De Dordtse Leerregels
Hoofdstuk 5, artikel 7
Want, eerstelijk, in zulk vallen bewaart Hij nog in hen dit Zijn onverderfelijk zaad, waaruit zij wedergeboren zijn, opdat het niet verga, noch uitgeworpen worde. Ten andere, vernieuwt Hij hen zekerlijk en krachtiglijk door Zijn Woord en Geest tot bekering; opdat zij over de bedreven zonden van harte en naar God bedroefd zijn; vergeving door het bloed des Middelaars, door het geloof, met een verbroken hart begeren, en verkrijgen; de genade van God, Die nu met hen verzoend is, wederom gevoelen; Zijn ontfermingen en trouw aanbidden; en voortaan hun zaligheid met vrezen en beven des te naarstiger werken.
L. VROEGINDEWEIJ
Hoofdstuk V.
Artikel 7.
Geen volmaakt mens.
Het blijft moeilijk om te zeggen, hoe het precies is met de gelovige. Ook hierin kennen wij ten dele en profeteren ten dele. Straks komt de volmaakte kennis. Om even op de moeilijkheid in te gaan: het werk Gods begint met een levendmaking. Helemaal juist acht ik dit niet, want m.i. is er ook nog het voorafgaande werk, zoals dat in de Gereformeerde Theologie van ouds is aangenomen. De roeping door Wet en Evangelie, bedoelt immers ook om door al wat zij schenkt en werkt, in de mensheid en in de enkele mens de komst van Christus voor te bereiden. Bavinck schrijft dan ook: “In Remonstrantse zin werd zulk een gratia praeparans (voorbereidende genade) door de Gereformeerden beslist ontkend”.
Het geestelijk leven, dat in de wedergeboorte ingeplant wordt, is wezenlijk verschillend van het natuurlijk en zedelijk leven, dat eraan voorafgaat; het komt niet door menselijke werkzaamheid of ontwikkeling, maar door een scheppende daad Gods tot stand. Sommigen noemden daarom de werkzaamheden, die aan de wedergeboorte voorafgaan, liever voorafgaande werkzaamheden dan voorbereidende daden. Maar toch kan er in goede zin van gratia praeparans gesproken worden. God bereidt zelf op menigerlei wijze zijn werk der genade in de harten voor. Hij wekt in Zacheüs de begeerte om Jezus te zien. Lucas 19 : 3; werkt verslagenheid onder de schare, die Petrus hoort, Hand. 2 : 37; doet een Paulus ter aarde vallen. Hand. 9 : 14; brengt de stokbewaarder tot verlegenheid. Hand 16 : 27; en leidt zo het leven van al Zijn kinderen ook voor en tot de ure van hun wedergeboorte toe. Ook al zijn ze nog niet van hun zijde de rechtvaardiging en verzoening deelachtig, al hebben zij nog niet de wedergeboorte en het geloof, zij zijn toch reeds voorwerpen Zijner eeuwige liefde, en Hij leidt hen Zelf, door Zijn genade heen tot dien Geest, die alleen wederbaren en troosten kan. Alles staat dan ook naar de ordening Gods met hun latere toebrenging tot en roeping in de gemeente in verband. Ontvangenis en geboorte, huisgezin en geslacht, volk en land, opvoeding en onderwijs, ontwikkeling van verstand en hart, bewaring voor schrikkelijke zonden, voor de lastering tegen de Heilige Geest bovenal; of ook overgave aan allerlei boosheid en ongerechtigheid, rampen en oordelen, zegeningen en weldaden, prediking van Wet en Evangelie, verslagenheid en vrees voor het oordeel, ontwaking der consciëntie en behoefte aan redding, het is alles één gratia praeparans tot de wedergeboorte uit de Heilige Geest en tot de plaats, welke de gelovige later in de gemeente innemen zal".
Maar goed, na de voorbereidende genade volgt de wedergeboorte in engere zin. Is nu de uitverkorene van top tot teen volmaakt? Wordt hij anders binnen enkele jaren volmaakt? Sommigen zeggen het, maar Schrift en ervaring ondersteunen deze mening niet. Het schijnt, dat het zo is: de uitverkorene is geheel wedergeboren en zo in Christus een nieuw schepsel en hij is (bij tijden) geheel oude mens of moet ik zeggen: bijna of praktisch geheel? Het is wel moeilijk. Het perfectionisme leert, dat de heiligmaking in een wedergeborene geheel voltooid kan worden. De gelovige kan de zonde radicaal uitbannen. Maar dat is dus niet een direct gevolg van de wedergeboorte of van de inplanting van het geloof.
