nu eenmaal naar christelijke opvatting, in onderscheiding van het jodendom, twee perioden: vóór Christus' vleeswording, en de periode tussen Zijn komst en wederkomst, waarin wij nu leven. Liturgisch gezien moet dit laatste tot uitdrukking komen in het gebruik van 't „nieuwtestamentisch lied", bij welke term soms gedacht wordt aan berijmde gedeelten van het Nieuwe Testament, maar meestal aan liederen die in het algemeen stammen uit dit tweede tijdperk tussen komst en wederkomst.
Als negatief motief voor het zingen van gezangen geldt, dat dit van-Christus-zingen voor de christelijke gemeente van zó overheersende betekenis is, dat datgene wat „bezwaarden" daartegenover aanvoeren, niet stringent (bindend, klemmend) genoeg wordt geacht. „Bezwaarden" inzake de gezangen stellen, dat psalmen Gods Woord zijn — al is dat dan ook in berijmde, d.i. zingbaar gemaakte vorm —, en de gezangen in het algemeen niet. Huns inziens geeft dat aan de psalmen zo'n uitgesproken „plus", dat men zich volgaarne aansluit bij het door Calvijn van Augustinus overgenomen woord, dat men God niets waardigs kan toezingen dan wat men zelf van Hem heeft ontvangen.
Daarnaast valt het bezwaarden moeilijk, waardering voor de gezangen op te brengen, omdat zij, lettend op de kerkgeschiedenis in het bijzonder sinds die tijden en op die plaatsen waar de psalmen een zeer grote plaats in de liturgie innamen, de opmars van het gezang zien als een Begleiterscheinung (begeleidend verschijnsel) van het verval der Kerk. Dat komt hun voor, geen toeval te zijn.
„Het gezang" zit ten onzent kennelijk zo vast in het zadel, dat men geen behoefte heeft, de hiervoor aangeduide argumentatie voor het gezangen zingen nader uit te werken. Dit hoort men ook niet van hen, die onder ons zo wel eens aan gezangen denken. Het wel-gezangen zingen schijnt het normale te zijn, dat geen nader betoog behoeft.
Laten we dan eens zien, hoe hecht dat in elkaar zit.
Als gesteld wordt: “wij willen van Christus kunnen zingen", dan houdt dat in, dat men in de psalmen Christus niet vindt.Dat lijkt niet goed vol te houden. Er leefde onder het Oude Testament een Messiasverwachting, die natuurlijk ook in het boek der Psalmen is te vinden.
Voor verscheidene z.g. koningspsalmen is door prof. Edelkoort aangetoond, dat bij de daarin bezongen Koning ongetwijfeld ook bewust aan de Messias gedacht moet zijn, omdat de in die psalmen vermelde goddelijke attributen (kenmerken) door Israëlieten nooit aan aardse koningen mochten worden toegekend.
Afgezien daarvan hadden Israëls koningen de leidersrol van de richters overgenomen, zodat men ondanks het verloop van die overname wel kan zeggen, dat zij op de een of andere wijze het goddelijk gezag vertegenwoordigden, afschaduwden; zodat ook in die koningspsalmen, waarin de koning niet met goddelijke attributen wordt aangeduid, de koning niet geheel als mens onder de mensen mag worden gewaardeerd. Het koningschap duidde ook in die psalmen op het koningschap Gods, waarin niet slechts de Vader, maar ook de Zoon deelt. Die Zoon was weliswaar nog niet in het vlees gekomen, maar werd wel verwacht.
Ten laatste is de gehele in het Oude Testament vervatte heilshistorie met het leven, bewegen en zijn van de oudtestamentische heiligen, waarop ons juist in 't boek der Psalmen zo'n ontroerende blik wordt vergund, volslagen ondenkbaar zonder de beloofde Messias. Op Hem rust immers het Oude Verbond zo goed als het Nieuwe. Calvijn heeft op deze eenheid van het Oude en het Nieuwe Verbond bij herhaling gewezen (zie b.v. H. H. Wolf. Die Einheit des Bundes).
Nu kan men dit alles toestemmen, en er nochtans op wijzen dat de psalmdichters de Christus niet anders dan als de Beloofde kenden. De wijze waarop Christus in de psalmen verschijnt („compareert") draagt daar toch duidelijke tekenen van. Hij blijft er enigszins verhuld in oudtestamentische vormen. Uit wat in de psalmen omtrent de Messias is te vinden, rijst Zijn gestalte voor ons, nieuwtestamentische gemeente, niet zó op, dat Hij zich daarin behalve als Koning, ook als Profeet en Priester duidelijk aftekent. Wij kennen Hem uit het Nieuwe Testament zoveel beter dan de psalmdichters, dat het wat onnatuurlijk zou kunnen lijken, in het kerkelijk lied genoegen te nemen met die wat vage, weinig ontplooide aanduidingen van een uitsluitend als Beloofde, niet als Gekomene gekende.
Dat mag zo zijn, maar het feit dat wij nieuwtestamentische gemeente zijn houdt ook in, dat nu juist wij met die „verhulde aanduidingen" wel raad weten. Dat belet ons te minder, in de Beloofde de Gekomene te herkennen, omdat Gods goedheid in Zijn voortgaande openbaring ons in staat stelt, als het ware de Gekomene in de Beloofde terug te projecteren.
Bovendien, wij wezen de vorige maal al op een toenemend verbondsmatig denken onder ons. En verbondsmatig denken houdt in een als reëel ervaren van Gods beloften. Deze zijn in tegenstelling tot menselijke beloften onbeperkt betrouwbaar. Wat God belooft, zal Hij zeker doen. Daardoor wordt het verschil tussen alleen nog maar beloofd te zijn en ook al vervuld zijn weliswaar allerminst opgeheven (zo zit bijvoorbeeld inzake ons persoonlijk heil, ons opgenomen zijn in het boek des levens, hier uiteraard de uitverkiezing nog tussen, wat in de midden-orthodoxe hoek zo graag veronachtzaamd wordt), maar dat verschil wordt toch enigermate uitgewist. Als dit voor het functioneren van Woord en sacrament (doop!) in de gemeente steeds duidelijker wordt gevoeld, dan is het misplaatst bij de beoordeling van de psalmen op hun geschiktheid als kerklied, belofte en vervulling plotseling weer volledig uit elkaar te willen trekken.
Daarnaast kan er nog op worden gewezen dat wij weliswaar leven na de omwandeling van Christus op aarde, maar dat ons geloven daarmee toch niet volledig in aanschouwen is overgegaan, zoals wij, bij een accentuering van het verschil tussen ons en hen die onder het Oude Verbond leefden, zouden kunnen denken. Dat is niet het geval in zoverre de Heere nog geen „intocht" heeft gehouden „in ons gemoed"; ook niet in zoverre wij nog in dit sterfelijk lichaam leven; en ook niet waar wij nog hopende zijn op de wederkomst des Heeren. Met dit alles staan wij dus nog veel dichter bij de oudtestamentische heiligen dan wij dachten.
Zouden zij, die vrijelijk gezangen gebruiken, hierin mee kunnen komen, dan zou hun slechts overblijven, terug te vallen op een simpel „waarom niet? " Daarom hebben wij nader in te gaan op de inhoud en de kracht van wat bezwaarden inzake de gezangen aanvoeren: de psalmen maken deel uit van Gods Woord, de gezangen niet.
Daarover de volgende keer.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 september 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 september 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's