Gewetensconflicten
II
Al te gemakkelijk beroept men zich soms op zijn geweten; op deze wijze wil men eigen houding en daden goed praten en legitimeren. Om verantwoording gevraagd, waarom men iets gedaan heeft is het antwoord: ik meende naar de stem van mijn geweten te moeten handelen. Dan zou er geen hoger gezag zijn in de hemel noch op aarde dan dat van het geweten, dat onfeilbaar mij de weg voorschrijft. Dan neemt het geweten de plaats van God in. Maar de Here is onze Rechter, de Here is onze Wetgever, de Here is onze Koning (Jes. 33 : 22). Het geweten is wel onschendbaar en dat hebben wij elkaar altijd weer voor te houden, maar wij zouden de moderne mens een slechte dienst bewijzen door het geweten in zijn onfeilbaarheid te erkennen. Ook het geweten is bij velen van zijn gouden standaard beroofd en gedevalueerd tot een puur menselijk moment, weergave van niet anders dan: ik vind, ik meen, dat ik zo handelen moest. Altijd en onder alle omstandigheden voor een beroep op het geweten wijken is kerkelijk en maatschappelijk een onmogelijkheid. Het zou al heel spoedig een chaotische wereld worden, waar ieder klaar was met een beroep op „de stem van binnen". „Zelfs de gewetenloosheid zou hierbij een vorm van geweten, en wel een zeer consequente worden". (Aalders).
„Wanneer het geweten ophoudt te lezen en zelf begint te schrijven, dan valt dit even verschillend uit als de handschriften der onderscheidene mensen. En wanneer het geweten ophoudt een dienaar van Gods gerichten over de zonde te zijn, dan zal het in zijn gericht God zelfs niet als gerechtsdienaar dulden en het begrip van een goddelijk strafgericht verdwijnt dan geheel". Als Claus Harms, die dit schreef in 1817, in deze normloze tijd leefde, zou hij, denk ik, deze stellingen nog scherper formuleren. Ik maak zelf uit, wat goed en kwaad is en zo voed ik mijn geweten op, als er nog sprake kan zijn van opvoeden van het geweten.
Over het geweten zegt Bunyan in zijn schone werk over de stad Mensenziel het volgende: Als Diabolus (de duivel) de stad Mensenziel overmeesterd heeft, kan hij alle inwoners tot zijn wil en dienst overbrengen, met uitzondering van de registreerder der stad, de oude heer Consciëntie. Deze wil zich niet naar hem voegen. Daarom moet Diabolus zich behelpen met het licht zijner woning te betimmeren; en als de registreerder evenwel nog door zijn geweldig geraas de „vrede" (Luc. 11 : 21) der stad verstoort, weet de overweldiger niets anders te doen dan de lieden te overreden, dat de oude heer krankzinnig is geworden, zodat men niet zo bijzonder op zijn rumoer en schelden acht te geven heeft! Maar nu komt Emmanuel tot heerschappij in de stad. Deze laat Consciëntie voor zich komen, erkent zijn goede diensten, maar bestraft hem toch vriendelijk en ernstig over zijn gebleken machteloosheid. Daarom, zegt Hij, zal Ik u in uw eer alleen in zoverre herstellen, dat Ik nu een Opperregistreerder boven u stel, aan wiens bevelen gij u onvoorwaardelijk hebt te onderschikken; en dat is de Heilige Geest, Wien Consciëntie dan ook voortaan met vreugde gehoorzaamt. (De Heilige Oorlog, hoofdstuk 2 en 11).
Met het getuigenis van mijn geweten sta ik onmiddellijk voor Gods aangezicht (coram Dei). En hoe dichter ik bij de Here leef, hoe fijner en teerder zal mijn geweten reageren, omdat wie God vreest voor de Here leven wil en daarom op Hem georiënteerd in al zijn handel en wandel. Maar daarvoor is oefening nodig. Paulus spreekt ervan, dat hij zich geoefend heeft altijd een onergerlijk geweten te hebben voor God en de mensen (Hand. 24 : 16). Daarvoor is training nodig, zegt de apostel, het gaat niet vanzelf. Naar zijn geweten leven is dus niet maar doen en laten, wat de gewoonte voorschrijft en wat gebruik is in een bepaalde kring en in een bepaalde tijd. Het geweten wordt de mens van buiten niet opgedrongen; daarvoor is het een te persoonlijk ding; een ander kan mij wel in gewetenszaken onderrichten, maar hij kan mijn geweten niet vormend bepalen.