Naar die volmaaktheid moeten de gelovigen toegroeien. Het schijnt voorts ook, dat het woordje volmaakt met enige reserves omkleed moet worden. De volmaaktheid is bij de perfectionisten meer een — volgens hen bereikbaar — ideaal dan werkelijkheid. Men kan zover komen, dat alle boze neigingen en begeerten overwonnen zijn. Maar zelfs dan loert het gevaar. Zolang deze volmaakte mens hier op aarde leeft, kan hij nog door de zonde en de duivel worden overrompeld en ten val gebracht. Weg is dan weer de volmaaktheid. Dan is er toch weer een wedergeborene, die zondigt. Men zegt wel eens: volmaaktheidsdrijvers. Maar zij drijven deze volmaaktheid niet ver. Zij zeggen niet, dat alle gelovigen in dit leven werkelijk volmaakt worden. Zij zeggen meest, dat God reeds in dit leven de volmaaktheid binnen hun bereik gesteld heeft en dat dit een prikkel moet zijn om met inspanning van alle krachten naar haar te streven.
Dat streven is ondertussen uitnemend. Voorts durven onder hen zelfs vergevorderden dikwijls nog niet van zichzelf aannemen, dat zij de volmaaktheid bereikt hebben. Het omgekeerde komt in zekere zin ook voor. Daar zijn mensen, die oprecht en fel klagen over hun onvolmaaktheid en zonden, maar zo van buiten gezien leiden ze een voortreffelijk, beheerst, godzalig leven.
We zijn bezig met de volharding der heiligen. De volmaaktheidsmannen zien deze volharding bestaan in een groeiende onderwerping van het vlees tot aan de volmaakte onderwerping toe. Is dit laatste een gevolg van groeien? De een zegt van wel, de ander bekijkt het anders. Het is wel duidelijk, dat de leer der volmaaktheid een plant is, die alleen maar gedijt op een pelagiaanse en arminiaanse voedingsbodem. Hoe meer kracht men aan de gevallen natuur toeschrijft, hoe gemakkelijker men tot perfectionisme kan komen.
Maar hoe wordt nu een gelovige volmaakt? Wesley had daar deze gedachte over, dat een tweede wedergeboorte daar het middel voor was. God werkt dan een heel bijzondere geloofsdaad. In die weg wordt de volmaaktheid, als vrucht van Gods genade gegrepen. Fletcher daarentegen leerde, dat de volmaaktheid het resultaat is van een langzaam groeiend proces. Zij wordt daarin geleidelijk bereikt door samenwerking van Gods genade met de vrije wil van de mens.
Het is bekend, dat de gereformeerde belijdenisgeschriften wel van mening zijn, dat de staat van Gods volk of van de wedergeborenen volmaakt is in Christus, maar hun levensstand is dikwijls ver van de volmaaktheid. Deze laatste is zelfs nimmer in dit leven te bereiken. Dit niet alleen, maar er is geen enkel werk, geen enkel plekje aan de gelovige volmaakt. De Ned. Geloofsbelijdenis zegt in artikel 24 wel, dat het geloof in de gelovige niet ledig is, maar de vruchten der goede werken voortbrengt. Zij voegt er echter ook aan toe: „Wij kunnen geen goed werk doen of 't is besmet door ons vlees en ook strafwaardig". De Heidelbergse Catechismus verklaart, dat „ook onze beste werken in dit leven onvolkomen en met zonde bevlekt zijn", en dat wij „de schuld nog dagelijks meerder maken". Doch dan zijn er bovendien die vreselijke onderbrekingen van het leven met God. Dan wendt de wedergeborene zich af van Gods wet. Hij zondigt tegen licht en wetenschap in. Het is alsof de remmen wegvallen. Met grote kracht zet de zondige begeerte zich door. De gelovige wordt overweldigd door de zonde, zoals David door Bathseba. Er is geen houden aan. Hoe is dat nu mogelijk bij een wedergeborene, die in Christus een nieuw schepsel is? Zeg het maar, ik weet niet hoe dat mogelijk is, dat een wedergeborene zo losslaat van zijn ankers en op drift raakt, als was er nooit wat met hem gebeurd. Waar is nu de volharding der heiligen? Die is bij God!
De weg terug.
