De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

UIT DE PERS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

UIT DE PERS

9 minuten leestijd

De discussie rondom de brochure van dr. M. Arntzen ‘De crisis in de Gereformeerde Kerken’ is nog steeds niet verstomd. In het blad „De Wekker", het orgaan der Chr. Geref. Kerken wijdt ds. J. H. Velema een uitvoerig artikel aan deze zaak. Ofschoon Velema het zakelijk met de bezwaren van dr. Arntzen goeddeels eens is, heeft hij toch nogal wat kritiek op de door Arntzen gevolgde weg. Een onjuiste weg? Hoezeer hij de bezorgdheid van de schrijver verstaat, toch is Velema niet gelukkig met de wijze waarop een en ander plaatsvond. Hij schrijft in dit verband in het nummer van vrijdag 17 september:

De vraag laat zich niet onderdrukken: is het juist dat deze dominee-doctor theologiae deze brochure heeft geschreven, althans op deze wijze heeft geschreven? Dat laatste waag ik te betwijfelen hoe zeer ik het zakelijk ook in vele punten met hem eens ben.

In het „woord vooraf" rechtvaardigt de auteur zich door erop te wijzen: openlijke kritiek mag ook openlijk bestreden worden. Dat is zeker juist. Het is het volste recht om openlijk te bestrijden wat openlijk wordt gezegd of geschreven, ook zonder dat men in alle gevallen persoonlijk met de betrokkene spreekt. Maar dr. Arntzen doet meer. Reeds in het genoemde „woord vooraf" deelt hij mee dat het zijn bedoeling is de kerkelijke vergaderingen aan hun taak in deze te herinneren. „Deze mogen toch niet werkeloos toezien, als plechtig afgelegde beloften van trouw openlijk geschonden worden". Op pag. 26 komt hij terug op die taak voor de kerken; de taak voor classes die de theol. candidaten examineren; voor de curatoren van de Theol. Hogeschool en voor de deputaten voor het verband met de Theol. Faculteit der V.U. „Ernstig moet gesproken worden met professoren die zo ver met de Schriftkritiek meegaan. Moet hun de vraag niet gesteld worden, of zij nog wel hoogleraar aan een gereformeerde hogeschool, een gereformeerde universiteit kunnen wezen?" Even verder zegt hij dat niet zij die trouw willen blijven aan Schrift en belijdenis bezwaarschriften moeten indienen, maar zij die het Schriftgezag en het belijdenisgezag ondermijnen moeten dit doen.

Op de laatste pagina lezen we: „Hier moeten de (kerkelijke vergaderingen handelen. Zij mogen niet aarzelen degenen, die de belijdenis weerspreken, vriendelijk maar beslist te vermanen. En wanneer deze vermaning niet helpt zal men verder moeten gaan. Om Christus wil. Om het belijdend karakter van de kerk. Om de eer van onze God en zijn heilig Woord". Dat is kloeke taal, maar ik vraag me af: is het juist zo te schrijven?

Tot dusver is ons niet bekend en Arntzen deelt dat ook niet mee dat hij bezwaren bij de kerkelijke vergaderingen heeft ingediend. Dat was m.i. zijn plicht geweest. Hij had de kerkelijke weg moeten gaan en niet collega's en hoogleraren in het openbaar aanklagen zonder kerkelijk met hen te handelen.

Dr. Arntzen had deze brochure qua inhoud wel mogen schrijven, maar niet op deze wijze. Dit geschrift is een openlijke aanklacht geworden. En dat is niet juist en niet de weg in Christus' kerk. Bovendien: de kerkelijke vergaderingen moeten handelen, zegt de 's-Gravendeelse doctor. Maar klinkt dat niet erg hiërarchisch? Als er op de tafel van een kerkelijke vergadering geen be­zwaarschrift ligt, dan handelt een kerkelijke vergadering niet, tenzij ter vergadering zelf mocht blijken dat er afwijking van de leer is te constateren.

Men kan hier natuurlijk lang en breed over delibereren. Toch zou het te betreuren zijn, wanneer de door dr. Arntzen aan de orde gestelde vragen niet aan bod kwamen en verdrongen werden door een formele kritiek op de gevolgde werkwijze. Ook Velema erkent dat de gehele Geref. gezindte door deze brochure tot bezinning geroepen wordt. Hij vraagt zich af of niet het gebrek aan vreze des Heeren, het beginsel der wijsheid immers, de grootste crisis is in de Geref. gezindte.

Hoe wordt er gepreekt?

De Kirchentag te Keulen heeft eveneens nogal wat reacties opgeroepen in de kerkelijke pers. In het Geref. Weekblad (uitgave Kok, Kampen) van 17 september citeert prof. dr. Herman Ridderbos een gedeelte uit een artikel van ds. Vellenga, dat deze schreef in het kerkblad voor Overijsel en Gelderland. Het gaat over de vaak gehoorde klacht dat onze kerkdiensten preekdiensten zijn en verworden zijn tot een monoloog. Vellenga schrijft naar aanleiding hiervan en mede in verband met het op de Kirchentag gezegde o.a.:

„Het is mogelijk, dat er een tijd komt, dat men niet meer van preken gediend zal zijn. Het zou kunnen dat godsdienstoefeningen werden tot samenkomsten van gezang en gebed, mogelijk onderbroken door pauzes voor stille bezinning en afgewisseld met religieuze dansen. Dan zou men alles gemeenschappelijk doen. Van een „monoloog" zou geen sprake méér zijn. Maar vermoedelijk zou na een half jaar of korter het besef doorbreken, dat dit het toch ook niet was.