Een vreemde heeft er ook geen toegang. „Daar is de mens met God alleen". (Augustinus). Daaruit volgt, dat ik mij heb te onderzoeken, of de klok van mijn geweten wel gelijkloopt. Er zijn mensen wier geweten is bevlekt en bezoedeld (Titus 1 : 15); anderen hebben hun geweten als met een brandijzer dichtgeschroeid.
Eén van de belangrijkste stukken over gewetensconflicten vinden we in de eerste brief aan de Corinthiërs. Paulus weet wat er allemaal in deze jonge gemeente aan de hand is. In het begin van zijn schrijven noemt hij die van het huis van Chloë zijn en in het laatste hoofdstuk horen we van de delegatie van de gemeente van Corinthe, die bij Paulus in Efeze kwam, bestaande uit Stephanus, Fortunatus en Achaicus. Genoeg bronnen van betrouwbare informatie!
Tot de kwesties, waarover men het verre van eens is, behoort de vraag of het geoorloofd is het vlees, dat aan afgoden geofferd is te eten. Wij zijn geneigd ons erover te verwonderen, dat dat een kwestie was in die tijd. Maar voor de apostel toch wel belangrijk genoeg om er in deze brief twee keer op in te gaan, eerst in hoofdstuk 8 en later nog eens in verband met het Heilig Avondmaal in hoofdstuk 10.
De christenen van Corinthe leefden als een geringe minderheid in een heidense omgeving. Zij hadden hun familie, vrienden en bekenden. En telkens werden zij voor moeilijke beslissingen gesteld. Wat moest een christen b.v. doen als hij een briefje kreeg van de volgende inhoud: „Chaeremon nodigt u bij deze uit voor het diner aan de tafel van de Heer Serapis in het Serapeion, morgen de 15de om 9 uur". Dit is een briefje uit de tweede eeuw van onze jaartelling. Kon een christen daar met goed fatsoen naar toe gaan of kon hij wel weigeren? Het gehele maatschappelijke en huiselijke leven was ingebed in religieus leven; middelpunt van de heidense eredienst was in de oudheid het offer. Bij vele volken zijn bepaalde gedeelten van het lichaam van het geofferde dier voor de goden bestemd geweest; het overige vlees werd in een gemeenschappelijke maaltijd door de offeraars genuttigd. Hart en ingewanden waren dikwijls het deel van de goden. De oud-testamentische eredienst herinnert aan deze gebruiken b.v. in het dankoffer, ook wel het vredeoffer genoemd. De priesters ontvingen een deel: het borststuk en de rechterschenkel. Het overige ontving de offeraar, die het met familie en andere gasten in een bijzondere maaltijd gebruikte. Wie mee eet heeft deel aan het offer. Het is met het oog op Israëls offers, dat Paulus zegt: Zij, die slachtoffers eten, staan zij niet in gemeenschap met het altaar? (1 Cor. 10 : 18). Een offermaaltijd heeft iets van een belijdenis.
Mocht men nu aan een heidense maaltijd ter ere van Serapis aanzitten ? En daar vlees eten, dat aan de afgoden geofferd is? Trouwens ook buiten de tempel was het de vraag of misschien het vlees, dat men ergens kreeg opgediend niet van een offer afkomstig was. Het slachthuis was in Griekenland dikwijls met een tempel verbonden, wat ons ook niet behoeft te verwonderen.
Voor sommige christenen was deze kwestie erg eenvoudig. Zij waren erg radicaal: een afgod had niets te betekenen. Zij beriepen zich op de christelijke vrijheid: alles is mij geoorloofd (1 Cor. 6 : 12; 10 : 23). Maar daartegenover staan anderen, die met een kloppend geweten zouden eten en denken: eigenlijk kan het toch niet en zo, tegen de stem van hun geweten ingaande, verliezen zij hun gemoedsrust en de vrijmoedigheid tot God. Als hij zou eten van het offervlees dan beschuldigde zijn geweten hem ervan: Hebt ge wel geheel gebroken met de afgoden, die ge vroeger gediend hebt en wel afgerekend met het gebied waar de demonen vrij spel hebben?