Het is een bekend zeggen: daar is een dagelijkse bekering nodig. Dan denken we echter meer aan het dagelijks wederkeren tot God in schuldbelijdenis en gebed om vergeving. Daarvoor is ook Gods Geest nodig. Het gaat eerst om de aanneming van Christus. Dan en daaruit volgt de wedergeboorte door het geloof. Wie in Christus ingelijfd is krijgt een afkeer van het vorig zondig leven. Het nieuwe geestelijk leven heeft een verlangen en liefde tot heiligheid. Nochtans geldt het woord van Jezus: „Zonder Mij kvmt gij niets doen". Het is noodzakelijk, dat een wedergeborene zich niet inbeeldt zelf iets te kunnen.
Daarom moet hij werkzaam zijn in afhankelijkheid. Dat is de beste manier om bij God te blijven of spoedig weder te keren. Want ook in het hart van de gelovige huizen vele zonden. En wat is de begeerlijkheid der zonde sterk! Zij dringt door tegen alle redelijkheid, tegen zeker weten, tegen opzet en voornemen, tegen de goedheid Gods, tegen de kastijding. Wie vermag iets tegen deze machten? Alleen de wedergeboren mens die in afhankelijkheid opziet tot God. Die in ons werkt het willen en het werken. Doch nu komt de breuk, de diepe afwijking. Hoe kom ik nu terug? Ongetwijfeld ligt er op de bodem der ziel enig geloof en alles wat in de wedergeboorte is gewerkt. Doch het ligt lamgeslagen. Bij David werkte het zo, dat hij niet vrij uit genieten kon van zijn zondig leven. Hij had het er schrikkelijk moeilijk mee. Doch verder bleef hij ver van God in onwil en boze lust volharden. De heilige volhardt in het onheilige, doch met grote smart. Hoe komt hij weer terug? God zoekt David overnieuw op. We kennen het verhaal, hoe Nathan tot hem gezonden werd. David keerde niet terug tot God, maar de Heere keerde terug tot David. Zoals Hij hem de eerste keer tot schuldbelijdenis had gebracht, zo deed de Almachtige ook de tweede keer. De hele eerste bekeringsweg moet weer afgelopen worden, doch het is een weg, die nu met meer ervaring dan de eerste keer wordt gegaan. Toch moet de Heere weer de eerste zijn en door Woord en Geest werken. Aan David moest een bijzonder arbeid Gods geschieden. Datzelfde geldt van Petrus. De weg terug, de volharding in het aanhangen van God is niet een vrucht van de vrije wil of van het wedergeboren hart, maar van Gods hart. De Heere bleef bij David en Petrus en Hij blijft bij al Zijn volk, ook als zij Hem verlaten. Op Zijn tijd haalt Hij hen weer terug. Dan komen zij tot berouw. Over dit laatste moeten we niet licht denken. De mens komt niet zo gemakkelijk tot een waar berouw. Daar is meer spijt over de ontdekking van het kwaad, dan berouw over de zonde. Zo menigeen roept uit: „vrouw, ik heb er zo'n berouw over, baas, ik vind het toch zo slecht", maar zij zouden het liefst in het kwaad doorgaan. Ze vinden het alleen jammer, dat het uitgekomen is. Maar Gods volk is zo niet, zegt iemand. Ik weet het niet. Voor David was de profeet Nathan nodig om hem tot waar berouw te brengen. Voor Petrus was de blik van Jezus nodig. Meestal moet een mens eerst goed doordrongen zijn van de ellende, waarin hij zichzelf gebracht heeft. Toen de verloren zoon honger had, ging hij tenslotte terug. Dus dit blijft. Gods kinderen kunnen door de zonde overmeesterd worden. Zij komen uit zichzelf niet terug. Maar de Heere haalt ze terug. Dat is een onbegrijpelijke zaak. De Heere doet het nog met liefde ook. Want we moeten niet vergeten, dat het wel de eigen schuld is van David en Petrus en al de anderen, maar de Heere weet, hoe machtig hun vijand is. De Heere zoekt ze op en bekeert ze weer. Dan kan Petrus de broeders versterken naar het woord: „En gij, zo ge eens zult bekeerd zijn, zo versterk uwe broederen" (Luc. 22 : 32). Dat ziet op deze nieuwe bekering. Alzo geschiedt wat ons artikel zegt: Ten andere, vernieuwt Hij hen zekerlijk en krachtiglijk door Zijn Woord en Geest tot bekering.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 september 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 september 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's