De kerk behoeft de bediening van het Woord Gods. Daar kan zij niet buiten. Mogelijk zou er een andere tijd en een andere plaats voor te vinden zijn dan de zondagse bijeenkomst, maar die bediening zal er moeten zijn. Daarbuiten kan de gemeente niet leven.

Momenteel — en zo lang de kerk bestaat — heeft deze bediening plaats in de preek. Daar heeft zij plaats door één man. Die heeft er de handen vol aan en alle kracht van ziel en geest voor nodig om het zo te kunnen doen, dat de gemeente gesticht wordt, dat is opgebouwd in het geloof. Die zal daarvoor moeten zwoegen. Die beseft, als het goed is, niet: ik moet ze morgen een half uur bezighouden, maar: ik moet morgen een boodschap aan ze doorgeven, ze doen beseffen dat dit de boodschap is, die God Zelf aan ze richt. Verder kan hij het niet brengen. Het geloof wordt noch gewekt, noch gesterkt door hem. Dat gebeurt door Gods Geest. Maar Deze wil de bediening van het Woord gebruiken om dat te doen. Zo zegt de Bijbel het en zo wordt het door de ervaring ook bevestigd".

Deze predikant waarschuwt tegen een afgeven op de preek. Laat men weten wat men dan doet. „Zolang er geen betere vorm voor de bediening van het Woord gevonden is dan die van de preek in de kerk, moeten wij niet op haar smalen. Misschien is er soms reden het hoofd te schudden over een dominee, die aan „starving sheep" geen „bit of grass" weet te geven. Misschien, ik wil het ook wel wat steviger zeggen. Maar ik voeg er direct aan toe, dat niemand daar meer last van zal hebben dan de dominee, die echt een dominee is, zelf. Altijd weer levend preken is zo verschrikkelijk moeilijk. Altijd weer het Woord Gods nieuw, vers en bezield te vertolken Is een geweldige taak. Elke zondag als de klok luidt ervoor klaar te moeten zijn en nooit de preekstoel op te kunnen gaan en te zeggen: ga maar weer naar huis, ik heb niets voor jullie — zoals ds. Buddingh van Goes dat in de vorige eeuw soms gedaan moet hebben — denk er maar even over na wat dat vraagt. Maar ook al zou een dominee er vele malen niets van terecht brengen en al zou geen dominee er iets meer van terecht brengen, dan was dat nóg geen reden om de bediening van het Woord te doen staken. Dan was er nóg meer reden dan nu om te bidden: laat de preken leven.

Ik neem het onvoorwaardelijk op voor' de gesmade „monoloog", de preek van één man. Ik moet niet denken aan samenkomsten waarin nu deze dan gene op zou staan om zijn woord te zeggen. Misschien zou het voor één- of tweemaal verrassend zijn het aan te horen. Maar de derde maal zouden we de sprekers kennen. Om te kunnen preken moet je lezen, nadenken, studeren, bidden, zwoegen. Als gelovige mensen zullen toegerust worden om christelijk te leven, te arbeiden en te getuigen zullen ze het moeten hebben van de zondagse preken. En als ze daar niet meer bij willen zijn, komt er van christelijk leven beslist niet veel terecht".

We mogen ds. Vellenga dankbaar zijn voor dit pleidooi voor de prediking. Het zou wel eens kunnen zijn dat in onze tijd waarin allerlei aanvallen gedaan worden op de Woordverkondiging en in het algemeen op het traditionele patroon van onze erediensten Zondag 35 van de Cat. een sterke actualiteit ontvangt. Wij denken bij de uitleg van deze zondag vaak alleen aan het conflict dat onze vaderen hadden met Rome. Maar hebben deze woorden ook in de huidige kerkelijke verhoudingen binnen het Protestantisme ons niet veel te zeggen? Komt heel veel kritiek op de doodgepreekte gemeentes niet daaruit voort dat men de diepe bijbelse inhoud van het woord: horen (= gehoorzamen!) niet meer verstaat? Dal men het ook niet meer radicaal durft te wagen met het Woord!

We geven in dit verband nog even het woord aan prof. Ridderbos die een kort, maar zeer waarderend commentaar geeft op het artikel van ds. Vellenga.

Gezonde taal, naar mijn mening. De keerzijde is natuurlijk deze, dat de kerk, menselijk gesproken, staat of valt met de wijze, waarop er gepreekt wordt. Dat dit preken niet een eenvoudige zaak is, wordt in het bovenstaande wel duidelijk. Maar voor mijn besef kan men de hele problematiek van het kerkelijk leven, waarvan geen einde is, op een stuivertje schrijven: hoe wordt er gepreekt? Als die prediking levend en krachtig en vóór alles niet uit de duim, de vlotheid, de culturele belezenheid of het verhaaltjesreservoir van de predikant, maar uit zijn grondige en uitlegkundige studie van de Schriften geput is, behoeft men niet allerlei middelen te bedenken om de kerk aan de gang, solidair met de wereld enz. enz. te houden. Want er is geen ander, althans geen krachtiger middel om de kerk levend, wakker en on-“verveeld" te houden dan dit. En als dit niet helpt behoeft men geen ander te bedenken. Crisis van de kerk, schrijft men tegenwoordig. Ik wil niet zeggen, dat er niets van waar is. Maar ik vraag mij wel af, of er een andere crisis kan zijn dan dat de prediking niet meer deugt. Alle dominees, ondergetekende inbegrepen, mogen desnoods de hele week weinig van zich laten horen. Als zij 's zondags maar weten waar ze het over hebben. Daar kan geen crisis in de kerk tegenop en geen eindeloos geschrijf en gepraat óver de kerk. Want deze monoloog blijft geen monoloog. Het Woord keert niet ledig weder.

 

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 september 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

UIT DE PERS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 september 1965

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's