De sterke beroept zich op zijn kennis; daarmede staat hij verre boven zijn mede-christenen, die zo zwak zijn in hun geloof en in hun geweten, dat zij over zulke dingen zitten te tobben. De sterke in de gemeente van Corinthe heeft een behoorlijke dosis eigenwaan, zo in de stijl van: Hij wéét het. Paulus pakt hen behoorlijk scherp aan. In de eerste plaats wijst hij er op, dat allen kennis hebben, dus niet alleen de sterken. Zij zijn niet de enigen, die kennis hebben. Vergelijk ook wat Johannes schrijft (1 Joh. 2 : 20). Gij hebt de zalving van de Heilige en gij weet iklle dingen. En in de tweede plaats zegt Paulus tegenover deze mensen, die zo prat gaan op hun kennis: Denk erom, dat gij niet meer zijt, omdat gij meer weet of meent te weten dan de ander: De kennis maakt opgeblazen, maar de liefde, sticht. Hier voert de apostel geen pleidooi voor onkunde en onwetendheid in de dingen van het geestelijke leven. Onkunde, die door gemakzucht en gebrek aan belangstelling in de hand wordt gewerkt. Het geloof bestaat niet uit onkunde, zegt Calvijn: het is een vaste kennis! Maar het komt erop aan, hoe gij die kennis gebruikt. Als gij uw kennis overschat en neerziet op de minder gevorderde dan hebt ge helemaal geen kennis en moet echt van voren af beginnen, (h. 8:2). Tegen de zonde van hoogmoed waarschuwt de Schrift op vele plaatsen (zie 1 Cor. '^4 : 6); men blaast zich op over de ene leraar tegen de ander. De kennis maakt opgeblazen, maakt een windbuil van de mens; als in de opgeblazen zak geprikt wordt blijkt hij leeg te zijn.
Ja maar, zeggen de sterken: een afgod is niets. De Statenvertaling heeft: wij weten, dat een afgod niets is. De Nieuwe vertaling leest: wij weten, dat er geen afgod in de wereld bestaat. Nu is het woord bestaan in dit verband een moeilijk te hanteren begrip. Dat zou met heel wat woorden zijn toe te lichten. Misschien zouden wij kunnen zeggen: zij zijn niet reëel; zij „bestaan" alleen in de gedachte van die hen vereren. De afgoden zijn idolen, zegt Paulus. Maar onmiddellijk als tussen haakjes zegt hij erbij: En toch — er zijn heel wat goden en heren. In Corinthe b.v. diende men er heel wat: Aphrodite, Apollo, (de resten van de tempel zijn nog, te zien) Athena, Poseidon, Hera, Serapis, Bacchus, Aesculapius. Het oude Israël sprak van de Here als de levende God in tegenstelling met de dode afgoden der heidenen. Zo b.v. in Psalm 115: de afgoden doen niets; zij zijn het werk van des mensen handen. Tegen de redenering van de sterken is niets in te brengen: een afgod is dood: Wij hebben maar één God, de Vader, uit wien alle dingen zijn en maar één Here, door wien alle dingen zijn en wij door Hem (vers 6).
Maar één ding vergeten de sterken uit de gemeente van Corinthe: zij zijn niet alleen in de wereld. Zij dragen medeverantwoordelijkheid door hun gedrag voor hun mede-christenen. Met hun kennis waar geen liefde mee gepaard gaat maken zij een ongeremd gebruik van hun christelijke vrijheid. Maar wat zij met hun slecht gebruikte kennis bereiken, dat is de ruïne van de zwakke, niet de stichting van de naaste en de opbouw in het allerheiligst geloof, maar de afbraak en zo God het niet verhindert, gaat deze zwakke broeder verloren.
