Boekbespreking
Volhardt in het gebed, 48 blz., ƒ 1,50. Uitg. Boekencentrum, 's-Gravenhage, 1965,
Dit boekje werd door de Generale Synode van onze kerk aanvaard in de vergadering van 30 juni 1964. Het bedoelt een pastorale handreiking te zijn over het gebed en wil van dienst zijn bij de bezinning over het gebed in het persoonlijke leven. De stof is ingedeeld in de volgende hoofdstukjes: De vrijmacht Gods; De bewegingsvrijheid van de mens; In de naam van Jezus bidden; Grenzen en uitzicht van het gebed; Veelvormigheid van het gebed; Ordening in het bidden; Het gebed des Heren.
Er staan veel goede dingen in: „Waarschijnlijk is bij het gemeentelid een foute instelling ten aanzien van God nog veel fataler dan een foutieve voorstelling van het gebed. Vervreemding aan evangelie en geloof brengt altijd vervreemding aan gebed mee". — Ook over de orde in het bidden, over gebedsdiscipline, over oefening in het gebed worden dingen gezegd, die zeer behartigenswaard zijn.
Wie het geheel overziet gevoelt wel sterk, hoe moeilijk het is in zulk een kort bestek over zoveel onderwerpen te moeten schrijven. Ondanks de opmerking in het voorwoord, dat deze handreiking in eenvoudige bewoordingen is gesteld vind ik toch wel dingen, waarvan ik denk, dat zij voor de gemeenteleden zwaar zijn om te verstaan zonder nadere uitleg. B.v. als gesproken wordt over de reële verhouding van Gods-Subject-zijn ons ten goede; of: Mens zijn is dagelijks mens worden door de genade der bevrijding. — In verband met het korte bestek van dit geschrift wil ik niet te veel ingaan op hetgeen ik miste. Ik noem slechts een verwijzing naar vele belangrijke plaatsen waar in de Schrift van het gebed wordt gesproken, die m.i. niet ontbreken mocht. „Ook van natuurrampen kan men niet zeggen, dat zij op Gods bevel plaats vinden." Ik houd mij (strikter) bij zondag 10 van de Catechismus. Geen berusting, maar aanvaarding van het kruis, zo luidt een onderhoofdstukje. Ik zou willen zeggen: berusting is in de rust ingaan door en in de aanvaarding van het kruis (Ps. 62).
Ik ben wel dankbaar, dat geschriften als deze van hogerhand de kerk worden ingestuurd.
H.Bout
Dr. A. J. Visser. De Openbaring van Johannes. Uitg. G. F. Callenbach, Nijkerk, 1965. Prijs ƒ 18, 50
Het aantal delen van de serie „De prediking van het Nieuwe Testament" breidt zich gestadig uit. Thans is er ook een commentaar op de Openbaring aan Johannes in verschenen, verzorgd door dr. A. J. Visser, lector aan de Groningse universiteit.
In de inleiding op het gehele werk deelt de schrijver mee, dat hij van oordeel is dat dit Nieuw Testamentische geschrift zowel over de tijd van Johannes zélf handelt als óók over de toekomst. Dit is een stelling die bepalend blijkt te zijn voor de wijze waarop hij doorlopend exegetiseert. Verdiept inzicht in de betekenis van het onderhavige Bijbelboek moet ertoe leiden dat wij hem in dit uitgangspunt bijvallen. Al houdt deze bijval niet in, dat wij het met zijn opvattingen altijd eens zijn.
Om maar één ding te noemen: dr. Visser meent dat Johannes (van wie hij nog niet aanneemt dat hij een van de twaalven is geweest, maar van wie hij wèl gelooft dat hij uit de ruimere kring van ooggetuigen afkomstig was) heel bijzondere verwachtingen heeft gekoesterd ten aanzien van de persoon van keizer Nero. Hij zou geloofd hebben in een Nero redivivus, op wie hij meer dan eens zou zinspelen. In verband hiermee acht hij het zeer waarschijnlijk, dat het boek in zijn geheel onder keizer Vespasianus is opgesteld De gangbare mening dat de Openbaring rond het jaar 95 na Christus, ten tijde van keizer Domitianus, geschreven zou zijn, heeft hij daarmee radicaal terzijde gesteld. Onzes inziens evenwel is zijn argumentatie nogal zwak en is het nog lang geen uitgemaakte zaak, of Johannes ook inderdaad dergelijke gedachten met betrekking tot Nero heeft gehad. Herhaaldelijk echter blijkt, dat dr. Visser zich bij zijn exegese van deze hypothese bedient alsof zij onomstotelijk zon zijn.
Overigens is zijn boek een goed leesbaar geheel geworden. Als men eenmaal begonnen is bij Openbaringen 1 : 1 kan men haast niet meer ophouden. Uit het voorhanden zijnde exegetische materiaal bij andere commentatoren heeft hij datgene bijeen gehaald wat het beste met zijn eigen visie overeenkwam. Men verwachte echter geen al te uitvoerge détailexegese. Soms krijgt men zelfs de indruk dat de auteur meer parafraseert dan exegetiseert. Het voordeel van deze methode is 'evenwel, dat de lijn die door het laatste bijbelboek loopt gedurig zichtbaar blijft. Dat daardoor de diepgang wel eens te kort komt, valt vooral op bij kwesties als die van het duizendjarige rijk, die veel te weinig uit de verf komen.
H. A. van Bemmel.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 september 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 september 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's