Maar het geloof is toch niet een kwestie van eten of drinken? zegt de sterke. Inderdaad (h. 8:8), enig voedsel brengt ons niet dichter bij God; als wij ons onthouden, dan verliezen wij niets en als wij eten, dan winnen wij niets. Maar vergeet nooit, dat wat onschuldig is voor de een, dat kan fataal zijn voor de ander. Want wat geschiedt? De zwakke is bekeerd van de dode afgoden om de levende God te dienen; hij gelooft niet meer in afgoden. En toch — hoe sterk is deze man onder de ban van de heidense godsdienst geweest! De sterke glimlacht om de bijgelovige vrees van de zwakke; hij vindt, dat hij gelijk heeft en staat op zijn recht. Daar ziet de zwakke de ander aanzitten in een heidense tempel of die ander spreekt van de vrijheid, die hij heeft: een afgod heeft immers niets te betekenen. De zwakke is innerlijk een beetje jaloers; wat heeft deze sterke het gemakkelijk in die heidense wereld en bovendien, als deze man het voorbeeld geeft, zou het dan voor hem, de zwakke, zulk een kwaad zijn? Hij probeert over de stem van zijn geweten heen te leven. Dat geweten klaagt aan. Zo is het gedrag en het woord van de sterke een struikelblok voor de zwakke en een valstrik. Het is een vreemde getrouwheid in het gebruik van de ontvangen genade, die wij bij de sterke vinden, nog afgedacht van het gevaar, waaraan hij zichzelf blootstelt. Hij ontziet zijn zwakke naaste niet. Wat hij bereikt door op zijn kennis te blijven staan en zijn recht, terwijl hij de liefde vergeet — ook in 1 Joh. 4 : 8 vinden wij liefde en kennis nauw verbonden — Hij moedigt zijn broeder aan iets te doen, dat diens geweten verbiedt. Zo zal het geweten van de zwakke gestijfd (gesticht, opgebouwd) worden om iets te doen, waarvan zijn geweten neen zegt. Diens geweten wordt geslagen en gekwetst (vs. 12), niet gevormd, maar misvormd; het wordt niet gespaard en niet ontzien. Dat bereikt de sterke in zijn hoogmoed met zijn kennis zonder liefde.
De apostel bagatelliseert deze vragen niet. Als gij geen rekening houdt met het zwakke geweten van uw broeder, zegt Paulus, dan zondigt gij tegen Christus. Zal de broeder die zwak is door uw kennis verloren gaan, een man, om wie Christus gestorven is? Hij, die oorzaak is, dat een ander tegen de stem van zijn geweten handelt, doet zonde. Wat een kleine dingen, kinderachtig, naar het lijkt, maar Paulus gaat er breed en diep op in. Denk om het geweten, ook om het dwalende geweten van de broeder. Zal de broeder verloren gaan? Is dat alleen maar een veronderstelling? „Hij verliest zijn geloof en als hij dat niet terugkrijgt, zelfs zijn zaligheid". (Bengel). Het Woord Gods is niet naar de mens. Plechtig zegt Paulus, dat hij liever nooit vlees zou eten, als zijn broeder daardoor ten val zou komen.
Wij hebben geen kwesties over offervlees of iets dergelijks. Maar de vragen over het geweten en wat dat ons verbiedt zijn er niet minder om geworden en samen worden wij eraan herinnerd, dat wij niet alleen voor eigen geweten verantwoordelijkheid dragen en dat wij voorzichtig moeten zijn in een gemeenschap ons op onze vrijheid te beroepen. Ik weet best, dat dit voorbeeld op de kwesties over de vrouw in het ambt niet zonder meer geldt, maar een beginsel wordt gegeven, dat niet ongestraft ook in deze dingen mag worden verwaarloosd. Al erken ik, dat ook op onze Kerk en onze tijd mag worden toegepast wat Stahlin schrijft: „Men weet niet wat in onze Kerk grotere schade heeft aangericht of aanricht: een gebrek aan gevoel van verantwoordelijkheid waarmee een verlichte wijsheid in naam van de vrijheid zich tot een werktuig van een grote verleiding maakt of de aanmatiging, waarmee een onvrije vreesachtigheid zich tot een rechter over alle anderen opwerpt".
Een volgende keer meer hierover.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 september 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 september 1965
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's